Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1724

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2003
Datum publicatie
02-09-2003
Zaaknummer
00/4005 ABP e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pensioenknip als gevolg van salarissprong van rechterlijk ambtenaar. Mitigering eindloonstelsel.

Wetsverwijzingen
Aanpassingswet privatisering ABP 7
Beroepswet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/4005 ABP en 00/4068 ABP

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen

het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP, appellant en tevens gedaagde (hierna: het fonds),

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats], gedaagde en tevens appellant, (hierna: betrokkene).

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 8 juni 2000, reg.nr. AWB 99/8268 ABP, het beroep van betrokkene tegen het besluit van het fonds van 16 augustus 1999 gegrond verklaard, het besluit van 16 augustus 1999 vernietigd en bepaald dat het fonds een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen; een en ander met bepalingen over proceskosten en griffierecht. Naar deze uitspraak wordt hierbij verwezen.

Partijen hebben ieder voor zich bij de Raad hoger beroep doen instellen tegen evenbedoelde uitspraak.

Partijen hebben voorts van verweer doen dienen.

Betrokkene heeft de Raad op 4 en 7 juli 2003 nadere stukken doen toekomen.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 17 juli 2003, waar betrokkene in persoon is verschenen en waar het fonds zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.C.M. Calis, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

II. MOTIVERING

De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij zijn besluit van 8 januari 1997 heeft de directieraad van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wet privatisering ABP (hierna: WpA) een schriftelijke opgave verstrekt van het door betrokkene bij de inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 1996 opgebouwde uitzicht op pensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet (hierna: Abp-wet). Daarbij is toepassing gegeven aan artikel F 1, derde lid, onder a, van de Abp-wet omdat in verband met zijn benoeming ingaande 26 oktober 1988 tot raadsheer bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage sprake was van een verhoging van de berekeningsgrondslag van meer dan 25% (de verhogingsknip).

In administratief beroep heeft betrokkene, stellend dat hij ten tijde van zijn benoeming tot raadsheer niet op de hoogte was van de pensioengevolgen van die carrièrestap, verzocht om met toepassing van artikel F 15 van de Abp-wet de gevolgen van de verhogingsknip ongedaan te maken. Betrokkene heeft aangevoerd dat de 25%-verhoging het gevolg is van de destijds bij de rechterlijke macht bestaande beloningsstructuur die geen salarislijn kende. Bij benoeming ruim een maand later zou

- aldus betrokkene - de verhogingsknip niet aan de orde zijn geweest, evenmin als bij toepassing van de bij de rechterlijke macht later ingevoerde salarislijn. Volgens betrokkene heeft het fonds geen nadeel geleden omdat steeds pensioenpremie is betaald naar het voor raadsheren geldende maximum-salaris. Betrokkene heeft voorts benadrukt dat sprake is geweest van een normaal carrièrepatroon en dat in zo'n situatie hantering van de verhogingsknip niet in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever.

Bij besluit van 16 augustus 1999 heeft het fonds de vaststelling van 8 januari 1997 gehandhaafd. Het fonds achtte, overwegende dat de wetgever met de verhogingsknip heeft beoogd om matiging van het eindloonstelsel te bewerkstelligen, in hetgeen door betrokkene in administratief beroep naar voren was gebracht geen grond gelegen om gebruik te maken van de hem in artikel F 15 van de Abp-wet gegeven bevoegdheid om in bijzondere gevallen of groepen van gevallen waarin de toepassing van hoofdstuk F van de Abp-wet tot een naar zijn oordeel onredelijke uitkomst leidt, ten gunste van de belanghebbende een beslissing te nemen die met de strekking van dat hoofdstuk overeenstemt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - zich bevoegd achtend van het door betrokkene tegen het besluit van

16 augustus 1999 ingestelde beroep kennis te nemen - de berekening van de bij de toepassing van artikel F 1, derde lid, aanhef en onder a, van de Abp-wet in aanmerking genomen berekeningsgrondslagen juist geoordeeld. Voorts heeft de rechtbank de weigering toepassing te geven aan artikel F 15 van de Abp-wet in strijd geoordeeld met artikel 7:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Ten slotte heeft zij overwegingen ten overvloede gebezigd over de positie van betrokkene in relatie tot diegenen die vanuit een dienstverhouding met het ministerie van Justitie tot raadsheer zijn benoemd.

In hoger beroep heeft betrokkene de juistheid betwist van het oordeel van de rechtbank over de berekening van de in het kader van de toepassing van artikel F 1, derde lid, aanhef en onder a, van de Abp-wet in aanmerking genomen berekeningsgrondslagen. Voorts heeft betrokkene grieven geuit over de door de rechtbank gebezigde overwegingen ten overvloede.

Het fonds heeft in hoger beroep de juistheid betwist van het oordeel van de rechtbank over de motivering van de weigering om in het geval van betrokkene gebruik te maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel F 15 van de Abp-wet.

De Raad overweegt het volgende.

In geding is de toepassing van artikel 7, vierde lid, van de WpA. De Raad acht zich ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet, in samenhang met Bijlage A, punt 8, bij laatstgenoemde wet bevoegd om van het onderhavige geding in hoger beroep kennis te nemen.

Gelet op de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Raad van 5 maart 1998, reg. nr. 96/11410 ABP, waarin terzake van een aan een rechterlijk ambtenaar - zoals betrokkene - uitgereikt pensioenoverzicht is overwogen dat dat besluit niet is genomen ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar als zodanig maar als ambtenaar in de zin van de Abp-wet, stelt de Raad vast dat de rechtbank zich terecht bevoegd heeft geoordeeld van het onderhavige geschil in eerste aanleg kennis te nemen.

Met betrekking tot het door betrokkene bestreden oordeel van de rechtbank over de berekening van de bij de toepassing van artikel F 1, derde lid, aanhef en onder a, van de Abp-wet in aanmerking genomen berekeningsgrondslagen constateert de Raad dat de rechtbank met dit oordeel buiten de omvang van het haar voorgelegde geding is getreden. Van de zijde van betrokkene is immers in het in eerste aanleg ingediende aanvullend beroepschrift het geschil uitdrukkelijk beperkt tot de weigering toepassing te geven aan artikel F 15 van de Abp-wet. Behoudens de hier niet aan de orde zijnde situatie dat sprake is van wilsgebreken, staat een ondubbelzinnige beperking van het geschil eraan in de weg dat - zoals in het onderhavige geval is geschied - het geding later in de procedure wordt uitgebreid met eerder niet aangevochten onderdelen van het bestreden besluit. De omstandigheid dat betrokkene pas in de loop van de procedure in eerste aanleg kennis kreeg van stukken waarin hij aanleiding vond terug te komen van zijn aanvankelijke standpunt over de juistheid van de in het kader van artikel F 1, derde lid, onder a, van de Abp-wet toegepaste berekening, moet voor zijn rekening en risico worden gelaten. Voor zover in de aangevallen uitspraak een oordeel is gegeven over de berekening van de berekeningsgrondslagen in het kader van artikel F1, derde lid, aanhef en onder a, van de Abp-wet, komt die uitspraak wegens strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Aan een inhoudelijke bespreking van hetgeen van de zijde van betrokkene op dit punt is aangevoerd, komt de Raad niet toe.

Het oordeel van de rechtbank dat het fonds bij de toepassing van artikel F 15 van de Abp-wet artikel 7:26 van de Awb heeft geschonden, berust op de overweging dat het fonds heeft miskend dat uit de memorie van toelichting bij de invoering van de verhogingsknip in 1966 blijkt dat toepassing van de verhogingsknip bij een normale loopbaan kan nopen tot toepassing van artikel F 15 van de Abp-wet.

Het fonds heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat, gelet op de door de wetgever beoogde mitigering van het eindloonstelsel, de door betrokkene aangevoerde omstandigheden door het fonds niet zodanig bijzonder worden gekwalificeerd dat de uit toepassing van artikel F 1, derde lid, onder a, van de Abp-wet voortvloeiende verhogingsknip met toepassing van artikel F 15 van die wet achterwege diende te worden gelaten. Daarbij is erop gewezen dat voor invulling van het begrip onredelijke uitkomst, mede onder invloed van rechtspraak ter zake, wordt verstaan een door de wetgever niet beoogde en dus niet voorziene uitkomst.

De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of het fonds in redelijkheid tot zijn weigering is kunnen komen om gebruik te maken van de hem in artikel F 15 van de Abp-wet gegeven bevoegdheid omdat, gelet op hetgeen betrokkene ter zake heeft aangevoerd, niet kan worden gezegd dat de toepassing van de hoofdstuk F van de Abp-wet in zijn geval tot een onredelijke uitkomst leidde.

In dit verband moet, mede gelet op de door het fonds bedoelde rechtspraak ter zake, worden beoordeeld of van de door betrokkene aangevoerde omstandigheden kan worden gezegd dat deze door de wetgever niet waren voorzien.

Uit de memorie van toelichting bij het hier van toepassing zijnde, met ingang van 1 juli 1986 van kracht geworden artikel F 1, tweede lid, aanhef en onder b (ten tijde hier van belang: derde lid, aanhef en onder a), van de Abp-wet blijkt dat met de invoering van dit artikelonderdeel aanscherping van de verhogingsknip heeft plaatsgevonden met het oog op matiging van het eindloonstelsel. Daartoe is beslist de verhogingsknip niet, zoals bij de invoering ervan in 1966 was bepaald, te hanteren bij verdubbeling van bezoldiging, maar bij een salarissprong van 25%. In samenhang daarmee heeft de wetgever, blijkens die toelichting, het antwoord op de vraag of (nog) sprake is van een normale inkomensontwikkeling niet meer de salariswijziging op een bepaald tijdstip maar de beoordeling over een tijdvak van een jaar bepalend willen laten zijn.

Tegen de achtergrond van de door de wetgever beoogde mitigering van het eindloonstelsel acht de Raad het standpunt van het fonds dat niet kan worden gezegd dat de wetgever de situatie als die van betrokkene - waarin de salarissprong van meer dan 25% (mede) het gevolg is van het hanteren van een bezoldigingsstructuur waarin geen salaris-lijn geldt maar een fixum, en zo'n salarissprong in dat verband vaker aan de orde is - niet heeft voorzien, niet onredelijk.

In aanmerking genomen dat na de in 1986 van kracht geworden aanscherping bij de beoordeling of al dan niet sprake is van een normale inkomensontwikkeling niet meer de inkomenssituatie op het betrokken tijdstip bepalend is, maar vergelijking van met toepassing van artikel F 4 van de Abp-wet voor de periode van een jaar vast te stellen berekeningsgrondslagen, ziet de Raad ook in het door de rechtbank en betrokkene benadrukte gegeven dat blijkens de wetgeschiedenis bij de invoering van de verhogingsknip in 1966, als voorbeeld voor toepassing van artikel F 15 (toen F 14) van de Abp-wet is vermeld de situatie waarin toepassen van de knipbepaling "zou leiden tot het 'knippen' in een echte, 'normale', loopbaan waarin toevalligerwijs door bijzondere omstandigheden van een verdubbeling van het inkomen sprake zou zijn", geen grond gelegen voor gehoudenheid van het fonds gebruik te maken van zijn meerbedoelde bevoegdheid. Of de situatie van betrokkene met die van bedoeld voorbeeld op één lijn kan worden gesteld, wordt hierbij in het midden gelaten.

Gelet op het vorenoverwogene komt de Raad, anders dan de rechtbank, tot de conclusie dat niet kan worden gezegd dat het fonds niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn standpunt dat in de door betrokkene met het oog op toepassing van artikel F 15 van de Abp-wet naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen grond is gelegen voor de vaststelling dat sprake is van een onredelijke uitkomst als bedoeld in dat artikel. Gelet daarop is de Raad voorts van oordeel dat de weigering van het fonds om ten aanzien van eiser gebruik te maken van de hem in artikel F 15 van de Abp-wet gegeven bevoegdheid de terughoudende rechterlijke toetsing kan doorstaan. De aangevallen uitspraak komt dan ook wat betreft het daarin vervatte oordeel over de toepassing van artikel F 15 van de Abp-wet eveneens voor vernietiging in aanmerking. Het inleidend beroep van betrokkene ter zake dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

Hetgeen betrokkene heeft aangevoerd tegen de door de rechtbank gebezigde overwegingen ten overvloede kan en zal de Raad buiten bespreking laten. Die overwegingen hebben betrekking op de door de rechtbank noodzakelijk geoordeelde nadere standpuntbepaling door het fonds over de toepassing van meergenoemd artikel F 15, welke standpuntbepaling, gelet op het hiervoor overwogene, niet meer aan de orde is.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep van betrokkene alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) L. Jörg.

Q.