Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AK8379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2003
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
00/5959 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering wegens verdeling van de te verrekenen inkomsten uit onderneming over juli 1995 tussen de WW-uitkering en de uitkering op grond van de UKR. De CRvB onderschrijft niet de opvatting van de rechtbank dat, wanneer later beschikbaar gekomen gegevens afwijken van een opgegeven schatting, die enkele omstandigheid reeds met zich brengt dat moet worden gesproken van eigen toedoen van de betrokkene. Veeleer is de CRvB van oordeel dat een situatie als de onderhavige – waarin niet gesteld is dat indertijd een onredelijk te achten geschatte jaarwinst is opgegeven – zich naar haar aard niet leent voor onverkorte toepassing van het terugvorderingsstelsel. Omdat de betrokkene ten tijde van de uitbetaling van het voorlopig berekende bedrag weet dat dit door het bestuursorgaan nog niet als definitief is bedoeld, mag hij er niet op vertrouwen dat op de hoogte van het uitgekeerde bedrag niet meer zal worden teruggekomen. Terugvordering is in het algemeen niet aan de orde totdat de betrokkene voldoet aan zijn verplichting om nadere gegevens ter beschikking van het bestuursorgaan te stellen. Volgt uit deze gegevens dat hem een te hoog bedrag is uitbetaald, dan past het in bedoeld stelsel om aan te nemen dat met ingang van de dag na ontvangst van de gegevens een termijn van twee jaar gaat lopen waarbinnen het bestuursorgaan bevoegd is het verschil terug te vorderen. Vanaf die dag is het bestuursorgaan immers tot zodanige terugvordering in staat en kan het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk zijn dat hij teveel heeft ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/5959 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] , wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 oktober 2000,

nr. AWB 99/10236 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 december 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem, en waar gedaagde, daartoe ambtshalve opgeroepen, zich heeft laten vertegenwoordigen door M. Kruit, werkzaam bij het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.

1.1.

Appellant ontving vanaf januari 1993 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) op basis van een volledig dienstverband. Van 13 april 1993 tot 1 januari 1994 had hij een tijdelijke aanstelling bij het Ministerie van Economische Zaken voor vier dagen per week; daarnaast ontving hij de WW-uitkering, herzien naar een grondslag van één dag per week. Met ingang van 1 januari 1994 heeft gedaagde appellant ter zake van de beëindiging van zijn dienstbetrekking bij het Ministerie van Economische Zaken een uitkering op grond van de Uitkeringsregeling 1966 (UKR) toegekend voor de periode tot 1 juli 1997. Naast deze uitkering ontving appellant nog steeds zijn WW-uitkering op basis van één dag per week. Deze laatste uitkering zou in beginsel tot 1 juli 1996 duren.

1.2.

Bij brief van 11 juli 1995 heeft appellant gedaagde meegedeeld dat hij met ingang van 1 juli 1995 een eenmanszaak was begonnen. Hierop heeft gedaagde appellant bij brief van 27 juli 1995 geantwoord dat de inkomsten uit zijn onderneming ingevolge artikel 9 van de UKR met de uitkering verrekend worden. Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat de vaststelling van het te verrekenen bedrag in drie fasen zal geschieden, te weten: (1) een maandelijkse voorlopige vermindering van de uitkering op basis van een schatting van de winst over het lopende kalenderjaar, (2) een voorlopige jaarafrekening op basis van de winst uit onderneming volgens de aangifte inkomstenbelasting en (3) een eindafrekening nadat de definitieve aanslag inkomstenbelasting is opgelegd. Ter uitvoering van de eerste fase heeft appellant gedaagde bij brief van 28 juli 1995 meegedeeld dat de geschatte belastbare winst uit zijn onderneming over (het tweede halfjaar van) 1995 f 10.200,- bedraagt. Op grond van deze schatting heeft gedaagde maandelijks rekening gehouden met een bedrag aan verdiensten van f 1700,-, hetgeen niet leidde tot een vermindering van de uitkering. De WW-uitkering is per 17 juli 1995 beëindigd.

1.3.

Bij besluit van 19 mei 1999 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat bij de berekening van zijn uitkering op grond van de UKR over de jaren 1995 en 1996 met een te laag bedrag aan winst uit eigen bedrijf rekening is gehouden, in verband waarmee de uitkering is herrekend en van appellant een bedrag van f 63.544,85 (belastbaar) wordt teruggevorderd. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 11 oktober 1999 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard, behoudens een vermindering van het teruggevorderde bedrag tot f 62.982,45 (thans € 28.580,19) wegens verdeling van de te verrekenen inkomsten uit onderneming over juli 1995 tussen de

WW-uitkering en de uitkering op grond van de UKR.

1.4.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2. Appellant bestrijdt ook in hoger beroep dat gedaagde op 19 mei 1999 nog bevoegd was tot terugvordering over de jaren 1995 en 1996. Hij heeft er onder meer op gewezen dat hij zijn verlies- en winstrekeningen over 1995 en 1996 zo spoedig mogelijk aan gedaagde heeft toegezonden. Daarmee had gedaagde de beschikking over de juiste inkomens-gegevens. Van het verstrekken van onjuiste inlichtingen is volgens appellant nimmer sprake geweest, nu een schatting per definitie geen exacte opgave behelst.

2.1.

Dienaangaande stelt de Raad voorop dat, naar vaste rechtspraak, een bestuursorgaan bevoegd is om hetgeen in het kader van een rechtsbetrekking met een ambtenaar of een gewezen ambtenaar onverschuldigd is betaald terug te vorderen, tenzij een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel een algemeen rechtsbeginsel zich daartegen verzet. Vaste jurisprudentie is eveneens dat het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van een evenredige afweging van belangen, ook op het terrein van het ambtenarenrecht, meebrengen dat die terugvordering na een zeker tijdsverloop niet meer mogelijk is. Het zal van de aard van de aan de orde zijnde materie afhangen welke concrete vorm aan dat tijdsverloop moet worden gegeven. In beginsel zal het onverschuldigd betaalde slechts kunnen worden teruggevorderd of verrekend binnen twee jaar na de dag van de uitbetaling indien de betrokkene wist of redelijkerwijs kon weten dat hij teveel ontving of gedurende vijf jaar indien de fout door toedoen van de betrokkene was ontstaan (CRvB 26 april 1990, TAR 1990, 138).

2.2.

In artikel 17, tweede lid, van de UKR is bepaald dat, indien de aard van de werkzaamheden of van de inkomsten medebrengt dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, de opgave dienovereenkomstig geschiedt en op de uitkering een vermindering wordt toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van de evenbedoelde termijn. Aan deze bepaling heeft gedaagde toepassing gegeven door het vaststellen van de in de brief van 27 juli 1995 omschreven, door partijen in acht te nemen gedragslijn. In overeenstemming met die gedragslijn heeft appellant een schatting gemaakt van zijn inkomsten uit onderneming, en heeft appellant de financiële gegevens van zijn onderneming over 1995 en 1996, zoals verwerkt in de aangiften voor de inkomstenbelasting, aan gedaagde toegezonden.

2.3.

De Raad onderschrijft niet de opvatting van de rechtbank dat, wanneer de later beschikbaar gekomen gegevens afwijken van de opgegeven schatting, die enkele omstandigheid reeds met zich brengt dat moet worden gesproken van eigen toedoen van de betrokkene. Veeleer is de Raad van oordeel dat een situatie als de onderhavige

- waarin niet gesteld is dat indertijd een onredelijk te achten geschatte jaarwinst is opgegeven - zich naar haar aard niet leent voor onverkorte toepassing van het onder 2.1 omschreven stelsel. Omdat de betrokkene ten tijde van de uitbetaling van het voorlopig berekende bedrag weet dat dit door het bestuursorgaan nog niet als definitief is bedoeld, mag hij er niet op vertrouwen dat op de hoogte van het uitgekeerde bedrag niet meer zal worden teruggekomen. Terugvordering is in het algemeen niet aan de orde totdat de betrokkene voldoet aan zijn verplichting om nadere gegevens ter beschikking van het bestuursorgaan te stellen. Volgt uit deze gegevens dat hem een te hoog bedrag is uitbetaald, dan past het in bedoeld stelsel om aan te nemen dat met ingang van de dag na ontvangst van de gegevens een termijn van twee jaar gaat lopen waarbinnen het bestuursorgaan bevoegd is het verschil terug te vorderen. Vanaf die dag is het bestuursorgaan immers tot zodanige terugvordering in staat en kan het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk zijn dat hij teveel heeft ontvangen.

2.4.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting moet als vaststaand worden aangenomen dat appellant de gegevens over 1995 op 28 juni 1996 bij gedaagde heeft ingediend. Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, kon gedaagde het uit die gegevens af te leiden verschil met de over 1995 uitgekeerde bedragen uiterlijk op 28 juni 1998 van appellant terugvorderen. Ten tijde van het primaire besluit van 19 mei 1999 was gedaagde daartoe op grond van de hierboven genoemde beginselen niet langer gerechtigd te achten. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met die beginselen genomen en treffen de grieven van appellant doel.

2.5.

De gegevens over 1996 zijn op 14 juli 1997 ingediend. Wat de terugvordering over 1996 betreft, was gedaagde dus nog wel bevoegd en kunnen de grieven niet slagen.

3. Appellant heeft voorts de omvang van de vermindering van de uitkering en daarmee de hoogte van de terugvordering bestreden. Hij heeft daartoe - kort samengevat - gesteld dat gedaagde onvoldoende aandacht heeft besteed aan de samenloop van de verrekening van inkomsten met zijn uitkering op grond van de UKR en die met zijn WW-uitkering.

3.1.

Ook dit betoog van appellant treft doel. Aanvankelijk ontving hij een WW-uitkering op basis van een volledig dienstverband. Vanaf het moment dat hij voor vier dagen per week bij het Ministerie van Economische Zaken ging werken, werd de WW-uitkering herrekend naar 1 dag per week. Die situatie bleef gehandhaafd toen het dienstverband bij het Ministerie van Economische Zaken werd beëindigd en hem de uitkering ingevolge de UKR werd toegekend. Op aandringen van appellant is door de beide uitkeringsinstanties een afspraak gemaakt over een verdeelsleutel voor de verrekening van zijn inkomsten uit onderneming, teneinde te voorkomen dat die inkomsten dubbel op de uitkeringen zouden worden gekort. Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat na de beëindiging van de WW‑uitkering per 17 juli 1995 voor toepassing van een verdeelsleutel geen aanleiding meer bestond, aangezien niet langer sprake was van samenloop van uitkeringen. Ter zitting is evenwel gebleken dat niet kan worden uitgesloten dat de WW‑uitkering juist vanwege de inkomsten uit onderneming is beëindigd. De gemachtigde van gedaagde heeft erkend dat, indien dit inderdaad het geval zou zijn, volledige anticumulatie van de inkomsten uit onderneming met de uitkering ingevolge de UKR nog steeds op een dubbele korting zou neerkomen en dat die situatie zou moeten worden rechtgetrokken.

3.2.

Op dit punt is het bestreden besluit derhalve genomen in strijd met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde beginsel van zorgvuldige voorbereiding.

4. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit - in hun geheel - voor vernietiging in aanmerking komen. Gedaagde dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

5. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan appellant in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan appellant in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 104,37 (voorheen f 230,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. W.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van L. Savas als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2003.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) L. Savas.

HD

17.01

Q