Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AJ3217

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
30-09-2003
Zaaknummer
01/3013 AW, 01/3014 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mag aan medisch specialisten toestemming worden geweigerd voor het verrichten van nevenwerkzaamheden in een ander ziekenhuis?

Wetsverwijzingen
Grondwet 19
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/3013 AW en 01/3014 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (België), hierna: betrokkene,

en

de Raad van bestuur van het academisch ziekenhuis [Vestigingsplaats], hierna: het bestuursorgaan.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Partijen hebben op daartoe bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 april 2001, nr. AWB 00/ 1276 AW I GIF, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift ingediend.

Het bestuursorgaan heeft een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 28 mei 2003, waar betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.L.J.E. Koster, advocaat te Maastricht. Namens het bestuursorgaan is ter zitting verschenen mr. Ch.M.E.M. Paulussen, advocaat te Maastricht, bijgestaan door dr. A. Leijten, werkzaam bij het academisch ziekenhuis [naam ziekenhuis].

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, als vaststaande aangenomen, gegevens.

1.1. Betrokkene is sinds 1983 aangesteld in dienst van het [naam ziekenenhuis], een academisch ziekenhuis in de zin van artikel 1.4 van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek (Whw), als uroloog bij de afdeling Urologie, laatstelijk in de functie van chef de clinique. In 1988 heeft betrokkene van het bestuursorgaan toestemming gekregen om ongeveer een halve dag per week nevenwerkzaamheden te verrichten als uroloog in het [naam ziekenhuis] te[vestigingsplaats] België. In 1998 is een geschil ontstaan tussen betrokkene en aan aantal collega's in het [naam ziekenhuis] betreffende onder meer gestelde schending van afspraken over een correcte overdracht van de in het [naam ziekenhuis] gegenereerde inkomsten aan de Stichting Centrale Inning Academisch Ziekenhuis [naam ziekenhuis]. In verband daarmee heeft het bestuursorgaan de toestemming aan betrokkene voor het verrichten van de bedoelde nevenwerkzaamheden ingetrokken. Daartegen heeft betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend. Vervolgens heeft de Geschillencommissie SCIR bij bindend advies over dat geschil op 22 december 1999 geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat - onder meer - betrokkene de desbetreffende afspraken niet correct heeft uitgevoerd.

1.2. Na voorafgaande correspondentie waarin betrokkene het bestuursorgaan op de hoogte heeft gesteld van zijn wens nevenwerkzaamheden te gaan verrichten in het [naam ziekenhuis], heeft betrokkene op 12 april 2000 formeel verzocht om zijn werktijd met 20 procent terug te brengen. Het bestuursorgaan heeft bij besluit van 16 mei 2000 toestemming verleend voor vermindering van de werktijd met 20 procent. Bij dat besluit is betrokkene tevens toestemming geweigerd voor het verrichten van nevenwerkzaamheden als uroloog in het [naam ziekenhuis] te Lanaken.

1.3. Tegen dit besluit, voorzover betrekking hebbend op de weigering toestemming te verlenen voor het verrichten van de bedoelde nevenwerkzaamheden heeft betrokkene bezwaar gemaakt. In afwijking van het advies van de Bezwaarcommissie heeft het bestuursorgaan bij het bestreden besluit van 24 augustus 2000 dat bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad staat voor de vraag of de rechtbank in haar oordeel over het bestreden besluit gevolgd moet worden.

3.1. Met het onthouden aan betrokkene van toestemming voor het verrichten van de werkzaamheden in het [naam ziekenhuis] heeft het bestuursorgaan toepassing gegeven aan artikel 109.20, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit Academische Ziekenhuizen (RRAZ), in verbinding met het derde lid, aanhef en onder d, van die bepaling. Het RRAZ is een uitwerking van artikel 4.5, eerste lid van de Whw, op grond van welke bepaling een instellingsbestuur als het bestuursorgaan de rechtspositie van het personeel dient te regelen.

De leden 2 en 3 van artikel 109.20 van het RRAZ luidden ten tijde hier in geding en voorzover hier van belang als volgt:

(…)

2. Het is de academisch specialist niet toegestaan nevenbetrekkingen of nevenwerkzaamheden te aanvaarden, zonder dat de raad van bestuur daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend.

3. De raad van bestuur kan deze toestemming verlenen indien naar zijn oordeel sprake is van:

(…)

d. een verzoek van de academisch specialist met onvolledige werktijd, waarbij door het aanvaarden van de nevenbetrekkingen of nevenwerkzaamheden

- geen nadeel kan ontstaan voor het academisch ziekenhuis of voor het functioneren van de academisch specialist en

- de nevenbetrekking of nevenwerkzaamheden buiten werktijd worden verricht.

(…)

3.2. Betrokkene heeft in de eerste plaats betoogd dat deze artikelonderdelen in strijd zijn met artikel 19, derde lid, van de Grondwet (Grw), in welke bepaling het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

3.2.1. Deze stelling treft geen doel.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad - verwezen wordt naar 's Raads uitspraak van 23 juni 1994, in het geding AW 1993/267, TAR 1994, 179 - staat het beginsel van vrije arbeidskeuze er niet aan in de weg dat uit de gemaakte keuze voor een beroep beperkingen kunnen voortvloeien voor het daarnaast verrichten van andere werkzaamheden. Naar het oordeel van de Raad is artikel 109.20 van het RRAZ dan ook op zichzelf niet in strijd met artikel 19, derde lid, van de Grw.

3.2.2. Artikel 109.20 van het RRAZ verleent het bestuursorgaan door de in die bepaling neergelegde beoordelings- en beleidsvrijheid de ruimte om de mogelijkheid tot het verrichten van nevenwerkzaamheden aan een ambtenaar als betrokkene te ontzeggen. Namens het bestuursorgaan is verklaard dat de toepassing van die bepaling er in de praktijk toe leidt dat aan personeelsleden zoals betrokkene nimmer toestemming wordt verleend voor het verrichten van nevenwerkzaamheden in enig medisch werkverband, omdat er steeds van uit wordt gegaan dat alsdan nadeel voor het [naam ziekenhuis] of voor het functioneren van de academisch specialist kan ontstaan. Een uitzondering wordt slechts gemaakt voor het verrichten van dergelijke werkzaamheden in enkele ziekenhuizen waarmee het [naam ziekenhuis] een overeenkomst heeft gesloten waarbij ook het verrichten van die werkzaamheden is geregeld. Met het ziekenhuis te [vestigingsplaats] bestaat zo'n overeenkomst echter niet. Deze uitvoeringspraktijk wordt door het bestuursorgaan omschreven als "nee, tenzij". De Raad constateert dat door deze praktijk de mogelijkheid van een medicus als betrokkene om ook in een ander ziekenhuis, niet behorend tot de zeer kleine uitgezonderde groep waarmee de bedoelde overeenkomst is gesloten, medische werkzaamheden te verrichten, in wezen volledig wordt uitgesloten op grond van elk nadeel van welke aard dan ook. De Raad acht een dergelijke bevoegdheidsuitoefening echter slechts aanvaardbaar voorzover zij in concreto ertoe strekt te voorkomen dat, doordat betrokkene de uit de nevenbetrekking voortvloeiende werkzaamheden gaat verrichten, de goede vervulling van zijn functie als uroloog in het [naam ziekenhuis] of de goede functionering van het [naam ziekenhuis], voorzover deze in verband staat met die functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.

3.2.3. Toegepast op de hier in geding zijnde gronden waarop het bestuursorgaan de weigering betrokkene de gevraagde toestemming te verlenen heeft gebaseerd zal derhalve moeten worden bezien of het vervullen van de door betrokkene voorgenomen nevenwerkzaamheden zodanig nadeel oplevert dat daardoor de goede vervulling van zijn functie als uroloog in het [naam ziekenhuis] of de goede functionering van het [naam ziekenhuis], voorzover deze in verband staat met die functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. De Raad is van oordeel dat de door het bestuursorgaan aangevoerde gronden om toestemming te onthouden alle betrekking hebben op de collegiale verhoudingen binnen het [naam ziekenhuis] en de eventuele gevolgen van de nevenwerkzaamheden voor de beroepsuitoefening binnen de desbetreffende afdeling van het [naam ziekenhuis], zodat ten aanzien van die gronden op zichzelf niet staande gehouden kan worden dat zij niet in overeenstemming zijn met de zojuist vermelde voorwaarden waaraan het criterium "nadeel" moet voldoen.

3.3. Het bestuursorgaan heeft voorts, onder verwijzing naar de (eerdergenoemde) uitspraak van de Raad van 23 juni 1994, TAR 1994, 179, gesteld dat het niet nodig is dat vast staat dat de eigen functievervulling concrete schade lijdt of zal lijden, doch dat voldoende is dat schade door die nevenwerkzaamheden mogelijk is.

3.3.1. Daaromtrent overweegt de Raad dat de door het bestuursorgaan bedoelde jurisprudentie niet de strekking heeft dat, ook indien het ontstaan van nadeel in vorenbedoelde zin, als louter denkbeeldig moet worden beschouwd, toestemming voor het verlenen van nevenwerkzaamheden mag worden onthouden. De Raad is van oordeel dat het bestuursorgaan in het onderhavige geval het ontstaan van nadeel onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

3.3.2. Het door het bestuursorgaan voorziene nadeel bestaat volgens hem hierin dat door het toestaan van nevenwerkzaamheden opnieuw een ongewenste situatie ontstaat, die de herstructurering van de bezoldiging van medisch specialisten bij academische ziekenhuizen beoogt te voorkomen, namelijk het ten gevolge van het verrichten van nevenwerkzaamheden ontstaan van allerlei financieel ondoorzichtige constructies.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het onderhavige geval verschilt van de vroegere situatie omdat de voorgenomen nevenwerkzaamheden buiten werktijd zullen plaats vinden en omdat de daarvoor ontvangen verdiensten slechts aan betrokkene ten goede zullen komen en niet aan andere, in dienst van het bestuursorgaan werkzame, medisch specialisten.

3.3.3. De Raad kan het bestuursorgaan evenmin volgen in zijn oordeel dat het verrichten van nevenwerkzaamheden door betrokkene zal leiden tot verslechtering van collegiale verhoudingen als die welke aanleiding was voor het bindend advies van het bestuur van het SCIR. Ook te dien aanzien onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank wier standpunt is dat een belangrijke bron van conflicten, namelijk de verdeling van de extra inkomsten, de zogenoemde "SCIR-gelden", tussen de in de afdeling werkzame medisch specialisten, niet meer aan de orde kan zijn. Ook overigens kan de Raad weinig realiteitswaarde toekennen aan de vrees van het bestuursorgaan dat louter de afwezigheid van betrokkene in verband met de toestemming voor het verrichten van nevenwerkzaamheden tot collegiale spanningen aanleiding kan geven. In dit verband wijst de Raad erop dat betrokkene van het bestuursorgaan zonder meer toestemming heeft gekregen zijn arbeidstijd in het [naam ziekenhuis] terug te brengen.

3.3.4. Anders echter dan de rechtbank en met betrokkene is de Raad tenslotte van oordeel dat ook geen nadeel als vorenbedoeld geacht kan zijn gelegen in het gestelde gegeven dat betrokkenes collega's in het [naam ziekenhuis] in de omstandigheid kunnen komen te verkeren dat zij het door betrokkene verrichte medisch handelen in het [naam ziekenhuis], zoals het bestuursorgaan dat noemt, moeten wegen. Ter zitting heeft het bestuursorgaan toegelicht dat hiermee niets anders bedoeld is dan dat het [naam ziekenhuis] geconfronteerd kan worden met medische fouten die betrokkene zou kunnen maken, waarna de desbetreffende patiënt bij het [naam ziekenhuis] in behandeling zou kunnen komen terwijl deze ook dan geconfronteerd zou kunnen worden met betrokkene. Desgevraagd is namens het bestuursorgaan echter toegegeven dat er niet van uitgegaan wordt dat betrokkene, die zoals tussen partijen vaststaat een zeer goed vakman is, kunstfouten zal maken. Het bestuursorgaan acht zulks echter evenmin geheel uitgesloten. De Raad ziet in dit laatste evenwel een onvoldoende draagkrachtig argument om van nadeel in eerder vermelde zin te kunnen spreken. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat deze situatie niet verschilt van die waarin die collega's met zo'n fout, gemaakt bij werkzaamheden verricht in het [naam ziekenhuis] zelf, geconfronteerd worden. Ook in het vermelde rapport van Geschillencommissie SCIR vermag de Raad, anders dan het bestuursorgaan en klaarblijkelijk ook de rechtbank, niet een deugdelijk argument ontwaren ten gunste van het hier besproken standpunt van het bestuursorgaan.

3.4. De Raad komt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag berust en wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking.

3.5. Uit hetgeen de Raad hiervoor naar aanleiding van het hoger beroep van betrokkene heeft overwogen, volgt tevens dat het hoger beroep van het bestuursorgaan, dat gericht was tegen de verwerping door de rechtbank van enkele aan het bestreden besluit ten grondslag liggende overwegingen, niet kan slagen.

3.6. Gelet op hetgeen de Raad heeft overwogen moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Het inleidend beroep van betrokkene zal alsnog gegrond worden verklaard.

3.7. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het bestuursorgaan op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand. De Raad beslist derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 24 augustus 2000;

Bepaalt dat het bestuursorgaan een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen;

Veroordeelt het bestuursorgaan in de proceskosten van betrokkene in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het [naam ziekenhuis];

Bepaalt dat het [naam ziekenhuis] aan betrokkene het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 256,39 (voorheen f 565,-) vergoedt;

Bepaalt dat van het [naam ziekenhuis] een griffierecht van € 348,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van A. Heijink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A. Heijink.

Q