Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1484

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2003
Datum publicatie
08-09-2003
Zaaknummer
02/1193 AOR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Welke grondslag dient bij de vaststelling en berekening van het garantiepensioen te worden gehanteerd?

Wetsverwijzingen
Garantiewet Surinaamse pensioenen 1, geldigheid: 2003-05-15
Garantiewet Surinaamse pensioenen 2, geldigheid: 2003-05-15
Garantiewet Surinaamse pensioenen 1, geldigheid: 2003-05-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/1193 AOR

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indische Pensioenen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden heeft mr. R.H. Komproe, advocaat te Amsterdam, namens appellante hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2001, nr. AWB 00/172, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Nadien hebben partijen nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 april 2003. Aldaar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Komproe, voornoemd. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F.M.H. Kok en door R.W.P. Permentier, beiden werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

II. MOTIVERING

Ten aanzien van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad, onder verwijzing voor het overige naar de rubriek "Ontstaan en loop van het geding" van de aangevallen uitspraak, met het volgende.

Bij besluit van 27 december 2000 heeft gedaagde aan appellante, als nabestaande van [naam nabestaande], met ingang van 1 november 1998 een pensioen toegekend ingevolge de Garantiewet Surinaamse Pensioenen (hierna: de Wet). Bij besluit van 5 februari 2001 heeft gedaagde op basis van het besluit van 27 december 2000 het garantiepensioen van appellante over de periode van 1 november 1998 tot 1 februari 2001 vastgesteld op een netto bedrag van f 9.743,08. Het door appellante tegen beide besluiten ingediende bezwaar, dat gericht was tegen de grondslag waarnaar het pensioen is berekend, is vervolgens bij besluit van 6 maart 2001 ongegrond verklaard.

Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Het hoger beroep richt zich, evenals het beroep in eerste aanleg, in hoofdzaak tegen de door gedaagde gehanteerde grondslag bij de vaststelling en berekening van het aan appellante toegekende garantiepensioen. Appellante heeft met name doen aanvoeren dat daarbij alle pensioenaanspraken dienen te worden meegewogen die tot 1 mei 1985 zijn opgebouwd en ter zake waarvan ook de pensioenpremies op het salaris tot april 1985 zijn ingehouden, terwijl voorts wordt gesteld dat gedaagde in dit verband gelijke gevallen niet steeds op dezelfde wijze heeft behandeld.

De Raad kan zich met de in de aangevallen uitspraak gegeven overwegingen en het daarin neergelegde oordeel van de rechtbank verenigen en voegt daaraan nog het volgende toe.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit het samenstel van de artikelen 1 en 2 van de Wet volgt dat een garantiepensioen slechts kan worden toegekend aan de gewezen ambtenaar die al op 1 mei 1985 aanspraak had op een Surinaams pensioen en zich eveneens vóór die datum in Nederland had gevestigd. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 19 december 2002 (nr. 00/1154 AOR) wordt, voorzover al op grond van de letterlijke tekst van die bepalingen nog enige twijfel zou kunnen bestaan over de vraag of het in artikel 1, onder e, van de Wet neergelegde begrip "aanspraak hebben op een Surinaams pensioen" moet worden uitgelegd als "met pensioen gegaan zijn", die twijfel door kennisneming van de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet geheel weggenomen. Uit die geschiedenis (kamerstukken II, 1992-93, 23 092, nr. 3) blijkt naar 's-Raads oordeel zonneklaar dat met de Wet beoogd is een voorziening te treffen voor de groep van Surinaams gepensioneerden die zich vóór 1 mei 1985 - de datum vanaf welke haperingen in de pensioenbetaling vanuit Suriname zijn opgetreden - in Nederland had gevestigd.

Vaststaat dat aan wijlen de echtgenoot van appellante met ingang van 1 februari 1972 een pensioen is toegekend op grond van de in Suriname van kracht zijnde Ambtenarenpen-sioenverordening 1972 en dat appellante, met toepassing van de Wet, als nabestaande en rechthebbende moet worden aangemerkt omdat zij zich reeds voor 1 mei 1985 blijvend in Nederland heeft gevestigd. Op grond van de diensttijd van wijlen de echtgenoot van appellante ná 1 februari 1972 kan zij evenwel niet als rechthebbende op grond van artikel 1 van de Wet worden aangemerkt omdat wijlen haar echtgenoot op 1 mei 1985 nog werkzaam was en toen nog geen aanspraak had op een pensioen waarin zijn diensttijd vanaf 1 maart 1972 tot 31 december 1988 met pensioen werd vergolden. Nu de aanspraak op pensioen over deze periode eerst is ontstaan op het moment van ontslag per 1 januari 1989 kan deze - ook wat betreft de diensttijd tot 1 mei 1985 - voor toepassing van de Wet niet in aanmerking worden genomen.

Ten aanzien van het door appellante met name genoemde geval, waarbij beweerdelijk sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel, overweegt de Raad dat deze grief reeds daarom niet kan slagen nu het in die zaak - anders dan hier in geding - geen Surinaams weduwenpensioen als nabestaande betreft, maar een eigen pensioen van een weduwe die daarop een zelfstandig recht kan doen gelden.

In hetgeen appellante overigens in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin gronden die kunnen leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

01.05