Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1531

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2003
Datum publicatie
08-09-2003
Zaaknummer
01/5534 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is ter zake van de overlijdensuitkering op grond van artikel 7:674, tweede lid, Burgerlijk Wetboek de partner als nagelaten betrekking als bedoeld in het derde lid van dat artikel, aan te merken als de in artikel 61.1 WW bedoelde werknemer?

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 61
Werkloosheidswet 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2003, 267
USZ 2003/290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

01/5534 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Maastricht, gedagtekend 2 oktober 2001.

Namens gedaagde heeft mr. R.A.L.M. van Dooren, advocaat te Sittard, van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 juni 2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door S. Maas, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde met voorafgaand bericht niet is verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten.

[naam werknemer] was in dienst van [naam werkgever]. Hij is [in] 2000 overleden. [naam werkgever] is op 24 februari 2000 in staat van faillissement verklaard. Appellant heeft op grond van Hoofdstuk IV van de WW de achterstallige vorderingen wegens loon c.a. van [naam werknemer] op [naam werkgever] overgenomen.

Gedaagde was de partner van [naam werknemer]. Op grond van artikel 7:674, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft zij jegens [naam werkgever] recht op een zogenoemde overlijdensuitkering. Bij besluit van 26 juni 2000 heeft appellant gedaagde ervan in kennis gesteld dat de overlijdensuitkering niet op grond van Hoofdstuk IV mag worden overgenomen en dat het betaalde voorschot van f 1.400,-- netto niet zal worden teruggevorderd. Bij besluit van 27 september 2000 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij het bestreden besluit heeft appellant omtrent de reden om de overlijdensuitkering niet over te nemen het standpunt ingenomen dat de overnemingsregeling van Hoofdstuk IV van de WW de financiële gevolgen van betalingsonmacht van de werkgever beoogt weg te nemen of te beperken door te waarborgen dat de werknemers achterstallig loon en het loon over de voor hen geldende opzegtermijn ontvangen. De overlijdensuitkering is geen loon als bedoeld in artikel 7:617 van het BW, zodat van overname geen sprake kan zijn. Ter zitting in eerste aanleg heeft appellant het standpunt ingenomen dat voor overname slechts in aanmerking komen loonvorderingen op de werkgever die zijn ontstaan tijdens het dienstverband. Ingevolge artikel 7:674, eerste lid, van het BW eindigt de dienstbetrekking met de werknemer door diens overlijden, terwijl het recht op de overlijdensuitkering ingevolge het tweede lid eerst ontstaat op de dag na overlijden. Alleen de vorderingen die betrekking hebben op de periode tot en met 21 februari 2000, kunnen voor overname in aanmerking komen en daaronder valt de overlijdensuitkering dus niet.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd. Zij heeft allereerst verwezen naar de definitie van het loonbegrip in artikel 67, onder a, van de WW, die luidt: "al hetgeen de werkgever in verband met de dienstbetrekking aan de werknemer rechtens verschuldigd is met uitzondering van vakantiegeld en vakantiebijslag". Gelet op die definitie valt onder het loonbegrip al hetgeen de werkgever civielrechtelijk aan de betrokken werknemer verschuldigd is. De rechtbank overwoog vervolgens dat op grond van artikel 7:674 BW de arbeidsovereenkomst weliswaar eindigt door de dood van de werknemer maar dat de werkgever niettemin verplicht is aan de nagelaten betrekkingen van de werknemer over de periode vanaf de dag na overlijden tot en met één maand na de dag van het overlijden, een uitkering te verlenen ten bedrage van het loon dat de werknemer laatstelijk rechtens toekwam. Deze overlijdensuitkering aan nabestaanden vloeit dus rechtstreeks voort uit de dienstbetrekking van de overleden werknemer, concludeerde de rechtbank. De rechtbank

overwoog voorts nog dat, gelet op die conclusie, niet volgehouden kan worden dat artikel 61 van de WW niet ook op deze situatie betrekking heeft, ook al ziet de overlijdensuitkering op de periode vanaf de dag na overlijden tot en met één maand na die dag. De uitleg die appellant ter zitting aan artikel 67 WW gaf, te weten dat daaronder niet valt hetgeen verschuldigd is aan de eventuele erven van de werknemer, volgde de rechtbank niet, nu het recht op loon op grond van dit artikel van privaatrechtelijke aard is en de rechtbank ervan uit gaat dat hieronder een recht van een erfgename op een overlijdensuitkering begrepen dient te worden.

Appellant heeft in hoger beroep het volgende standpunt ingenomen. Ingevolge artikel 64, aanhef en onder c, van de WW omvat het recht op uitkering op grond van Hoofdstuk IV onder meer de bedragen die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop een eventuele opzegtermijn zou eindigen. Nu de dienstbetrekking met het overlijden van de werknemer is geëindigd, valt de vordering ter zake van de overlijdensuitkering niet aan die periode toe te rekenen en kan deze niet worden overgenomen. Tevens verzoekt appellant de verwijzing in het bestreden besluit naar artikel 7:617 van het BW te lezen als een verwijzing naar artikel 67 van de WW.

Gedaagde sluit zich in hoger beroep aan bij het oordeel en de overwegingen van de rechtbank.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 61, eerste lid, van de WW luidt als volgt:

" Een werknemer heeft recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard (..), loon, vakantiegeld of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald.".

Of gedaagde een aanspraak op uitkering aan Hoofdstuk IV van de WW kan ontlenen, hangt in de eerste plaats af van het antwoord op de vraag of zij als een in dit artikellid bedoelde werknemer is aan te merken. Naar het oordeel van de Raad is daarvan geen sprake. Weliswaar heeft zij als nagelaten betrekking een recht op uitkering jegens de werkgever dat rechtstreeks uit de dienstbetrekking met [naam werknemer] voortvloeit, maar het betreft een eigen recht en niet een recht van de werknemer waarin zij als erfgename is getreden.

Overigens zou gedaagde, indien artikel 61, eerste lid, van de WW ook op de onderhavige situatie zou zien, geen recht op overname van de overlijdensuitkering aan Hoofdstuk IV van de WW kunnen ontlenen, nu de overlijdensuitkering niet valt toe te rekenen aan enige in artikel 64 van de WW genoemde periode.

Op grond van het vorenoverwogene is de Raad tot de slotsom gekomen dat appellant bij het bestreden besluit terecht heeft besloten dat de overlijdensuitkering niet voor overname in aanmerking komt, zij het op een onjuiste grond. Gelet daarop dient dat besluit te worden vernietigd, doch ziet de Raad aanleiding om de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand te laten.

De Raad acht termen aanwezig appellant te veroordelen in de kosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op € 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens de daarbij gegeven beslissing omtrent het griffierecht en de proceskosten;

Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Verstaat dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt appellant in de aan de zijde van gedaagde gevallen proceskosten in hoger beroep, begroot op € 322,--, te betalen door het Uwv.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2003.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

FB/12/8