Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AJ6839

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2003
Datum publicatie
12-09-2003
Zaaknummer
01/5542 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht geweigerd om het dienstverband met appellant, werkzaam in tijdelijke dienst als beheerder bij een jongerencentrumbeheerder in enigerlei vorm voort te zetten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/5542 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 september 2001, nr. AWB 00/3883, waarnaar hierbij wordt verwezen. Nadien zijn nog nadere stukken ingediend.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 juli 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. K. de Meij, advocaat te Eindhoven. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.M.B. Maes, advocaat te 's-Hertogenbosch en J. Hendriks en C. van de Velde, beiden werkzaam bij de gemeente Helmond.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was aanvankelijk vanaf maart 1998 in een zogeheten Melkert-baan werkzaam in dienst van de Stichting [naam Stichting] als assistent-beheerder bij het jongerencentrum [naam jongerencentrum]. Gedaagde heeft hem vervolgens voor de periode van 1 oktober 1998 tot 1 januari 2000 aangesteld in tijdelijke dienst als beheerder bij dat jongerencentrum, dat vanaf juli 1998 tijdelijk ressorteerde onder de sector Kunst en Cultuur van de Bestuursdienst van de gemeente [gemeentenaam]. De aanstelling door gedaagde geschiedde ter vervulling van een betrekking die bestaat uit werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard.

1.2. Bij brief van 21 december 1999 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat het tijdelijk dienstverband met appellant per 1 januari 2000 zou eindigen. Tegen de in die brief besloten liggende weigering om het dienstverband met appellant in enigerlei vorm voort te zetten is namens appellant bezwaar gemaakt. Bij het thans in geding zijnde besluit van 5 april 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 5 april 2000 namens appellant ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Namens appellant zijn in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, in hoofdzaak grieven naar voren gebracht met betrekking tot gedaagdes besluit tot aanstelling van appellant in tijdelijke dienst per 1 oktober 1998. Voort is aangevoerd dat het in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel dat de gronden voor het niet verlengen van het dienstverband bij de beslissing op bezwaar substantieel zijn aangevuld, dat het aan dit tijdelijk dienstverband voorafgaande dienstverband voor onbepaalde tijd van appellant bij de Stichting [naam Stichting] in de belangenafweging ten behoeve van het bestreden besluit een rol had moeten spelen, dat zijn uitkeringspositie is verslechterd en dat onvoldoende herplaatsingsinspanningen zijn verricht.

4.1. De Raad stelt voorop dat de onderhavige tijdelijke aanstelling werd verleend omdat gedaagde de exploitatie van het jongerencentrum [naam jongerencentrum] in verband met een exploitatie-tekort tijdelijk had overgenomen. Aangezien appellant indertijd met het tijdelijke karakter van de aanstelling heeft ingestemd, moet die tijdelijke aanstelling thans als een in rechte vaststaand gegeven worden beschouwd.

4.2. Volgens vaste jurisprudentie vloeit uit de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld voort dat het bestuursorgaan niet gehouden is die aanstelling na afloop van de gestelde termijn te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling, tenzij er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, dan wel het niet verlengen in strijd zou komen met enige regel van ongeschreven recht.

4.3. Het niet voortzetten van het dienstverband met appellant in enigerlei vorm is in de eerste plaats gebaseerd op het binnen korte tijd eindigen van de door appellant als beheerder uitgevoerde werkzaamheden, omdat vast stond dat [naam jongerencentrum] in de destijds gekozen beheersvorm niet kon worden gecontinueerd en zou opgaan in de muziekschool, zodat er een einde aan appellants functie zou komen. Deze grond voor de beëindiging van het dienstverband is van de zijde van appellant niet bestreden.

4.4. Bij het bestreden besluit is hiernaast tevens in aanmerking genomen dat er in de tweede helft van 1999 een arbeidsconflict manifest is geworden met zowel de directeur als de andere medewerker van [naam jongerencentrum], als gevolg waarvan appellant al sinds augustus 1999 situatief arbeidsongeschikt was en voorts dat inmiddels was gebleken dat appellant in strijd met instructies van zijn directeur had gehandeld bij de verhuur van ruimte in het gebouw [naam jongerencentrum] aan derden en het beheer van financiële middelen. Evenmin als de rechtbank acht de Raad deze aanvulling van de motivering in het onderhavige geval in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, nu gedaagde daarbij niet in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld en appellant tijdens de bezwaarschriftprocedure voldoende mogelijkheden heeft gehad om zich ook ten aanzien van zijn rol in het arbeidsconflict en zijn wijze van handelen ten aanzien van de verhuur van ruimte te kunnen verweren, aangezien hij er nog vóór de hoorzitting uitdrukkelijk op is geattendeerd dat beide aangelegenheden bij de beslissing op bezwaar zouden (kunnen) worden betrokken.

4.5. De Raad acht het bestreden besluit ook overigens in rechte houdbaar. Reeds omdat er binnen korte tijd een einde aan appellants functie zou komen waarin hij tijdelijk voor bepaalde tijd was aangesteld, was gedaagde niet gehouden de aanstelling van appellant op enigerlei wijze voort te zetten. Dat appellant vóór de onderhavige aanstelling tijdens zijn dienstverband bij de Stichting [naam Stichting] over een sterkere rechtspositie beschikte, maakt dit niet anders. Voorts overweegt de Raad dat er geen in een rechtspositioneel voorschrift vervatte verplichting bestond voor gedaagde om pogingen te ondernemen om appellant te herplaatsen en dat het zorgvuldigheidsbeginsel, gelet op hetgeen daaromtrent door gedaagde in de beslissing op bezwaar alsnog naar aanleiding van de stellingen van appellant is uiteengezet, dit in het onderhavige geval evenmin meebracht. Ook de uitkeringspositie van appellant, die rechtstreeks voortvloeide uit een beëindiging van een tijdelijk dienstverband als het onderhavige, kan niet tot het oordeel leiden dat het bestreden besluit geen stand kan houden.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb. Derhalve wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2003.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.J.W. Loots.