Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI5675

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2003
Datum publicatie
30-09-2003
Zaaknummer
02/1505 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

In 2001 wordt ontdekt dat een in 1985 toegekende tegemoetkoming voor sociaal vervoer nimmer is uitbetaald. Vervolgens wordt tegemoetkoming met terugwerkende kracht van 5 jaar nabetaald. Is voor het overige terecht een beroep op verjaring gedaan?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2003-06-12
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 21, geldigheid: 2003-06-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/1505 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 28 februari 2002, kenmerk JZ/U80/2002/0140, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met dit besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 mei 2003. Daar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot], terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiseres bij besluit van 22 maart 1985 van verweersters rechtsvoorganger, de Uitkeringsraad, erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Bij dat besluit is aan eiseres op grond van artikel 20 van de Wet een vergoeding toegekend van een aantal medische voorzieningen. De toen door eiseres ook, als medische voorziening, gevraagde vergoeding van de kosten, verbonden aan vervoer per eigen auto voor het onderhouden van sociale contacten werd afgewezen; wel echter werd aan eiseres op grond van artikel 21 van de Wet een tegemoetkoming verleend in de kosten van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten tot een bedrag van f 165,-- per maand, voorzover deze kosten niet op andere wijze worden gedekt.

Naar aanleiding van een in maart 2001 door eiseres nader ingediende aanvraag om vergoeding van de kosten van sociaal vervoer, is verweerster gebleken dat aan de in 1985 toegekende tegemoetkoming voor sociaal vervoer om onbekende redenen nimmer enige uitvoering is gegeven.

In verband hiermee heeft verweerster bij berekeningsbeschikking van 30 september 2001, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, voor een periode van 5 jaar voorafgaande aan 1 maart 2001 op dit punt alsnog uitvoering gegeven aan het besluit van 22 maart 1985 en aan eiseres een bedrag van f 8.733,64 nabetaald. Met een beroep op het beginsel dat vorderingen op de overheid na 5 jaar zijn verjaard heeft verweerster aan die uitvoering geen verdere terugwerkende kracht willen verlenen.

In bezwaar en beroep heeft eiseres het door verweerster gedane beroep op verjaring niet gerechtvaardigd geacht. Daartoe heeft eiseres enerzijds aangevoerd dat de fijne nuance

- weigering van vergoeding maar toekenning van een tegemoetkoming - in het besluit van 22 maart 1985 haar, mede door het ambtelijk taalgebruik, is ontgaan, en dat zij meende dat de voorziening geheel was afgewezen waardoor zij destijds bij verweerster geen verdere navraag heeft gedaan. Anderzijds is aangevoerd dat toch duidelijk sprake is van een fout van (de rechtsvoorganger van) verweerster die bij eenvoudige controle van de administratie dadelijk had kunnen vaststellen dat de tegemoetkoming niet werd uitbetaald.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Volgens inmiddels vaste rechtspraak van de Raad zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van 5 jaren niet meer in rechte afdwingbaar.

Hetgeen eiseres heeft aangevoerd acht de Raad weliswaar invoelbaar doch niet van dien aard dat verweerster zich in dit geval op grond van het beginsel van de rechtszekerheid niet in redelijkheid op verjaring heeft mogen beroepen. De Raad acht daartoe al doorslaggevend dat naar zijn oordeel eiseres bij normale oplettendheid had kunnen en moeten zien dat het besluit van 22 maart 1985 op het gebied van het sociaal vervoer óók een toekenning bevatte. Voorzover bij haar onduidelijkheid bestond omdat op dit gebied tevens - in andere termen - een weigering was opgenomen, had het op de weg van eiseres gelegen om hierover met de Uitkeringsraad contact op te nemen. De omstandigheid dat wellicht de Uitkeringsraad bij de uitvoering en controle ook fouten heeft gemaakt - door het verstrijken van de tijd is dit niet meer vast te stellen - doet daaraan geen afbreuk.

Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A. Kovács.

HD

14.05