Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AJ9997

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2003
Datum publicatie
16-09-2003
Zaaknummer
01/1471 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dient de maatvrouw te worden berekend op grond van de voor de ontstane arbeidsongeschiktheid uitgevoerde functie van fulltime werkende vestigingsmanager of op grond van de in het kader van het reïntegratieplan gewerkte 24 uur per week als intercedente?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/289
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1471 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 1 mei 2000 heeft gedaagde appellante in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) (bestreden besluit).

De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 24 januari 2001 het beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft op in het beroepschrift - met bijlagen - vermelde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 juni 2003, waar appellante - zoals aangekondigd - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.M. van Bezu, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellante, geboren in 1958, is, toen zij werkzaam was als vestigingsmanager van een uitzendbureau gedurende 40,5 uur per week, voor deze arbeid in maart 1993 uitgevallen wegens onder meer rugklachten. Aan haar zijn per 8 maart 1994 uitkeringen toegekend ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de WAO naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100%.

Deze uitkeringen zijn ingetrokken per 1 juli 1994, omdat per die datum niet langer sprake was van arbeidsongeschiktheid.

Appellante is per 1 oktober 1994 bij het uitzendbureau gaan werken als intercedente gedurende 24 uur per week. Zij heeft zich op 3 februari 1998 voor deze arbeid ziek gemeld wegens rugklachten.

De verzekeringsarts W.M. Koek heeft met het oog op de beoordeling van de aanspraak op een WAO-uitkering appellante op 2 december 1998 onderzocht. In het rapport van 24 december 1998 vermeldt de verzekeringsarts dat appellante vooralsnog in staat kan worden geacht gedurende halve dagen haar eigen werk te verrichten. Verbetering van de belastbaarheid is te verwachten. De verzekeringsarts acht het evenwel niet onmogelijk dat niet veel verbetering zal optreden en dat uitgegaan zal moeten worden van maximaal 20 uur arbeid per week verdeeld over vijf dagen.

De verzekeringsarts stelt dat in april 1999 een medische herbeoordeling zal moeten plaatsvinden. Geconcludeerd wordt dat appellante arbeidsongeschikt is geworden ten gevolge van dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid in 1993/1994 is voortgevloeid.

De arbeidsdeskundige J. van den Akker heeft blijkens zijn rapport van 18 maart 1999 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vanaf 3 maart 1998 - het einde van de wachttijd - berekend. Als maatvrouw is daarbij aangemerkt de intercedente met een arbeidsweek van 24 uur per week.

Appellante was bezig onder medische begeleiding haar eigen werk volgens een stappenplan te hervatten. Dit stappenplan liep van 1 maart 1999 (15 uur per week) tot 3 mei 1999 (24 uur per week). De arbeidsdeskundige heeft op grond van deze gegevens de restverdiencapaciteit van appellante bepaald aan de hand van het afnemende loonverlies in de eigen functie. Vergelijking van het maatvrouwinkomen met het afnemende loonverlies leidde tot een afnemende mate van arbeidsongeschiktheid.

Bij brief van 18 maart 1999 heeft de arbeidsdeskundige aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 3 maart 1998 voor 80-100% arbeidsongeschikt was; met ingang van 1 mei 1998 voor 45-55%; met ingang van 1 maart 1999 voor 35-45%; met ingang van 8 maart 1999 voor 25-35%; met ingang van 29 maart 1999 voor 15-25% en met ingang van 5 april voor minder dan 15%.

Blijkens een rapport van de arbeidsdeskundige van 28 april 1999 heeft hij op 27 april 1999 een telefoongesprek met appellante gevoerd. Appellante heeft meegedeeld dat zij het stappenplan niet volledig kan uitvoeren. Als laatste stap is zij per 5 april 1999 gedurende 21 uur per week gaan werken. De arbeidsdeskundige concludeert dat bij 21 uur werken in de eigen functie het loonverlies 12,5 % is en dus minder dan 15%. De eerdere conclusie dat appellante per 5 april 1999 minder dan 15% arbeidsongeschikt is, blijft daarom gehandhaafd.

Bij besluit van 1 december 1999 (besluit 1) heeft gedaagde aan appellante meegedeeld dat haar mate van arbeidsongeschiktheid per 3 maart 1998 is vastgesteld op 80-100%. De WAO-uitkering berust ingevolge artikel 43b WAO op een dagloon dat is afgeleid van het dagloon dat in aanmerking is genomen voor de berekening van de van 8 maart 1994 tot 1 juli 1994 toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Bij besluit van 2 december 1999 (besluit 2) is overeenkomstig de brief van de arbeidsdeskundige van 18 maart 1999 de uitkering stapsgewijs verlaagd tot de klasse 15-25% per 29 maart 1999.

Bij besluit van 3 december 1999 (besluit 3) is meegedeeld dat de WAO-uitkering per 5 april 1999 wordt ingetrokken, omdat appellante op die datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt beschouwd.

Appellante voert in haar bezwaarschrift tegen deze besluiten aan dat op grond van de wettelijke bepalingen haar maatvrouwloon ten onrechte is gesteld op het loon dat zij verdient als intercedente gedurende 24 uur per week. Het maatvrouwloon moet worden gesteld op het hogere loon dat zij in 1994 verdiende als fulltime werkende vestigingsmanager.

Appellante deelt voorts mee dat op 26 april 1999 haar belastbaarheid in de eigen functie is beoordeeld door de bedrijfsarts E.J. Teuben. Deze bedrijfsarts heeft blijkens een bij het bezwaarschrift gevoegd rapport van 26 april 1999 geoordeeld dat appellante maximaal belastbaar is voor 20 uur arbeid per week. Uitbreiding van deze uren lijkt niet haalbaar. Appellante stelt dat zij deze medische gegevens tijdens het telefonisch onderhoud op 27 april 1999 heeft meegedeeld aan de arbeidsdeskundige J. van den Akker.

Appellante concludeert onder meer dat zij bij een maximale belastbaarheid van 20 uur per week ook per 5 april 1999 recht heeft op een WAO-uitkering.

Naar aanleiding van het bezwaar heeft de bezwaararbeidsdeskundige T.L.M. van der Hulst een rapport opgesteld d.d. 24 maart 2000. De bezwaararbeidsdeskundige concludeert dat appellante per 1 juli 1994 volledig arbeidsgeschikt is geacht voor haar werk als fulltime werkende vestigingsmanager.

De artikelen 43a e.v. van de WAO geven bij een arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak als een eerdere arbeidsongeschiktheid wel een dagloongarantie maar geen maatloongarantie. De maatgevende arbeid in verband met de in 1998 ingetreden arbeidsongeschiktheid is daarom de arbeid als intercedente gedurende 24 uur per week.

Beoordeling van de medische aspecten van het bezwaar door een bezwaarverzekeringsarts heeft niet plaatsgevonden.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen de besluiten 1 tot en met 3 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat als haar maatvrouw dient te worden aangemerkt de fulltime werkende vestigingsmanager en niet de 24 uur per week werkende intercedente.

Voorts stelt zij dat zij na het gesprek met de bedrijfsarts op 26 april 1999 in overleg met haar werkgeefster per 29 april 1999

- overeenkomstig de door de bedrijfsarts vastgestelde maximale belastbaarheid - 20 uur per week is gaan werken. Deze arbeidstijd van 20 uur per week is contractueel ingegaan per 1 juli 1999.

De Raad stelt vast dat in de artikelen 43a e.v. van de WAO geen specifieke regeling is opgenomen voor de vaststelling van de maatman en het maatmaninkomen, welke gewoonlijk worden bepaald krachtens artikel 18, eerste lid, van de WAO. Hetgeen appellante blijkens haar hoger beroep met betrekking tot de vaststelling van de maatman en het maatmaninkomen voorstaat in het geval dat artikel 43a van de WAO toepassing heeft gevonden, is derhalve bij de huidige stand van de regelgeving niet mogelijk. De Raad merkt op dat de door appellante aangehaalde Tica-mededeling niet kan afdoen en, gezien haar bewoordingen, ook in feite niet afdoet aan hetgeen krachtens de WAO voor de vaststelling van de maatman geldt.

De Raad is voorts van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar besluit om per 1 oktober 1994 de deeltijdfunctie van intercedente te aanvaarden, op medische gronden is gebaseerd. De Raad sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank.

Gedaagde heeft, gelet op het bovenstaande, terecht in verband met het bestreden besluit als maatvrouwinkomen aangemerkt het inkomen dat appellante als intercedente, werkzaam gedurende 24 uur per week, verdiende.

De Raad is van oordeel dat besluit 3 - waarbij de WAO-uitkering per 5 april 1999 is ingetrokken - onzorgvuldig is voorbereid. Dit besluit is gebaseerd op het feitelijke gegeven dat appellante op 5 april 1999 werkzaam was gedurende 21 uur per week.

Appellante heeft echter nadat de bedrijfsarts op 26 april 1999 heeft geconcludeerd dat appellante maximaal gedurende 20 uur per week belastbaar is, op 27 april kennelijk deze conclusie aan de arbeidsdeskundige Van den Akker meegedeeld. De conclusie van de bedrijfsarts ligt in de lijn van de beschouwing van de verzekeringsarts Koek d.d. 24 december 1998 over de toekomstige belastbaarheid van appellante. De verzekeringsarts heeft ook aangegeven dat in april 1999 een medische herbeoordeling moet plaatsvinden. Desalniettemin heeft in april 1999 de medische herbeoordeling van de belastbaarheid van appellante niet plaatsgevonden. Op grond van artikel 18 WAO is evenwel deze belastbaarheid en niet de tijdelijke feitelijke arbeidsprestatie van 5 april tot 29 april 1999 bepalend voor het antwoord op de vraag of appellante per 5 april 1999 mocht worden afgeschat op 21 uur arbeid per week.

Bij de behandeling van het bezwaar tegen besluit 3 heeft in strijd met het ten tijde in geding van toepassing zijnde artikel 11 van het Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 1998 evenmin een beoordeling van de medische aspecten plaatsgevonden. Daartoe was gelet op het standpunt van de verzekeringsarts Koek en de bedrijfsarts alle aanleiding.

De Raad concludeert daarom dat besluit 3 in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig is voorbereid. Hetzelfde geldt voor het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op besluit 3. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak dienen daarom in zoverre te worden vernietigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van gedaagde in proceskosten van appellante, aangezien van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, in zoverre daarbij het beroep tegen het bestreden besluit - voor zover betrekking hebbend op besluit 3 - ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit in zoverre gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit 3 ongegrond is verklaard;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het griffierecht in verband met het beroep en het hoger beroep, in totaal € 104,37, vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2003.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.