Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AK8294

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
23-09-2003
Zaaknummer
01/2682 AW e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling financiële aanspraken van een naar Suriname en Sint Maarten uitgezonden ambtenaar.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/2682 AW en 01/2853 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Nederlandse Antillen), appellante, tevens gedaagde, hierna: appellante,

en

de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde, tevens appellant, hierna: gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellante en namens gedaagde is op daartoe bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 maart 2001, nrs. AWB 00/4406 AW en AWB 00/11197 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens partijen zijn verweerschriften ingediend. Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 5 juni 2003, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E. Pasman, advocaat te Amsterdam en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. B.A. Frijlink, werkzaam bij het Ministerie van Financiën.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Uitzending naar Suriname

2. Naar aanleiding van appellantes belangstelling voor de vacature van personeelsfunctionaris bij de regering van Suriname in het kader van de verlening van technische bijstand heeft gedaagde haar in dat kader (i) in tijdelijke dienst voor het tijdvak van 1 september 1996 tot 1 januari 1999 aangesteld als ambtenaar van de Belastingdienst, bij het dienstonderdeel [dienstonderdeel] ten behoeve van de afdeling [naam afdeling], en (ii) - onder verwijzing naar de Regeling uitzending deskundigen naar Suriname (hierna: Regeling I) - voor dat tijdvak naar Suriname uitgezonden. Daartoe heeft gedaagde appellante voor bedoeld tijdvak op grond van artikel 34 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend, onder toekenning - naast haar bezoldiging als ambtenaar van de Nederlandse belastingdienst - van een maandelijkse uitzendtoelage als bedoeld in Regeling I (waaronder 5% ADV-compensatietoeslag).

2.1. Omdat de Surinaamse regering de samenwerking inzake de technische bijstand per 1 juli 1997 had verbroken, heeft gedaagde de uitzending en het buitengewoon verlof van appellante per 1 augustus 1997 beëindigd. Mede doordat zij ten behoeve van een soepele beëindiging van haar werkzaamheden was blijven doorwerken, had zij per 1 augustus 1997 uit hoofde van die werkzaamheden in Suriname nog een tegoed van 33 niet opgenomen vakantiedagen.

2.2. Gedaagde heeft appellante vanwege de terugkeer naar Nederland een verhuiskostenvergoeding van hfl. 12.000,- toegekend en haar, omdat zij pas op 20 augustus 1997 uit Suriname was vertrokken, "in verband met de bijzondere omstandigheden" voor het tijdvak 1 augustus 1997 tot en met 20 augustus 1997 tevens de uitzendtoelage (exclusief ADV-compensatie) verleend.

Uitzending naar Sint Maarten

3. Inmiddels had appellante contact gelegd met het Bestuurscollege van Sint Maarten omtrent de vacature van [naam functie] bij de afdeling Personeel, Organisatie en Informatievoorziening aldaar. In het kader van de technische samenwerking met de Nederlandse Antillen heeft gedaagde appellante bij besluit van 4 november 1997 - onder verwijzing naar de Regeling honorering deskundigen technische bijstand (hierna: Regeling II) - voor het tijdvak van 15 september 1997 tot 15 september 1998 naar Sint Maarten uitgezonden en haar voor dat tijdvak op grond van artikel 34 van het ARAR buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend.

3.1. Bij het besluit van 4 november 1997 is appellante voor de duur van haar verblijf op Sint Maarten naast haar bezoldiging als ambtenaar van de Nederlandse belastingdienst overeenkomstig artikel 3 van Regeling II een onbelaste maandelijkse toelage (hierna: buitenlandtoelage) toegekend, bestaande uit een uitzendtoelage, een gehuwdentoelage, een aanvullende kindertoelage en een maandelijkse compensatietoeslag van 10% van haar brutoloon wegens het niet kunnen opnemen van ADV.

3.2. Bij afzonderlijk besluit van 4 november 1997 heeft gedaagde appellante vanaf 14 november 1997 tevens een maandelijkse tegemoetkoming in de huurprijs van haar woning op Sint Maarten verleend (hierna: woninghuurtoelage).

3.3. In de loop van 1998 is namens gedaagde met appellante meermalen de vraag besproken of verlenging van de aanstelling op Sint Maarten tot 1 september 1999 mogelijk zou zijn. Appellante is in november 1998 in Nederland en op 2 december 1998 op Sint Maarten meegedeeld dat als gevolg van een door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties afgekondigde verplichtingenpauze verlenging slechts tot 11 maart 1999 mogelijk was. Daarbij is zij erop gewezen dat zij vanwege het einde van haar uitzending per 11 maart 1999, voorbereidingen voor haar terugkeer naar Nederland moest treffen.

3.4. Bij besluit van 15 december 1998 is appellantes buitengewoon verlof tot 11 maart 1999 verlengd. De betaling van de buitenlandtoelage en de woninghuurtoelage werd eveneens tot 11 maart 1999 voortgezet.

3.5. Appellante heeft, na ontvangst op 12 januari 1999 van het besluit van 15 december 1998, verzocht de uitzending vanwege haar gezinssituatie en financiële situatie nog tot 1 september 1999 te verlengen om redelijk de tijd te hebben haar terugkeer naar Nederland voor te bereiden. Vanwege de verplichtingenpauze zag gedaagde hiervoor echter geen ruimte.

3.6. Bij besluit van 9 februari 1999 heeft gedaagde appellante, wegens het einde van de uitzending, per 15 maart 1999 eervol ontslag als ambtenaar van de Belastingdienst verleend. Na bezwaar is de ontslagdatum in 9 mei 1999 gewijzigd. Appellante heeft met betrekking tot het ontslag geen verdere rechtsmiddelen aangewend.

Financiële afwikkeling na beëindiging van de uitzending naar Sint Maarten

4. Vanaf februari 1999 hebben partijen veelvuldig contact gehad over financiële zaken in verband met het einde van de uitzending en de beoogde terugkeer naar Nederland.

4.1. Op 15 februari 1999 heeft gedaagde appellante wegens de voorgenomen terugkeer naar Nederland een verhuiskostenvergoeding van hfl. 9.770,12 verleend: een bedrag van hfl. 12.000,- verminderd met de verhuiskostenvergoeding van hfl. 2.229,88 die door de Nederlands-Antilliaanse autoriteiten zou worden toegekend.

4.2. Bij brief van 5 mei 1999 heeft appellante gedaagde verzocht de extra kosten te vergoeden die zij had gemaakt als gevolg van de schade die op 18 september 1998 door de orkaan George was veroorzaakt: hfl. 25.000,- wegens schade aan haar inboedel en US$ 2.133,60 wegens vervangend verblijf in een hotel. Zij wees er daarbij op dat dergelijke kosten ook aan andere rijksambtenaren/technische bijstanders (Kustwacht, Rechercheteam) waren vergoed.

4.3. Eveneens bij brief van 5 mei 1999 heeft appellante gedaagde verzocht het ongeval dat zij op 9 maart 1998 op haar werkplek in Sint Maarten had gehad (zij was op een tegelvloer uitgegleden), als dienstongeval aan te merken. Zij vermeldde daarbij dat zij terzake nog steeds onder medische behandeling stond en herinnerde eraan dat zij het ongeval meteen bij haar leidinggevende op Sint Maarten - de directeur Middelen van het Eilandgebied Sint Maarten - had gemeld en ook gedaagde daarvan in kennis had gesteld.

4.4. Bij brief van 10 mei 1999 heeft appellante gesteld dat zij blijkens brieven van haar direct leidinggevenden in Suriname en op Sint Maarten nog een aan haar uitzendingen gerelateerd vakantietegoed van 33 onderscheidenlijk 41 dagen had. Zij wees er daarbij op dat zij voorts, buiten de uitzendperioden, van 1 augustus 1997 tot 16 september 1997 drie vakantiedagen en van 11 maart 1999 tot 9 mei 1999 vier vakantiedagen had opgebouwd. Zij verzocht de in totaal 81 vakantiedagen op basis van haar bezoldiging, de buitenlandtoelage en de woninghuurtoelage uit betalen.

4.5. Bij de brief van 10 mei 1999 heeft appellante gedaagde verzocht over het tijdvak van 11 maart 1999 tot 9 mei 1999 naast de reeds uitbetaalde bezoldiging ook de buitenlandtoelage en de woninghuurtoelage uit te betalen.

4.6. Bij brief van 11 mei 1999 heeft appellante gedaagde vervolgens meegedeeld dat zij, omdat haar krediet bij de bank was gelimiteerd, over onvoldoende middelen beschikte om, in afwachting van de vergoedingen van gedaagde en van het Eilandgebied Sint Maarten waarop zij aanspraak had, de in verband met de repatriëring te betalen rekeningen voor de vliegtickets, de vervoersmaatschappij, hotels, e.d., zelf te betalen. Met een beroep op het uitzonderlijke van haar geval - niet alleen haar uitzending maar ook haar dienstverband bij de Nederlandse belastingdienst was beëindigd - verzocht zij gedaagde bedoelde rekeningen ten volle vooraf aan haar te vergoeden, opdat zij deze tijdig zou kunnen betalen. Bij brief van 27 mei 1999 heeft appellante dit verzoek gedetailleerd herhaald.

4.7. Bij besluit van 6 juli 1999 heeft gedaagde de in 4.2. tot en met 4.6. vermelde verzoeken afgewezen.

Besluit op bezwaar inzake financiële afwikkeling uitzending naar Sint Maarten en Suriname

5. Op het bezwaar tegen het besluit van 6 juli 1999 heeft gedaagde bij besluit van 9 maart 2000 (hierna: besluit I) als volgt beslist.

5.1. Gedaagde heeft de weigering om de 41 in het tijdvak van 16 september 1997 tot 11 maart 1999 opgebouwde vakantiedagen uit te betalen gehandhaafd, omdat appellante in dat tijdvak geen vakantiedagen in het dienstverband met gedaagde heeft kunnen opbouwen nu zij wegens haar buitengewoon verlof geen werkzaamheden voor hem had verricht.

5.2. Hoewel de 33 tijdens de uitzending naar Suriname opgebouwde vakantiedagen evenmin in het dienstverband met gedaagde waren opgebouwd, heeft gedaagde besloten die dagen wel uit te betalen vanwege appellantes versnelde terugkeer naar Nederland als gevolg van de abrupte beëindiging van die uitzending. Hij heeft voorts besloten ook de zeven vakantiedagen uit te betalen die appellante buiten de tijdvakken van het buitengewoon verlof had opgebouwd: drie dagen in het tijdvak van 20 augustus 1997 tot 16 september 1997 in Nederland en vier dagen in het tijdvak van 11 maart 1999 tot 9 mei 1999 op Sint Maarten. Voor de vaststelling van het over aldus in totaal 40 vakantiedagen uit te betalen bedrag, is gedaagde met toepassing van artikel 24 van het ARAR uitgegaan van het salaris dat appellante direct voorafgaand aan haar ontslag als ambtenaar van de Nederlandse belastingdienst had genoten. Gelet op dat artikel zag hij geen aanleiding tevens de buitenlandtoelage en de woninghuurtoelage uit te betalen.

5.3. Vanwege het einde van de uitzendperiode per 11 maart 1999 had gedaagde de buitenlandtoelage aanvankelijk op dat tijdstip beëindigd. Maar omdat de duur van het verblijf op Sint Maarten waarover appellante ingevolge artikel 3 van Regeling II aanspraak op die toelage had, volgens de bewoordingen van artikel 1, tweede lid, van Regeling II mede de 41 niet opgenomen vakantiedagen omvatte die zij uit hoofde van haar werkzaamheden op Sint Maarten had opgebouwd, is de buitenlandtoelage bij besluit I alsnog over die 41 vakantiedagen toegekend.

5.4. Gedaagde heeft zijn weigering de woninghuurtoelage over deze 41 vakantiedagen toe te kennen, gehandhaafd omdat die toelage niet onder Regeling II valt.

5.5. Het Bestuurscollege van Sint Maarten had de vergoeding van de repatriëringskosten die het appellante had toegekend, wegens de korte duur van de uitzending naar evenredigheid verminderd. Bij besluit I heeft gedaagde besloten die vermindering te compenseren. Tevens heeft hij zich bereid verklaard de factuur van het transportbedrijf op Sint Maarten bij wijze van voorschot rechtstreeks volledig aan dat bedrijf uit te betalen, ook al waren de transportkosten deels al door het Eilandgebied Sint Maarten vergoed.

5.6. Voor het overige is het in 4.7. bedoelde besluit van 6 juli 1999 gehandhaafd.

Doorbetaling bezoldiging na arbeidsongeschiktheid per 1 juni 1999

6. Bij brief van 1 juni 1999 had appellante gedaagde meegedeeld dat zij vanaf die dag ziek/arbeidsongeschikt was en dat zij op medisch advies naar Nederland zou vertrekken om verder onderzocht en behandeld te worden. In Nederland is zij op gedaagdes verzoek op 14 juni 1999 door een bedrijfsarts gezien. Deze achtte haar vanaf 1 juni 1999 volledig arbeidsongeschikt. Hij verwachtte dat werkhervatting binnen zes maanden mogelijk zou zijn.

6.1. Nu de arbeidsongeschiktheid binnen een maand na het tijdstip van het ontslag was ontstaan, heeft gedaagde bij besluit van 6 juli 1999 op grond van artikel 38, tweede lid, van het ARAR besloten appellante vanaf 1 juni 1999 de laatstgenoten bezoldiging gedurende maximaal 52 weken door te betalen. Hij heeft daarbij meegedeeld dat de ziektebegeleiding en controle op het ziekteverzuim als bedoeld in het ARAR aan Avios arbodiensten waren opgedragen, aangekondigd dat appellante voor die controle binnen afzienbare tijd in Nederland zou worden opgeroepen en erop gewezen dat appellante de reiskosten zelf zou moeten betalen.

6.2. Appellante heeft ook tegen het in 6.1. bedoelde besluit van 6 juli 1999 bezwaar gemaakt. Op dat bezwaar is eveneens bij besluit I beslist. Daarbij is appellantes stelling dat gedaagde vanaf 1 juni 1999 verplicht was naast de bezoldiging tevens de buitenlandtoelage en de woninghuurtoelage door te betalen, verworpen op de grond dat daarvoor in artikel 38 van het ARAR noch in Regeling II noch anderszins een grondslag bestaat. Voorzover het bezwaar tegen de aankondiging inzake de reiskosten was gericht, is het niet-ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat de aankondiging geen besluit was.

Stopzetting doorbetaling bezoldiging vanaf 11 maart 2000

7. Na appellantes bezoek op 14 juni 1999 aan de bedrijfsarts heeft gedaagde die arts verzocht haar spoedig voor een herhaald geneeskundig onderzoek in Nederland op te roepen. Vanwege appellantes terugkeer naar Sint Maarten heeft dit onderzoek eerst in december 1999 plaatsgevonden, nadat gedaagde desgevraagd een voorschot voor de reiskosten had verstrekt. De bedrijfsarts heeft op 15 december 1999 zijn ongeschiktheidsoordeel gehandhaafd en meegedeeld dat ter bepaling van de prognose aanvullend onderzoek, bijvoorbeeld via een expertisebureau, wenselijk was.

7.1. Appellante heeft gedaagde vervolgens verzocht haar nog eenmaal toe te staan naar Sint Maarten terug te keren om de verscheping van de inboedel definitief te regelen. Bij brief van 17 december 1999 heeft gedaagde hiermee ingestemd onder de voorwaarde dat appellante binnen twee weken voor controle door de bedrijfsarts in Nederland zou terugkeren. Gedaagde heeft er bij die brief op gewezen dat, als appellante zich niet aan deze voorwaarde zou houden, sprake zou zijn van onttrekking aan controle door de bedrijfsarts.

7.2. Appellante heeft bij brief van 28 december 1999 verzocht met een langere terugkeer naar Sint Maarten in te stemmen met het oog op de tijd die zij voor haar repatriëring nodig had. Zij verzocht tevens de helft van het voor de repatriëring benodigde bedrag naar haar over te maken opdat zij de vervoersmaatschappij zou kunnen betalen.

7.3. Gedaagde heeft hierop niet gereageerd, maar bij brief van 7 januari 2000 aan de bedrijfsarts laten weten dat appellante vanaf 20 januari 2000 voor het voorgestelde nadere onderzoek beschikbaar diende te zijn. De bedrijfsarts heeft gedaagde gemeld bereid te zijn appellante op korte termijn te verwijzen en verzocht hem daartoe appellantes verblijfplaats in Nederland mee te delen.

7.4. Appellante heeft gedaagde bij brief van 18 februari 2000 verzocht uiterlijk 3 maart 2000 een bedrag van hfl. 55.329,- betaalbaar te stellen, waarvan een bedrag van hfl. 39.571,- bij wijze van voorschot voor het betalen van haar rekeningen op Sint Maarten. Bij besluit van 9 maart 2000 is dit verzoek afgewezen.

7.5. Bij dit besluit van 9 maart 2000 heeft gedaagde voorts vanaf 11 maart 2000 de doorbetaling van de bezoldiging stopgezet, omdat de omstandigheid dat appellante meende wegens gebrek aan financiële middelen niet naar Nederland te kunnen terugkeren, ten volle voor haar risico kwam. Nu zij, hoewel zij die omstandigheden kende, in december 1999 toch weer naar Sint Maarten was afgereisd, had zij het onmogelijk gemaakt het voorgestelde specialistisch onderzoek te plannen. Zij was er daardoor de oorzaak van dat een arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de Arbo-dienst aangewezen arts niet heeft kunnen plaatsvinden, wat ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR leidt tot verval van de aanspraak op doorbetaling van bezoldiging.

7.6. Appellante heeft zich vanaf 25 mei 2000 weer arbeidsgeschikt gemeld.

7.7. Bij besluit van 24 augustus 2000 (hierna: besluit II) zijn de bezwaren tegen de weigering van het voorschot en tegen het stopzetten van de doorbetaling van de bezoldiging ongegrond verklaard.

De aangevallen uitspraak

8. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen besluit I, voorzover bestreden, ongegrond verklaard. Het beroep tegen besluit II, dat was beperkt tot het stopzetten van de doorbetaling van de bezoldiging, is in zoverre gegrond verklaard en besluit II is in zoverre vernietigd. De rechtbank heeft gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen en heeft voorts bepalingen inzake vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in dat geding gegeven.

Appellantes hoger beroep (nr. 01/2682 AW; rechtbank nr. AWB 00/4406 AW)

9. Appellante vecht de aangevallen uitspraak aan voorzover die uitspraak op besluit I betrekking heeft.

9.1. Voor het oordeel over de in 9.3. tot en met 9.12. te behandelen onderdelen van besluit I is bepalend welke invloed het buitengewoon verlof op appellantes rechtspositie als ambtenaar van de Nederlandse belastingdienst had.

9.1.1. Appellante huldigt het standpunt dat gedaagde tijdens dat verlof rechtspositioneel in alle opzichten voor haar verantwoordelijk is gebleven. Gedaagde stelt daar tegenover dat appellantes rechtspositie als ambtenaar van de Nederlandse belastingdienst als gevolg van het buitengewoon verlof was bevroren. Hij betoogt dat de uitgezondene voor de duur van de uitzending een dienstverband met de autoriteiten in Suriname of op de Nederlandse Antillen of Aruba aangaat. Appellante stelt dat met die autoriteiten nimmer een dienstverband tot stand is gekomen.

9.1.2. De Raad overweegt dat appellantes rechtspositie als ambtenaar van de Nederlandse belastingdienst als gevolg van het buitengewoon verlof aanmerkelijk is beperkt. Zij was tijdens het verlof niet gehouden werkzaamheden in opdracht van gedaagde te verrichten. De inhoud en inrichting van haar werkzaamheden voor de autoriteiten in Suriname en op Sint Maarten werden niet door gedaagde maar door die autoriteiten bepaald. Daaraan doet niet af dat appellante door gedaagde was uitgezonden. Immers ingevolge Regeling I en Regeling II is het uitgangspunt bij het uitzenden dat de uitgezondene een dienstverband met de autoriteiten in Suriname of op de Nederlandse Antillen of Aruba aangaat. Tijdens het buitengewoon verlof heeft appellante ingevolge Regeling I en II wel haar bezoldiging als ambtenaar van de Nederlandse belastingdienst behouden en bovendien uit hoofde van haar uitzending aanspraak op een aantal aanvullende financiële faciliteiten jegens gedaagde verkregen.

9.1.3. Die aanvullende financiële faciliteiten bestonden met betrekking tot de uitzending naar Sint Maarten uit (i) de in artikel 3 van Regeling II geregelde buitenlandtoelage, (ii) een woninghuurtoelage en (iii) een aantal in het Voorlichtingsboek Nederlandse Antillen en Aruba (hierna: Voorlichtingsboek) vermelde faciliteiten ten behoeve van de overbrenging van personen en goederen bij de aanvang en het einde van de uitzending. Het Voorlichtingsboek vermeldt ook financiële faciliteiten die de Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse autoriteiten ter zake van die overbrenging verlenen; sommige worden, als het dienstverband van de uitgezondene met de Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse autoriteiten korter dan drie jaar duurt, naar evenredigheid verleend.

9.2. Gelet op de in 9.1.2. en 9.1.3. weergegeven aard van appellantes rechtspositie jegens gedaagde overweegt de Raad met betrekking tot de onderdelen van besluit I die partijen verdeeld houden, als volgt.

9.3. De Raad is van oordeel dat gedaagde op goede gronden heeft kunnen weigeren het appellante op 9 maart 1998 op Sint Maarten overkomen ongeval (in de relatie tussen hem en appellante) als dienstongeval aan te merken, nu dat ongeval niet heeft plaatsgevonden in de uitoefening van in opdracht van gedaagde verrichte werkzaamheden.

9.4. Reeds omdat appellante op Sint Maarten niet in verband met werkzaamheden voor gedaagde verbleef, acht de Raad voorts gedaagde noch krachtens het door appellante ingeroepen artikel 69 van het ARAR noch krachtens enig ander voorschrift gehouden de schade te vergoeden die appellante stelt door de orkaan George te hebben geleden. Appellantes beroep op het gelijkheidsbeginsel, gestoeld op de stelling dat vanuit Nederland in soortgelijke gevallen aan anderen de schade ten gevolge van die orkaan wel is vergoed, faalt reeds nu dat door andere bestuursorganen dan gedaagde is geschied.

9.5. Gedaagde heeft terecht het standpunt ingenomen dat appellante, nu zij tijdens het buitengewoon verlof geen werkzaamheden in het dienstverband met gedaagde verrichtte, tijdens dat verlof geen aanspraken op (uitbetaling wegens niet opgenomen) vakantiedagen jegens gedaagde heeft kunnen opbouwen. Gedaagdes weigering de 41 vakantiedagen uit te betalen die appellante in de uitzendperiode van 16 september 1997 tot 11 maart 1999 had opgebouwd, houdt dan ook stand.

9.6. Gedaagde heeft over de 40 niet opgenomen vakantiedagen bedoeld in 5.2. die hij wel heeft uitbetaald, het laatstgenoten salaris uitbetaald. Hij heeft terzake geen buitenlandtoelage of woninghuurtoelage willen uitbetalen. Ook dat onderdeel van besluit I houdt stand en wel op de in 9.6.1. aangegeven gronden.

9.6.1. Inzake de zeven buiten de uitzendperioden opgebouwde vakantiedagen kon gedaagde volstaan met uitbetaling op basis van het salaris, omdat artikel 24 van het ARAR alleen daarop aanspraak geeft. Niet valt in te zien op welke grond gedaagde tevens de buitenlandtoelage en de woninghuurtoelage had moeten uitbetalen, in aanmerking genomen dat de ADV-compensatietoeslag een vergoeding is voor het ontbreken van ADV-uren in de tijdens de uitzendperiode vervulde werkkring en het andere deel van de buitenlandtoelage, evenals de woninghuurtoelage, bedoeld is voor extra kosten van levensonderhoud tijdens de uitzending.

9.6.2. Nu appellante met toepassing van Regeling I over haar gehele verblijfsperiode in Suriname (tot 20 augustus 1997) reeds de ADV-compensatietoeslag en de voor de extra kosten van levensonderhoud aldaar bestemde vaste maandelijkse uitzendtoelage was toegekend, valt niet in te zien waarom gedaagde over de 33 tijdens die uitzendperiode opgebouwde vakantiedagen die zij wegens de versnelde terugkeer naar Nederland niet had opgenomen, naast het salaris dat gedaagde onverplicht besloten heeft uit te betalen, tevens de, immers voor het verblijf in Suriname of op Sint Maarten bestemde, toelagen zou moeten uitbetalen.

9.7. Daarentegen houdt besluit I geen stand voorzover daarbij de weigering is gehandhaafd over de 41 niet opgenomen vakantiedagen die appellante tijdens haar uitzending naar Sint Maarten had opgebouwd, de woninghuurtoelage uit te betalen. Artikel 1, tweede lid, van Regeling II bepaalt dat de duur van het verblijf mede niet opgenomen vakantiedagen omvat die betrokkene tijdens de uitzendperiode heeft opgebouwd. Hoewel Regeling II geen betrekking heeft op woninghuurtoelagen, is het doel van de voor de duur van het verblijf in het kader van de technische bijstand verleende woninghuurtoelage zozeer verwant aan de wel onder Regeling II vallende buitenlandtoelage, dat het in de rede ligt voor de duur van de woninghuurtoelage bij Regeling II aansluiting te zoeken en gedaagde derhalve gehouden te achten die toelage ook over bedoelde 41 dagen uit te betalen.

9.8. Inzake de bij besluit I gehandhaafde afwijzing van haar verzoek van 11 mei 1999 alle kosten van repatriëring vanuit Sint Maarten naar Nederland bij wijze van voorfinanciëring ten volle vooraf aan haar te vergoeden, betoogt appellante dat gedaagde tot die voorfinanciering gehouden was om daadwerkelijke repatriëring van haar en haar gezin naar Nederland mogelijk te maken.

9.8.1. De Raad kan appellante hierin niet volgen. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de repatriëring en voor de met het oog daarop te verrichten betalingen berustte niet bij gedaagde, maar bij appellante zelf. In het Voorlichtingsboek wordt er ook uitgebreid voor gewaarschuwd dat op de Nederlandse Antillen gemakkelijk schulden kunnen ontstaan, dat bij terugkeer alle rekeningen betaald moeten zijn en dat de uitgezondene ervoor moet zorgen dat hij met het oog op de terugkeer over financiële reserves beschikt. Bovendien heeft gedaagde appellante in november 1998 en begin december 1998 gewaarschuwd dat haar uitzending medio maart 1999 zou worden beëindigd en dat zij tijdig maatregelen moest treffen om te repatriëren. Appellante heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de periode tot medio maart 1999 hiervoor te kort was. Dat zij heeft gewacht in de hoop dat haar uitzendperiode nog tot 1 september 1999 zou worden verlengd, berust op een persoonlijke keuze en kan niet aan gedaagde worden verweten. De Raad kan dan ook niet tot het oordeel komen dat gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren appellante voor haar repatriëringskosten verdergaande voorschotten te verstrekken dan hij heeft gedaan.

9.9. Ook de weigering appellante vanaf 22 april 1999 tot het ontslag per 9 mei 1999 naast de bezoldiging tevens de in Regeling II voorziene toelagen en de woninghuurtoelage door te betalen, houdt stand. De buitenlandtoelage en de woninghuurtoelage zijn bedoeld voor de duur van het verblijf in het kader van de technische bijstand. Die duur was gelet op 5.3. en 9.7. op 22 april 1999 verstreken - in aanmerking genomen dat bedoeld verblijf ingevolge artikel 3 van Regeling II mede de 41 vakantiedagen omvatte die appellante uit hoofde van haar werkzaamheden op Sint Maarten had opgebouwd -, zodat Regeling II geen grondslag bood om de toelagen langer door te betalen. Appellante werd geacht uiterlijk op 22 april 1999 met haar gezin naar Nederland te zijn gerepatrieerd. De Raad kan, gelet op het in 9.8.1. overwogene, appellante niet volgen in haar zienswijze dat het aan gedaagde te wijten is dat zij met haar gezin niet tijdig is gerepatrieerd. Appellantes geval was dan ook niet zo bijzonder dat er voor gedaagde een rechtsplicht bestond de toelagen langer te betalen dan voortvloeit uit de in Regeling II vervatte beleidsregels onderscheidenlijk uit het besluit tot toekenning van de woninghuurtoelage.

9.10. Op grond van dezelfde overwegingen is de Raad van oordeel dat ook gedaagdes weigering appellante tijdens de duur van haar arbeidsongeschiktheid vanaf 1 juni 1999 naast de bezoldiging ook de buitenlandtoelage en de woninghuurtoelage door te betalen, standhoudt.

9.11. Appellante stelt in hoger beroep tenslotte nog dat haar bezwaar, voorzover dat is gericht tegen gedaagdes aankondiging op 6 juli 1999 dat zij de reiskosten voor het arbeidsgeneeskundig onderzoek in Nederland zelf zou moeten betalen, bij besluit I ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Nu het beroep niet tegen dit deel van besluit I was gericht, kan deze kwestie evenwel niet alsnog in hoger beroep aan de orde worden gesteld.

9.12. Dit leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd voorzover deze op het in 9.7. bedoelde onderdeel van besluit I betrekking heeft. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak, voorzover door appellante aangevochten, bevestigd.

Gedaagdes hoger beroep (nr. 01/2853 AW; rechtbank nr. AWB 00/11197 AW)

10. Gedaagde vecht de aangevallen uitspraak aan voorzover deze betrekking heeft op de bij besluit II gehandhaafde stopzetting per 11 maart 2000 van de doorbetaling van de bezoldiging van appellante tijdens haar arbeidsongeschiktheid. Dit deel van besluit II berust op het uitgangspunt dat appellante niet binnen de bij brief van 17 december 1997 gestelde termijn van twee weken voor een nader arbeidsgezondheidskundig onderzoek naar Nederland is teruggekeerd, en dat de omstandigheden die appellante belet zouden hebben terug te keren, volledig voor haar rekening komen.

10.1. De rechtbank is van oordeel dat, nu gedaagde heeft nagelaten appellante voor het nadere onderzoek op te roepen, niet met zekerheid is vast te stellen dat appellante er de oorzaak van is dat dit onderzoek niet heeft kunnen plaatshebben. Het vermoeden dat appellante als zij zou worden opgeroepen toch niet zou verschijnen, acht de rechtbank onvoldoende om appellante artikel 43, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR tegen te werpen.

10.2. Gedaagde betoogt in hoger beroep dat hij er, gelet op de omstandigheid dat appellante had laten weten niet naar Nederland te kunnen terugkeren indien hij niet nog eens ruim hfl. 55.000,- naar haar zou overmaken, van mocht uitgaan dat appellante ook als zij zou worden opgeroepen niet naar Nederland zou terugkeren. Appellante heeft aldus de planning van het nadere onderzoek bij voorbaat getorpedeerd.

10.3. De Raad kan gedaagde hierin niet volgen. Appellantes verzoek om betaling van bedoeld bedrag zag op haar repatriëring. Dat zij niet bereid zou zijn geweest om, indien zij voor het beoogde onderzoek zou worden opgeroepen, in afwachting van haar repatriëring tijdelijk terug te keren, stond - mede gelet op haar eerdere tussentijdse bezoeken, waaronder bezoeken aan de bedrijfsarts - niet vast. Derhalve wordt de aangevallen uitspraak, voorzover door gedaagde aangevochten, bevestigd.

Slotslom, schadevergoeding en proceskosten

11. Al het vorenoverwogene leidt tot de volgende slotsom. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voorzover deze betrekking heeft op het in 9.7. bedoelde onderdeel van besluit I. Het beroep tegen dat onderdeel van besluit I wordt alsnog gegrond verklaard en dat onderdeel van besluit I wordt vernietigd. Gedaagde moet met inachtneming van de uitspraak van de Raad in zoverre een nieuw besluit op bezwaar nemen. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

11.1. Naar aanleiding van het ter zitting gedane verzoek om schadevergoeding overweegt de Raad dat appellante aanspraak kan maken op betaling van wettelijke rente over het ingevolge het in 11. bedoelde nieuwe besluit na te betalen bedrag. Bij het nieuwe besluit moet gedaagde ook dit aan wettelijke rente te betalen bedrag vaststellen.

11.2. In het hierboven overwogene vindt de Raad aanleiding gedaagde te veroordelen in de hierna te vermelden proceskosten van appellante. Nu de rechtbank gedaagde reeds heeft veroordeeld in appellantes proceskosten in het geding onder nr. AWB 00/11197 AW tot een bedrag van in totaal ¦ 1.420,-, veroordeelt de Raad gedaagde daarenboven in appellantes proceskosten in eerste aanleg in het geding onder nr. AWB 00/4406 AW tot een bedrag van € 322,- wegens rechtsbijstand. De Raad veroordeelt gedaagde voorts in appellantes proceskosten in de beide hoger beroepen tot een bedrag van in totaal € 966,- wegens rechtsbijstand en tot een bedrag van in totaal € 839,29 wegens reiskosten (vliegreis US$ 707,60, openbaar vervoer € 11,40). Het totaalbedrag van nog door gedaagde aan appellante te vergoeden proceskosten bedraagt derhalve € 2.127,29.

12. De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op het in 9.7. bedoelde onderdeel van besluit I;

Verklaart het beroep tegen dat onderdeel van besluit I gegrond en vernietigt dat onderdeel van besluit I;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat gedaagde in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 2.127,29, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar in eerste aanleg in het geding onder nr. AWB 00/4406 AW betaalde griffierecht van € 102,10 (was ¦ 225,-) vergoedt en aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 154,29 (was ¦340,-) vergoedt;

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden in het geding onder nr. 01/2853 AW een griffierecht van € 348,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2003.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.J.W. Loots.

Q