Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1515

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2003
Datum publicatie
08-09-2003
Zaaknummer
02/2787 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Toepassing omgekeerde bewijslast komt niet aan de orde als het gaat om de vraag of verweerster op grond van nieuw ingebrachte (medische) gegevens had dienen te komen tot herziening van een eerder rechtens verbindend geworden non-causaliteits-oordeel.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 2, geldigheid: 2003-07-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/2787 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 22 april 2002, kenmerk JZ/I/70/2002/0258, ten aanzien van eiseres een besluit genomen betreffende toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te Den Haag, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift (met bijlage) is uiteengezet waarom eiseres het met het besluit niet eens is.

Verweerster heeft een verweerschrift met een nadere reactie van haar geneeskundig adviseur ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 mei 2003, waar voor eiseres is verschenen mr. Schenkhuizen, voornoemd. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiseres, die geboren is [in] 1943 te Bandung in het voormalige Nederlands-Indië, in maart 1997 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering als vervolgde op grond van de Wet. Hiertoe heeft eiseres aangevoerd nekklachten te hebben overgehouden aan hetgeen zij tijdens de Japanse bezetting in het voormalige Nederlands-Indië heeft meegemaakt.

Bij besluit van 31 oktober 1997 heeft verweerster aanvaard dat eiseres vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wet en dat zij voldoet aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats, maar is de aanvraag afgewezen omdat op grond van medisch onderzoek en ingewonnen medische informatie is geoordeeld dat haar nekklachten niet in verband staan met de vervolging die zij heeft ondergaan. Tegen dit besluit heeft eiseres geen bezwaar gemaakt.

In februari 2000 is namens eiseres verzocht het besluit van 31 oktober 1997 te herzien op de grond dat de nekklachten wel als causaal met de vervolging dienen te worden aangemerkt. Ter onderbouwing daarvan heeft eiseres verklaringen overgelegd van de haar behandelend neurochirurg dr. P.H.J.M. Elsenburg en van haar huisarts

E.B.C. Schenkels.

Bij besluit van 22 februari 2001 is het verzoek om herziening afgewezen, omdat op basis van de overgelegde gegevens niet is gebleken dat er sprake is van gewijzigde omstandig-heden en dat er mitsdien geen sprake is van ziekten of gebreken die voorvloeien uit de vervolging. Na daartegen gemaakt bezwaar, waarbij eiseres een rapport heeft overgelegd van de arts-anatoom dr. G.J.R. Maat, verbonden aan het Leids Universitair Medisch Centrum, heeft verweerster haar standpunt, in navolging van het advies van haar geneeskundig adviseur, de arts I.P.L. Koperberg, bij het thans bestreden besluit gehandhaafd.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een eerder gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Dit brengt mee dat de Raad heeft na te gaan of gezegd kan worden dat verweerster niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.

In beroep heeft eiseres het standpunt dat haar nekklachten door verweerster ten onrechte niet als causaal zijn aanvaard gehandhaafd, onder verwijzing naar een nadere reactie van dr. Maat, voornoemd, op het rapport van de geneeskundig adviseur I.P.L. Koperberg dat ten grondslag heeft gelegen aan het bestreden besluit. Nu met betrekking tot de oorzaak van de nekklachten een verschil van mening bestaat tussen deze artsen, hadden deze met toepassing van de omgekeerde bewijslast als causaal moeten worden aanvaard, aldus eiseres.

De Raad overweegt dat toepassing van de omgekeerde bewijslast, als namens eiseres bepleit, niet aan de orde komt in een geding als het onderhavige waarin het gaat om de vraag of verweerster op grond van nieuw ingebrachte (medische) gegevens had dienen te komen tot herziening van een eerder rechtens verbindend geworden non-causaliteits-oordeel.

De Raad heeft in de omtrent eiseres beschikbare ( medische) informatie geen aanknopingspunten gevonden om verweerster gehouden te achten terug te komen op haar eerder ingenomen standpunt dat een verband als door de Wet gevorderd tussen de bij eiseres aanwezige nekklachten en haar oorlogservaringen ontbreekt.

Eiseres, die een dergelijk verband wel aanwezig acht, heeft zich beroepen op de verklaringen van de neurochirurg Elsenburg en de huisarts Schenkels die een verband tussen de nekklachten van eiseres en haar oorlogservaringen niet kunnen uitsluiten, alsmede op het rapport van dr. Maat die een verband legt tussen de fysieke ontberingen van eiseres en het door groeistoornissen te nauw aangelegd wervelkanaal waardoor nekklachten ontstaan.

Het standpunt van verweerster berust op het advies van haar geneeskundig adviseur Koperberg, die bij zijn advisering de voorhanden historische en recente medische informatie omtrent eiseres heeft betrokken. Daarin wordt de oorzaak van de nekklachten van eiseres verklaard vanuit een aangeboren wervelkanaalstenose, waarbij ernstige degeneratieve afwijkingen het wervelkanaal nog verder vernauwd hebben. In het rapport van dr. Maat ziet de geneeskundig adviseur geen grond voor het aannemen van een verband tussen de ondervoeding en het ontstaan van de stenose.

Gelet op hetgeen van de zijde van eiseres bij haar verzoek om herziening en in bezwaar is aangevoerd, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat sprake is van feiten of omstandigheden die verweerster bij het nemen van het besluit van 31 oktober 1997 niet bekend waren, dan wel het besluit in een zodanig nieuw daglicht plaatsen dat verweerster gehouden was dat besluit te herzien.

Gezien het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2003.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) L. Jörg.

HD

06.06