Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1581

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2003
Datum publicatie
08-09-2003
Zaaknummer
02/2707 WAOCON
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetting aanspraken Abp-wet in WAO-conforme uitkering. Moet voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid worden uitgegaan van de vastgestelde mate van algemene invaliditeit?

Wetsverwijzingen
Wet privatisering ABP 37
Wet privatisering ABP 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/2707 WAOCON

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Op bij aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden heeft appellante bij de Raad hoger beroep doen instellen tegen de uitspaak van de rechtbank Leeuwarden van 9 april 2002, reg. nr. 01/118 WAOCON, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 24 april 2003. Aldaar is appellante verschenen bij haar gemachtigde mr. L. Rijpkema, advocaat te Groningen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B. Drossaert, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

Ten aanzien van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad, onder verwijzing voor het overige naar de aangevallen uitspraak, met het volgende.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het besluit van gedaagde van 22 december 2000 ongegrond verklaard. Dit besluit betreft de handhaving van de toekenning van een WAO-conforme uitkering aan appellante per 1 januari 1996 met toepassing van artikel 37 van de Wet privatisering ABP (WPA) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid ongegrond geoordeeld. Daartoe is overwogen dat voor de hier in geding zijnde eerste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in een geval als dat van appellante, die op 31 december 1995 recht had op een invaliditeitspensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet (ABP-wet) naar een mate van tenminste 15%, gelet op artikel 37, tweede lid, van de WPA de door het bestuur van het ABP vastgestelde mate van algemene invaliditeit, bedoeld in artikel F 8a van de ABP-wet, zoals dat artikel luidde op 31 december 1995, bepalend is. Voor appellante betekent dit, aldus de rechtbank, dat bij de toekenning moet worden uitgegaan van de voor haar op 31 december 1995 geldende mate van algemene invaliditeit - 55 tot 65% - en dat voor de bepaling daarvan een nieuwe medische en arbeidskundige beoordeling niet aan de orde is.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit steunt. Anders dan appellante ziet ook de Raad niet dat gedaagde in het onderhavige geval in het kader van de toepassing van artikel 37, tweede lid, van de WPA gehouden was de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vast te stellen op basis van een nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende,

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en

mr. G.J.H. Doornewaard en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van

J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2003.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

12.05