Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1631

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
08-09-2003
Zaaknummer
01/1404 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Verzoek tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering. Alsnog aangenomen dat de gehoorklachten (Báránydoof) in relatie staan met de aanvaarde oorlogscalamiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/1404 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 23 januari 2001, kenmerk JZ/G/2001/17, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Eiser heeft tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 november 2002. Aldaar is eiser in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Aangezien bij de behandeling in raadkamer is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest heeft de Raad dit heropend en is aan prof. dr. C.W.R. Cremers, k.n.o.-arts te Nijmegen, verzocht om van verslag en advies te dienen. Op 17 december 2002 is terzake rapport uitgebracht.

Door verweerster zijn bij brief van 3 januari 2003 nog nadere stukken ingezonden, waarop prof. dr. Cremers heeft gereageerd bij brief van 28 januari 2003.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 17 april 2003. Aldaar is eiser in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiser, die is geboren [in] 1935, in december 1998 bij verweerster een aanvraag ingediend hem ingevolge de Wet te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer en hem een periodieke uitkering toe te kennen. Die aanvraag heeft hij gebaseerd op gezondheidsklachten, in het bijzonder gehoorklachten en psychische klachten, die naar zijn mening het gevolg zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting en de gebeurtenissen tijdens de zogenoemde Bersiap-periode, te weten:

1. het geslagen worden door een Japanner;

2. het getuige geweest zijn van beschietingen;

3. de sexuele mishandeling door een militair.

Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 24 maart 2000, op grond van de over-wegingen dat de directe betrokkenheid van eiser bij de gebeurtenis onder 2 niet is komen vast te staan en de onder 3 genoemde gebeurtenis niet onder artikel 2, eerste lid, van de Wet kan worden gebracht. De onder 1 genoemde gebeurtenis is weliswaar in voldoende mate komen vast te staan, maar in navolging van het advies van haar geneeskundig adviseur heeft verweerster vastgesteld dat bij eiser geen sprake is van blijvende lichamelijke en/of psychische invaliditeit ten gevolge van oorlogsgeweld. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerster haar standpunt bij het thans bestreden besluit gehandhaafd.

De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt, voor zover hier van belang en kort samengevat, onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan: degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945, dan wel gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge van met krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden, dan wel tengevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht.

De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste jurisprudentie in dezen, voorop dat algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.

Ten aanzien van de gestelde gebeurtenis dat eiser getuige zou zijn geweest van beschietingen is de Raad van oordeel dat verweerster op goede gronden heeft geoordeeld dat de directe betrokkenheid van eiser daarbij niet is komen vast te staan. De voorhanden gegevens en hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd hebben de Raad niet tot een ander oordeel kunnen doen leiden. Met betrekking tot het door eiser gestelde sexueel misbruik door een Nederlandse militair onderschrijft de Raad eveneens het standpunt van verweerster dat deze gebeurtenis niet onder de werking van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet kan worden gebracht, aangezien deze gebeurtenis geen verband houdt met de destijds heersende oorlogsomstandigheden in Nederlands-Indië.

De zienswijze van verweerster dat de mishandeling door een Japanner in het geval van eiser niet heeft geleid tot invalidering in de zin van de Wet leidend lichamelijk of psychisch letsel, is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke berusten op een rapport van onderzoek van eiser op 21 januari 2000 verricht door de arts J.H. Husken, en op de van eisers huisartsen A. Toet en J.A. Zoetelief ontvangen informatie, alsmede op verkregen gegevens van de behandelend psychiater J.K. van der Veer en van de geneeskundig adviseur A.S.E.P. Textor die eiser heeft onderzocht in het kader van de uitvoering van de Algemene oorlogsongevallenregeling. Uit genoemd rapport komt naar voren dat er geen sprake is van lichamelijk of psychisch letsel ten gevolge van genoemde oorlogservaring waardoor een blijvende invaliditeit is ontstaan.

De Raad heeft, wat eisers psychische klachten betreft, in de voorhanden medische en andere gegevens onvoldoende aanknopingspunten gevonden om het door verweerster ingenomen standpunt onjuist te oordelen.

Wat de gehoorklachten betreft, geldt evenwel het navolgende.

Naar aanleiding van het door eiser in beroep overgelegde verslag van de arts-assistent D.R. Colnot, verbonden aan het VU academisch ziekenhuis te Amsterdam, waaruit blijkt dat er bij eiser sprake is van een Báránydoof oor links, mogelijk als gevolg van een trauma, heeft de Raad aan prof. dr. Cremers voornoemd, verbonden aan het Universitair Medisch Centrum St. Radboud te Nijmegen, verzocht om van verslag en advies te dienen. In zijn op 17 december 2002 uitgebracht rapport wordt geconcludeerd dat er sprake is van een volledige binnenoordoofheid links die ontstaan kan zijn na het trauma waarbij eiser mishandeld is door een Japanse bewaker. In reactie op de door verweerster overgelegde gegevens betreffende een keuring ten behoeve van de militaire dienst in 1953 heeft prof. dr. Cremers aangegeven daarin onvoldoende bewijs te zien dat er destijds wel beiderzijds gehoor is geweest en mitsdien de conclusies in zijn rapport van 17 december 2002 te handhaven.

Ter zitting van de Raad op 17 april 2003 heeft verweerster, in navolging van haar geneeskundig adviseur, te kennen gegeven dat eiser als oorlogsslachtoffer wordt erkend en dat de gehoorklachten (links) in relatie staan met de aanvaarde oorlogscalamiteit en dat deze klachten leiden tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wet.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit op grond van strijd met de Wet in rechte geen stand kan houden en dat het ingestelde beroep gegrond moet worden verklaard.

De Raad acht tenslotte termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van de proceskosten van eiser welke worden vastgesteld op € 15,96 voor gemaakte reiskosten. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerster in de kosten van eiser ad € 15,96, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat het betaalde griffierecht ad € 27,23 door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser wordt vergoed.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2003.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) A. Kovács.

HD

08.05