Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AJ6838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2003
Datum publicatie
12-09-2003
Zaaknummer
01/4865 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is betrokkene, die vanwege het plegen van ontuchtige handelingen door strafrechter is veroordeeld, terecht ontslag verleend op grond van "andere met name genoemde en aan de betrokkene schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard"?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/4865 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 juli 2001, nr. AWB 00/10614 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en schriftelijk gereageerd op een door de Raad gestelde vraag.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 juni 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Gilsing, advocaat te 's-Gravenhage. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. van Dam en mr. M.J. van Balen, beiden werkzaam bij de gemeente 's-Gravenhage.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.

1.1. Appellant, geboren in 1948, was sedert 1972 leraar bij het openbaar speciaal onderwijs. Op 21 september 1999 heeft hij een 11-jarige leerling meegenomen naar een scoutingterrein, waar zij samen de nacht hebben doorgebracht. Appellant heeft toen ontuchtige handelingen met deze jongen gepleegd, waarvoor hij door de strafrechter onherroepelijk is veroordeeld tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

1.2. Bij besluit van 1 februari 2000, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 8 augustus 2000, heeft gedaagde appellant met toepassing van artikel II-D3, tweede lid, aanhef en onder f, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo) met ingang van 1 februari 2000 ontslag verleend op grond van "andere met name genoemde en aan de betrokkene schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard".

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2. In hoger beroep heeft appellant opnieuw uiteengezet dat hij, zoals blijkt uit het rapport van een in de strafzaak ingesteld psychologisch onderzoek naar zijn geestvermogens, niet homosexueel is en ook geen pedofiel. Hij begrijpt dat het verstandig is met meisjes voorzichtig om te gaan, maar ten aanzien van jongens begrijpt hij dat niet. Hij is in dat opzicht argeloos en voorziet geen problemen of beschuldigingen. Appellant heeft verder aangevoerd dat de leerling in kwestie afkomstig is uit een probleemgezin en dat de beschuldigingen door de moeder worden gebruikt om aandacht te krijgen. De gedragingen die appellant heeft toegegeven rechtvaardigen zijns inziens overplaatsing naar het volwassenenonderwijs, maar geen ontslag.

2.1. De Raad onderschrijft in hoofdzaak hetgeen de rechtbank ter weerlegging van dit betoog heeft overwogen. Ook indien uitsluitend wordt gekeken naar de handelingen die appellant heeft toegegeven, zoals gedaagde bij het bestreden besluit heeft gedaan, moet worden vastgesteld dat hij met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige is omgegaan op een wijze die naar de heersende maatschappelijke opvattingen volstrekt ontoelaatbaar is. Zeker als ervaren leerkracht behoorde appellant dit te beseffen en had hij, ongeacht zijn persoonlijke beleving van het gebeurde, moeten voorzien wat hij met zijn handelingen bij de jongen, diens ouder(s) en de schoolgemeenschap teweeg zou brengen. Voor het oordeel dat hij daartoe niet in staat was, dan wel dat het gebeurde hem anderszins niet kan worden aangerekend, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden. In het psychologisch rapport wordt weliswaar gesproken van een onderontwikkelde seksualiteit, maar de conclusie van het rapport luidt dat appellant wat betreft de door hem erkende gebeurtenissen als volledig toerekeningsvatbaar is aan te merken.

2.2. Met zijn handelen heeft appellant de grenzen van hetgeen een goed ambtenaar behoort te doen en na te laten in zeer ernstige mate overschreden. Mede gezien de aard van deze overschrijding kon gedaagde redelijkerwijs tot het oordeel komen dat sprake is van een dusdanige vertrouwensbreuk dat voortzetting van de dienstbetrekking niet langer kon worden gevergd.

2.3. Al aangenomen dat onder deze omstandigheden een overplaatsing van appellant naar het volwassenenonderwijs nog aan de orde zou kunnen zijn, moet ervan worden uitgegaan dat binnen het gezagsbereik van gedaagde geen volwassenenonderwijs in de door appellant bedoelde zin wordt gegeven. Eerst ter zitting van de Raad heeft appellant gewezen op een in de telefoongids vermeld leer- en werkcentrum van de gemeente 's-Gravenhage. De Raad acht dit argument, mede gezien het late tijdstip waarop het is aangevoerd, door de gemachtigde van gedaagde voldoende weerlegd met diens stelling dat in dit centrum niet zozeer onderwijs wordt gegeven als wel een kortdurende voorbereiding op herintreding in het arbeidsproces.

2.4. Het vorenstaande brengt met zich dat gedaagde bevoegd was tot het verlenen van ontslag "op andere gronden" als bedoeld in artikel II-D3, eerste lid, aanhef en onder f, van het Rpbo. Dat gedaagde van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, is op zichzelf niet onevenredig te achten aan de aard en de ernst van de gedragingen waaraan appellant zich heeft schuldig gemaakt.

3. Het ontslag is evenwel verleend zonder daaraan enige aanspraak of garantie op een uitkering te verbinden. Daaromtrent overweegt de Raad als volgt.

3.1. Volgens vaste jurisprudentie brengt het beginsel van een behoorlijke belangenafweging met zich dat een ontslagverlening "op andere gronden", zoals hier aan de orde, in het algemeen gepaard dient te gaan met toekenning van een aanspraak (garantie) op een uitkering die tenminste gelijk dient te zijn aan het gebruikelijke wachtgeld of de gebruikelijke uitkering bij eervol, niet aan eigen schuld of toedoen van de betrokkene te wijten ontslag (zie onder meer CRvB 10 juli 1997, TAR 1997, 202).

3.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat gedaagde zowel een disciplinair ontslag als een ontslag wegens ongeschiktheid in overweging heeft genomen, doch uiteindelijk de keuze heeft laten vallen op een ontslag "op andere gronden". Als reden daarvoor heeft gedaagde aangegeven dat hij bij hantering van deze ontslaggrond niet behoefde te treden in de verwijtbaarheid van het gedrag van appellant. Wat er - mede in het licht van het hiervóór overwogene - verder zij van deze beweegreden, de Raad moet constateren dat gedaagde in dit opzicht een bewuste en weloverwogen keuze heeft gemaakt. Aan deze keuze en de rechtens daaruit voortvloeiende consequenties dient gedaagde te worden gehouden. De omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, brengt dit met zich dat gedaagde aan het ontslag (de garantie op) een ontslaguitkering ter hoogte van het wachtgeld bij eervol ontslag had behoren te verbinden. Nu gedaagde dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit in strijd met voormeld beginsel genomen en kan het in zoverre niet in stand blijven. Ook de aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

3.3. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan het ontslag alsnog (de garantie op) een ontslaguitkering als bedoeld in 3.2. verbinden. Aan het ter zitting gedane verzoek van de gemachtigde van gedaagde om met vernietiging van het bestreden besluit te volstaan en gedaagde opdracht te geven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, gaat de Raad voorbij. Dit verzoek is, naar ter zitting naar voren kwam, vooral ingegeven door de wens het ontslag alsnog op een andere ontslaggrond te kunnen baseren, welke handelwijze onder de gegeven omstandigheden evenwel een ontoelaatbare inbreuk op de rechtszekerheid van appellant zou betekenen.

4. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan appellant in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan appellant in hoger beroep verleende rechtsbijstand, alsmede tot een bedrag groot € 3,36 aan reiskosten in eerste aanleg en tot een bedrag groot € 18,06 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.309,42, te betalen aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep alsnog gegrond voorzover aan het ontslag geen uitkering is verbonden en vernietigt in zoverre het bestreden besluit van 8 augustus 2000;

Verklaart het bezwaar van appellant in zoverre alsnog gegrond;

Verbindt aan het ontslag alsnog een aanspraak op een uitkering gelijk aan de gebruikelijke ontslaguitkering bij eervol, niet aan eigen schuld of toedoen te wijten ontslag;

Bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

Verklaart het inleidende beroep voor het overige ongegrond;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.309,42, te betalen door de gemeente 's-Gravenhage aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente 's-Gravenhage aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 256,39 (voorheen f 565,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) L.N. Nijhuis.