Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI5664

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2003
Datum publicatie
30-09-2003
Zaaknummer
02/1398 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding bijverdiengrens. Is bij de vordering wegens meerinkomen terecht geen rekening gehouden met premies particuliere zieketekostenverzekering?

Wetsverwijzingen
Wet op de studiefinanciering 26
Wet op de studiefinanciering 26
Wet op de studiefinanciering 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2003, 217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/1398 WSF

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij uitspraak van 26 maart 2001 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch het beroep van appellant tegen het besluit van gedaagde van 12 december 2000, waarbij gedaagde het bezwaar van appellant tegen haar besluit van 23 oktober 2000 ongegrond heeft verklaard, gegrond verklaard, het besluit van 12 december 2000 vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van die uitspraak.

Daarop heeft gedaagde bij besluit van 22 juni 2001, hierna: het bestreden besluit, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 oktober 2000 gedeeltelijk gegrond verklaard en vastgesteld dat appellant in het jaar 1996 meerinkomen heeft gehad in verband waarmee hij een bedrag van € 819,71 (f 1.806,40) aan de Informatie Beheer Groep is verschuldigd. Hierbij is aangegeven dat de vordering is samengesteld uit € 311,37 (f 686,18) meerinkomen en € 508,33 (f 1.120,22) aan boete, alsmede dat over die vordering rente wordt berekend met ingang van 1 november 2000.

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 18 januari 2002 het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft op bij beroepschrift (met bijlage) van 26 februari 2002 aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen), gedateerd 5 april 2002, ingediend, waarop appellant bij schrijven (met bijlagen) van 20 april 2002 heeft gereageerd. Op haar beurt heeft gedaagde op laatstgenoemd schrijven gereageerd bij brief (met bijlagen) van 16 mei 2002.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 mei 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door H. Sprengers, als zijn raadsman, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. T. Holtrop, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep, als haar gemachtigde.

II. MOTIVERING

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het bestreden besluit niet in strijd is te achten met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Daartoe heeft zij, kort weergegeven, overwogen dat gedaagde bij de vaststelling van het toetsingsinkomen, als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Wet op de studiefinanciering, op goede gronden geen rekening heeft gehouden met de door appellant betaalde premies voor een particuliere ziektekostenverzekering en voorts dat het beleid van gedaagde om bij de vaststelling van bedoeld toetsingsinkomen wel rekening te houden met de over het desbetreffende kalenderjaar op aanslag verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen niet onredelijk is te achten, welk beleid in het voorliggende geval overigens terecht en op juiste wijze is toegepast. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de bij het bestreden besluit vastgestelde vordering, wat betreft het onderdeel van de boete als bedoeld in artikel 26, zesde lid, aanhef en onder b, van de WSF, in rechte stand kan houden en zo ook de vaststelling - bij het bestreden besluit - dat met ingang van 1 november 2000 rente wordt berekend over de vastgestelde vordering, nu die vaststelling op beleid is gebaseerd dat zij niet onaanvaardbaar acht en waarvan gedaagde in het voorliggende geval, bij ontbreken van bijzondere omstandigheden, niet had behoren af te wijken. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat het beroep van appellant op de in artikel 131 van de WSF neergelegde bevoegdheid van gedaagde om voor bepaalde gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard die zich bij de toepassing van de wet mochten voordoen, niet kan slagen.

In hoger beroep heeft appellant de door hem reeds in beroep aangevoerde grieven herhaald, welke grieven - kort gezegd - het volgende inhouden:

- net als de wel in artikel 26, tweede lid, aanhef en onder a, van de WSF genoemde premie voor de verzekering ingevolge de Ziekenfondswet dienen de premies voor een particuliere ziektekostenverzekering bij de berekening van het toetsingsinkomen te worden meegenomen;

- ten onrechte wordt bij de vaststelling van het toetsingsinkomen rekening gehouden met de op aanslag verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen;

- de bij het bestreden besluit vastgestelde boete is te hoog vastgesteld en derhalve in strijd met het evenredigheidsbeginsel;

- de vaststelling van de ingangsdatum van de verschuldigde rente is niet in overeenstemming met artikel 26, zevende lid, van de WSF en mist derhalve een wettelijke basis;

- gedaagde heeft de bij het bestreden besluit vastgestelde vordering veel te laat vastgesteld;

- ten onrechte is het beroep op de hardheidsclausule, er op neerkomende dat het onbillijk is dat studenten als appellant die, omdat zij volle wees zijn en een wezenuitkering ontvangen, minder kunnen bijverdienen dan studenten van wie één of beide ouders nog in leven zijn, afgewezen.

De Raad overweegt ten aanzien van de door appellant aangevoerde grieven als volgt.

Appellant had gedurende het gehele jaar 1996 een particuliere ziektekostenverzekering, terwijl hij tevens - in elk geval gedurende een deel van dat jaar - verzekerd is geweest ingevolge de Ziekenfondswet. Naar zijn oordeel dient de door hem betaalde premie voor die particuliere ziektekostenverzekering, net als de premie voor de verzekering ingevolge de Ziekenfondswet, in mindering te worden gebracht op het door hem in dat jaar verdiende loon. Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat voor hetgeen appellant bepleit geen grond bestaat. Voor zover het premies betreft over een periode gedurende welke appellant ziekenfondsverzekerd is geweest, ziet gedaagde het als een eigen keuze van appellant om zich daarnaast nog particulier te verzekeren, terwijl voor de periode gedurende welke appellant niet ziekenfondsverzekerd was maar wel verzekerd was op grond van een particuliere ziektekostenverzekering geldt dat de wet niet voorziet in vermindering van het in het desbetreffende jaar verdiende loon met de premies voor de particuliere ziektekostenverzekering en de situatie van een studerende met een vrijwillige particuliere ziektekostenverzekering in relevante mate afwijkt van de studerende die ingevolge de Ziekenfondswet verplicht is verzekerd.

De Raad is met gedaagde van oordeel dat bij het bestreden besluit terecht geen rekening is gehouden met de door appellant in het jaar 1996 betaalde premie voor de door hem afgesloten particuliere ziektekostenverzekering. Voor de Raad is in dit verband doorslaggevend dat artikel 26, tweede lid, aanhef en onder a, van de WSF uitdrukkelijk slechts voorziet in het in mindering brengen van de premie ingevolge de Ziekenfondswet op door de betrokkene in de desbetreffende periode verdiend loon, hetgeen, gelet op de wetsgeschiedenis, uitdrukkelijk door de wetgever is beoogd. De Raad ziet daarnaast in hetgeen door appellant is aangevoerd onvoldoende grond om die wettelijke bepaling buiten toepassing te laten, dan wel als onverbindend aan te merken, door, zoals appellant wenst, ook de door hem betaalde premie voor een particuliere ziektekostenverzekering op het verdiende loon in mindering te brengen. Hij ziet daarvoor geen grond omdat het appellants eigen keuze was om gedurende de periode dat hij ingevolge de Ziekenfondswet was verzekerd daarnaast ook particulier verzekerd te zijn, terwijl voorts geldt dat er een relevant verschil in positie is tussen degene die ingevolge de Ziekenfondswet verplicht is verzekerd, hetgeen de verplichting meebrengt dat de ingevolge die wet verschuldigde premie dient te worden betaald, zodat een deel van het verdiende loon, dat de grondslag vormt voor de verplichte ziekenfondsverzekering, niet ter vrije beschikking van de betrokkene staat, en degene die niet verplicht ingevolge de Ziekenfondswet is verzekerd omdat hij geen loon ontvangt dan wel een inkomen boven de ziekenfondsgrens geniet, en die alsdan de keuze heeft om een particuliere ziektekostenverzekering tegen de door hem gekozen voorwaarden af te sluiten. De Raad wijst er in dit verband tevens nog op dat in het in geding zijnde jaar de studerende die niet verplicht was verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet, mits hij voldeed aan de daartoe gestelde voorwaarden, in het kader van de aan hem toegekende studiefinanciering een normbedrag ontving ter zake van de door hem te betalen premie voor een particuliere ziektekostenverzekering, hetgeen niet zo was ten aanzien van de studerende die gedurende dat jaar verplicht ingevolge de Ziekenfondswet was verzekerd.

Het beleid van gedaagde om bij de berekening van het toetsingsinkomen, als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de WSF, niet alleen de wèl ingehouden loonbelasting en premies volksverzekeringen in mindering te brengen maar ook de op aanslag verschuldigde en betaalde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen, vloeit voort uit de uitspraak van het toenmalige College van beroep studiefinanciering van

15 december 2000, USF 2000-2001, nr. 24, en is gebaseerd op de zogeheten hardheids-clausule, neergelegd in artikel 131 van de WSF. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat boven bedoeld beleid de aan te leggen rechterlijke toets kan doorstaan, waarvoor hij mede verwijst naar de overwegingen daaromtrent van het toenmalige College van beroep studiefinanciering in even vermelde uitspraak. Daarnaast wijst hij er nog op dat appellant geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die zich ten aanzien van hem voordoen en die bij de toepassing van boven bedoeld beleid moeten leiden tot het oordeel dat dat beleid onredelijk is te achten, dan wel in zijn geval, gelet op bijzondere omstandigheden, niet behoort te worden toegepast.

Wat appellants grieven ter zake van de bij het bestreden besluit vastgelegde boete betreft als bedoeld in artikel 26, zesde lid, aanhef en onder b, van de WSF en de bij het bestreden besluit vastgestelde datum met ingang waarvan rente is verschuldigd, is de Raad, onder verwijzing naar zijn oordeel en naar de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen in zijn uitspraak van 7 februari 2003 in de zaken 02 / 677 WSF en

02 / 3466 WSF, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht, van oordeel dat die grieven niet kunnen slagen. Nu voorts niet is gebleken dat appellant geen enkele schuld treft ten aanzien van het overtreden van de in artikel 26, eerste lid, van de WSF neergelegde norm, doet zich niet de situatie voor dat niet - wegens van afwezigheid van alle schuld - een sanctie kan worden opgelegd.

Vervolgens, wat appellants grief betreft dat het bestreden besluit veel te laat is genomen, overweegt de Raad dat ook die grief, gelet op het bepaalde in artikel 26 van de WSF - welke bepaling geen termijn kent waarbinnen van de in die bepaling neergelegde bevoegdheid tot het vaststellen van een vordering gebruik dient te worden gemaakt -, geen doel treft. Ook het ongeschreven recht stond of staat in het voorliggende geval niet aan het nemen van het bestreden besluit in de weg. Niet is gebleken van een zodanige ondubbelzinnige toezegging dat bij appellant de verwachting gerechtvaardigd was dat in zijn geval niet tot toepassing van die bevoegdheid zal worden overgegaan, noch doet zich, gelet op de omstandigheden van het voorliggende geval, de situatie voor dat van een zodanig tijdsverloop na ontvangst door gedaagde van de gegevens over appellants inkomsten in het desbetreffende jaar sprake is dat enige regel van ongeschreven recht zich tegen de toepassing van die bevoegdheid verzet.

Ten slotte ziet de Raad, met de rechtbank en op de door haar daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, onvoldoende grond voor het oordeel dat gedaagde in redelijkheid was gehouden om in het voorliggende geval, onder toepassing van de hardheidsclausule van artikel 131 van de WSF, tot een ander besluit te komen dan het thans bestreden besluit.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het hoger beroep geen doel treft en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2003.

(get.) J. Janssen.

(get.) T.R.H. van Roekel.