Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1831

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2003
Datum publicatie
17-09-2003
Zaaknummer
02/1738 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Voor beantwoording van de vraag of medische voorziening noodzakelijk is, is actuele informatie vereist.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2, geldigheid: 2003-07-03
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20, geldigheid: 2003-07-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/1738 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats] (Israël), eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 21 januari 2002, kenmerk JZ/I/70yy/2002/002, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In haar beroepschrift is uiteengezet waarom zij het met het bestreden besluit niet eens is.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend, waarop eiseres heeft gereageerd.

Eiseres heeft de Raad vervolgens nog brieven gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 28 mei 2003, waar voor eiseres is verschenen haar echtgenoot S. Sagiv en waar verweerster zich heeft laten vertegen-woordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in 1928, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Aanvaard is dat haar psychische klachten en haar rugklachten in het door de Wet vereiste verband staan met haar vervolging.

Eiseres heeft sedert een geruim aantal jaren van verweerster een vergoeding ontvangen voor de kosten van zwemmen en de kosten van vervoer in verband met zwemmen. De vergoeding voor kosten van de aanschaf van een zwemabonnement is laatstelijk bij besluit van 21 december 1999 toegekend voor de jaren 2000 tot en met 2004.

Naar aanleiding van het verzoek van eiseres de vergoeding van de kosten van vervoer in verband met zwemmen te continueren heeft verweerster bij besluit van 16 maart 2001 per 1 december 2000 een vergoeding toegekend voor vervoer per auto, taxi of openbaar vervoer in de laagste prijsklasse in verband met zwemmen voor ten hoogste één maal per week, na het overleggen van nota's en voor zover de kosten niet op andere wijze worden vergoed.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster haar weigering eiseres een vergoeding voor de kosten voor vervoer in verband met zwemmen toe te kennen voor meer dan één maal per week, na daartegen gemaakt bezwaar, gehandhaafd. Wel heeft verweerster bij wijze van overgang vergoeding van de kosten tot drie maal per week voor het winter-seizoen 2001/2002 toegekend. Overwogen is dat voor eiseres zwemmen meer dan één maal per week niet medisch noodzakelijk is.

Eiseres kan zich met de weigering haar meer dan één maal per week de kosten van vervoer in verband met zwemmen te vergoeden niet verenigen. Zij is van opvatting dat verweerster alvorens het bestreden besluit te nemen de medische noodzaak voor de gevraagde voorziening had moeten onderzoeken en heeft gesteld dat het voor haar medisch noodzakelijk is dat zij vijf keer per week zwemt.

De Raad overweegt het volgende.

Aan verweersters besluit eiseres geen vergoeding voor vervoer in verband met zwemmen te verstrekken voor meer dan één maal per week ligt het standpunt ten grondslag dat voor meer dan één maal per week zwemmen een medische noodzaak ontbreekt.

Op grond van de stukken en hetgeen van de zijde van verweerster dienaangaande is medegedeeld ter zitting, staat voor de Raad vast dat bij de toekenning van vergoeding voor de kosten van zwemmen de vraag naar het aantal keer zwemmen voor eiseres medisch noodzakelijk werd geacht, niet aan de orde is geweest omdat verweerster, na een medische noodzaak voor zwemmen aanwezig te hebben geoordeeld, een expliciet antwoord op die vraag heeft daargelaten. Achtergrond daarvan is dat verweerster wanneer de medische noodzaak voor zwemmen wordt onderkend doorgaans, ook in het onderhavige geval, besluit tot vergoeding van een zwemabonnement. De Raad ziet dan ook geen beletsel om in het kader van het onderhavige geding de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende standpunt dat voor eiseres niet meer één maal per week zwemmen medisch noodzakelijk is, ten volle te toetsen.

Naar verweerster ter zitting heeft toegelicht, berust het standpunt dat voor eiseres meer dan één maal zwemmen per week niet medisch noodzakelijk is op het - niet schriftelijk neergelegde - gewijzigde beleid van verweerster om bij verstrekking van vergoeding voor de kosten van zwemmen in beginsel ervan uit te gaan dat een medische noodzaak voor meer dan één maal per week zwemmen voor die voorziening niet aanwezig is. Naar van de zijde van verweerster is medegedeeld, is die normering ontleend aan informatie over het aantal malen zwemmen per week dat (in Israël) in verzorgingshuizen vereist wordt geacht.

Tegen deze achtergrond is een, op de gezondheidstoestand van eiseres toegespitst onderzoek naar het aantal malen dat voor haar zwemmen noodzakelijk wordt geacht, achterwege gebleven.

De Raad stelt voorop dat voor het vaststellen van een aanspraak op een voorziening op grond van artikel 20 van de Wet beslissend is het antwoord op de vraag of die voorziening voor betrokkene medisch noodzakelijk is. Hieruit volgt dat ter beantwoor-ding van de vraag of gelet op de causale klachten van eiseres ten tijde hier van belang met één maal zwemmen per week kon worden volstaan, actuele medische informatie daarover niet kan worden gemist.

Nu verweerster tot de omstreden weigering is gekomen enkel op basis van de algemene vaststelling dat zwemmen niet meer dan één maal per week medisch noodzakelijk wordt geacht, moet worden geconcludeerd dat verweerster dusdoende in strijd heeft gehandeld met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op grond waarvan zij gehouden is de nodige kennis naar de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grief van eiseres dat in het onderhavige geval onvoldoende medisch onderzoek heeft plaatsgevonden, slaagt. Dit betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb niet in stand kan worden gelaten. Nu de voor dit geding beslissende medische informatie ontbreekt, beschikt de Raad over onvoldoende gegevens voor een eindbeslissing in deze zaak. Verweerster zal worden opgedragen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiseres.

De Raad acht termen aanwezig verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze worden begroot op € 1.016,04 aan reis- en verblijfkosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerster tot vergoeding van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.016,04, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad het door eiseres betaalde griffierecht ad

€ 27,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2003.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) A. de Gooijer.

HD

30.06