Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2003
Datum publicatie
08-09-2003
Zaaknummer
02/3724 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Uitleg en aanvaardbaarheid vaste gedragslijn inzake gelijkstelling met de vervolgde bij overlijden van de ouder ten gevolge van de vervolging.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/3724 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 28 juni 2002, kenmerk JZ/M60/2002/0438, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, als gemachtigde van eiseres beroep ingesteld bij de Raad. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 10 april 2003. Aldaar is eiseres verschenen bij haar gemachtigde mr. J.C.M. van Berkel voornoemd. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

In mei 2001 heeft eiseres, die op 7 oktober 1932 geboren is in het voormalige Nederlands-Indië, verweerster verzocht om haar met toepassing van de in artikel 3, tweede lid, van de Wet neergelegde anti-hardheidsbepaling gelijk te stellen met de vervolgde. Eiseres heeft dit verzoek in het bijzonder gebaseerd op de stelling dat haar vader in 1955 overleden is aan de gevolgen van tuberculose die hij heeft opgelopen tijdens een gevangenschap gedurende de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië.

Bij besluit van 28 december 2001, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster afwijzend beslist op het gelijkstellingsverzoek van eiseres.

In beroep heeft eiseres hiertegen doen aanvoeren dat verweerster ten onrechte heeft geweigerd om eiseres met de vervolgde gelijk te stellen, aangezien in het jaarverslag van de Pensioen- en Uitkeringsraad over 1999 is bekendgemaakt dat er nader beleid is vastgesteld dat inhoudt dat er aanleiding kan zijn om de anti-hardheidsbepaling toe te passen indien de ouder van een aanvrager, die tot het moment van wegvoering in gezinsverband met de aanvrager leefde, ten gevolge van de vervolging is omgekomen.

De Raad dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster, voor zover hier van belang, bevoegd om met de vervolgde gelijk te stellen de persoon die voldoet aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid, en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomsten vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Het gaat hierbij om een zogenoemde discretionaire bevoegdheid van verweerster, wat betekent dat de Raad het bestreden besluit terughoudend dient te toetsen en zich moet beperken tot het geven van antwoord op de vraag of verweerster in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van haar hiervoor omschreven bevoegdheid gebruik te maken dan wel daarbij in strijd is gekomen met hetzij een geschreven of ongeschreven rechtsregel hetzij een algemeen rechtsbeginsel.

Verweerster heeft in het kader van de haar bij artikel 3, tweede lid, van de Wet gegeven discretionaire bevoegdheid een vaste gedragslijn ontwikkeld die inhoudt dat er aanleiding kan zijn om met toepassing van de anti-hardheidsbepaling tot gelijkstelling over te gaan, indien de ouder van een aanvrager, die tot het moment van wegvoering in gezinsverband met de aanvrager leefde, ten gevolge van de vervolging is omgekomen.

Verweerster heeft verder aangegeven dat uitsluitend op grond van voormelde gedragslijn tot gelijkstelling met de vervolgde wordt overgegaan indien een ouder van de aanvrager tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 ten gevolge van de vervolging is omgekomen, en dus niet indien een ouder na de oorlogsjaren is overleden ten gevolge van een door de vervolging veroorzaakte ziekte; in dat laatste geval ontbreekt het vereiste onmiddellijke verband tussen de vervolging en het overlijden van de ouder.

De Raad is van oordeel dat voormelde gedragslijn en de toepassing die verweerster in het onderhavige geval daaraan gegeven heeft het wettelijke kader niet te buiten gaat en niet onredelijk is. De Raad acht daarbij de weigering om eiseres met de vervolgde gelijk te stellen niet in tegenspraak met de weergave van de aangehaalde gedragslijn in het jaarverslag van de Pensioen- en Uitkeringsraad over 1999, die overigens moet worden bezien in samenhang met eerdere bekendmakingen inzake de terughoudende toepassing van de anti-hardheidsbepaling.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiseres niet slaagt.

De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2003.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) A. Kovács.

HD

13.05