Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1548

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2003
Datum publicatie
08-09-2003
Zaaknummer
02/2153 MPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Komt het tijdvak dat gedaagde voorafgaand aan zijn militaire diensttijd heeft doorgebracht in een kerkelijke betrekking bij de berekening van het militair pensioen als voor pensioen geldige diensttijd in aanmerking?

Wetsverwijzingen
Uitkeringswet gewezen militairen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/2153 MPW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Staatssecretaris van Defensie, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de op 28 februari 2002, nummer AWB 01/1471 MPW, door de rechtbank 's-Gravenhage gegeven uitspraak, waarbij het door gedaagde tegen appellants besluit van 16 maart 2001 ingestelde beroep gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd.

Bij besluit van 6 mei 2002 heeft appellant uitvoering gegeven aan deze uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 mei 2003. Aldaar heeft appellant zich doen vertegenwoordigen door W.A.M.C. Rouwet, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. F.H.M. van Spaendonk, wonende te Oosterbeek, als zijn raadsman.

II. MOTIVERING

In dit geding is aan de orde de Algemene militaire pensioenwet, hierna: de Wet. De Wet is bij ingevolge de Kaderwet militaire pensioenen gegeven koninklijk besluit van 29 mei 2001, Stb. 260, met ingang van 1 juni 2001 ingetrokken. De Raad is evenwel ingevolge overgangsrecht bevoegd van het geding kennis te nemen.

In verband met de aanspraken van gedaagde op een uitkering ingevolge de Uitkeringswet gewezen militairen heeft appellant bij besluit van 6 december 2000 vastgesteld dat het tijdvak van 1 oktober 1969 tot 1 maart 1981, dat gedaagde voorafgaand aan zijn militaire diensttijd heeft doorgebracht in een kerkelijke betrekking, bij de berekening van het hem toekomende militair pensioen niet als voor pensioen geldige diensttijd in aanmerking komt, zulks op grond van artikel D 2, tweede lid, onder c, van de Wet, daar het tot een jaarbedrag herleid burgerlijk inkomen uit de kerkelijke betrekking minder dan de helft bedraagt van het tot een jaarbedrag herleid inkomen als beroepsmilitair op 16 maart 1981, met ingang van welke datum gedaagde is benoemd tot geestelijk verzorger bij de Koninklijke Landmacht. Een door gedaagde gemaakt bezwaar tegen genoemd besluit heeft geleid tot appellants besluit van 16 maart 2001, waarbij eerder genoemd standpunt is gehandhaafd.

De rechtbank heeft laatstgenoemd besluit vernietigd op de grond - kort weergegeven -

dat appellant in het onderhavige geval ten onrechte artikel D 2, tweede lid, onder c, van de Wet heeft toegepast, daar in artikel IX, onderdeel X, tweede lid, van de Wet van 7 mei 1986, Stb. 303, tot wijziging van de Algemene burgerlijke pensioenwet en andere overheidspensioenen, waaronder de Wet, naar het oordeel van de rechtbank is bepaald dat artikel D 2, tweede lid, onder c, van de Wet niet van toepassing is op tijd doorgebracht in een kerkelijke betrekking.

Naar het oordeel van de Raad berust dit oordeel van de rechtbank op een onjuiste interpretatie van het bij de Wet van 7 mei 1986 tot stand gebrachte overgangsrecht, waartoe genoemd artikel IX behoort. De Raad verwijst in dit verband naar hetgeen door appellant bij aanvullend beroepschrift naar voren is gebracht, waarmee de Raad zich geheel kan verenigen.

Bepalend voor de vraag of in het geval van gedaagde artikel D 2, tweede lid, onder c (oud) van de Wet van toepassing is, acht de Raad het geheel van en de samenhang tussen de in het kader van de beëindiging van de financiële verhouding tussen Kerk en Staat tot stand gebrachte regelingen. Ingevolge een overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en een aantal kerkgenootschappen wordt tijd doorgebracht in een kerkelijke betrekking niet meer in aanmerking genomen als zogenaamde externe diensttijd, eventueel geldend te maken voor overheidspensioen. De mogelijkheid van eventuele vergelding met over-heidspensioen die voorheen bestond, blijft echter gehandhaafd voor reeds opgebouwde externe diensttijd, zij het onderworpen aan voorwaarden die voor externe diensttijd in het algemeen gelden. Bij wet van 7 december 1983, Stb. 638, (Wet beëindiging financiële verhouding tussen Staat en kerk) is de basis gelegd voor de medetelling van kerkelijke diensttijd bij enig overheidspensioen, welke een nadere invulling heeft gekregen bij de wet van 7 mei 1986, Stb. 303. Bij eerst genoemde wet is onder meer geregeld dat tijd voor 1 januari 1984 doorgebracht in kerkelijke betrekkingen bij de berekening van een militair pensioen als voor pensioen geldige tijd in aanmerking komt onder de voor-waarden van artikel D 2 van de Wet, waartoe behoorde de in het tweede lid, onder c, van dat artikel neergelegde dwingendrechtelijke voorwaarde van een inkomensverhouding van een maximum inkomensverschil van toen 50%. Bij de wet van 7 december 1986 werd te rekenen vanaf 1 januari 1984 de mogelijkheid van het meenemen van externe tijd doorgebracht in een kerkelijke betrekking in zijn algemeenheid geschrapt, zulks onder handhaving van de mogelijkheid om voor 1 januari 1984 opgebouwde kerkelijke tijd met overheidspensioen te vergelden. Met ingang van 1 juli 1986 is bij voornoemde wet van

7 mei 1986 voorts het voor externe diensttijd in het algemeen geldende artikel D2, tweede lid, onder c, van de Wet gewijzigd in die zin dat een aangescherpt inkomens-criterium geldt inhoudende dat voor medetelling van externe tijd het inkomensverschil maximaal 25% mocht zijn, welke wijziging niet van toepassing is verklaard ten aanzien van tijd doorgebracht in een kerkelijke betrekking.

Het door de rechtbank aangehaalde onderdeel van de bij genoemde wet van 7 mei 1986 tot stand gebrachte overgangsbepalingen bezien in samenhang met de overige over-gangsbepalingen kan de Raad niet anders lezen dan dat ten aanzien van kerkelijke diensttijd - door de wetgever gedefinieerd als tijd doorgebracht in een kerkelijke betrek-king met uitzicht op pensioen te rekenen vanaf 1 januari 1966 en eindigend voor 1 januari 1984 - de per 1 juli 1986 geldende aangescherpte bepalingen niet van toepassing zijn. De Raad acht de door de rechtbank gehuldigde opvatting dat genoemde overgangsbepaling het eerder geldende artikel D 2, tweede lid, onder c van de Wet voor tijd doorgebracht in een kerkelijke betrekking geheel buiten werking zet, mitsdien onjuist.

De door gedaagde in het tijdvak van 1 oktober 1969 tot 1 maart 1981 doorgebrachte kerkelijke diensttijd voldoet, gelet op het daaruit door hem verkregen inkomen, niet aan het bepaalde in artikel D2, tweede lid, onder c (oud), van de Wet en is door appellant, gezien het vorenstaande, bij de vaststelling van gedaagdes aanspraken ingevolge de Uitkeringswet gewezen militairen terecht als niet voor pensioen geldige tijd aangemerkt.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Het inleidende beroep dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

Als gevolg van de vernietiging van de aangevallen uitspraak is aan het nadere besluit van appellant van 6 mei 2002 de rechtsgrond komen te ontvallen. De Raad zal daarom ook dit nadere besluit vernietigen.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemeen wet bestuursrecht en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep van gedaagde alsnog ongegrond;

Vernietigt het besluit van 6 mei 2002.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter, mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A. Kovács.

HD

14.05