Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2003
Datum publicatie
08-09-2003
Zaaknummer
01/2201 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Toekenning vergoeding zonder blijk van voorlopige karakter. Houdbaarheid terugvordering wegens onverschuldigde betaling zonder vermelding wettelijk voorschrift.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:47
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 59
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 61
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 61a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/2201 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 28 februari 2001, kenmerk JZ/U80/2001/0170, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 - 1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. A.C.L.M. Oomen, advocaat te Den Haag, op in het beroepschrift aangegeven gronden namens eiser beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend en nader nog een stuk ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 24 januari 2003. Eiser is in persoon verschenen met bijstand van mr. Oomen voornoemd. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1940, erkend als vervolgde in de zin van de Wet en uitkerings-gerechtigde, heeft in januari 1999 bij verweerster een (vervolg-)aanvraag ingediend om vergoeding van de kosten van aanschaf van een auto.

Bij besluit van 31 mei 1999 heeft verweerster die aanvraag in zoverre ingewilligd dat aan eiser per 1 januari 1999 met toepassing van artikel 20 van de Wet een vergoeding is toegekend van ten hoogste f 17.500,--.

Op 29 juni 1999 heeft eiser een koopovereenkomst met [naam autobedrijf] te Den Haag, gedateerd 28 juni 1999 en ten bedrage van f 18.400,--, aan verweerster overgelegd. Deze overeenkomst heeft betrekking op een gebruikte Renault Trafic T318 bestelwagen met kenteken [kenteken]. Vervolgens heeft verweerster op 20 juli 1999

f 17.500,-- overgemaakt op een door eiser opgegeven bankrekening.

Bij besluit van 17 augustus 2000, zoals na bezwaar van eiser gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster f 17.500,-- van eiser teruggevorderd. Daartoe heeft verweerster het volgende overwogen. Het gaat om een voorschot. Eiser kon als voorzitter van de [naam Stichting] - op wier naam het kenteken van de auto sinds 13 mei 1997 staat - altijd al over de auto beschikken. De auto is nimmer aan eiser overgedragen. Niet is gebleken wie de auto in eigendom heeft noch wie de auto heeft geleverd. Op grond van de beschikbare gegevens is onvoldoende aannemelijk dat eiser als privé-persoon de auto heeft gekocht. Eiser heeft derhalve niet voldaan aan het criterium dat hij wat de aanschaf van de auto betreft ten laste van hem blijvende extra kosten heeft gemaakt. Daarom wordt het voorschot niet omgezet in een definitieve betaling en het gevolg daarvan is dat het voorschot moet worden aangemerkt als onverschuldigde betaling.

In beroep is namens eiser - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Voormeld garagebedrijf is eigenaar van de auto (een voor het vervoer van invaliden ingerichte bestelwagen) gebleven, omdat (eiser als voorzitter van) de [naam Stichting] de auto op afbetaling had gekocht doch niet heeft afbetaald. Het kenteken van de auto is na die koop op 13 mei 1997 op naam van die stichting gesteld ter verkrijging van vrijstelling van wegenbelasting. Eiser heeft de auto van het garagebedrijf gekocht enerzijds om de stichting met gebruikmaking van de van verweerster te verkrijgen vergoeding te verlossen van haar restschuld aan het garagebedrijf, anderzijds om het vervoer van invaliden met die auto te kunnen voortzetten. Nadat eiser aan het garagebedrijf de restschuld had betaald en het garagebedrijf de auto aan hem had geleverd, is eiser eigenaar van de auto geworden, maar heeft eiser in de tenaamstelling van het kenteken geen wijziging gebracht om de vrijstelling van wegenbelasting te kunnen behouden.

De Raad staat voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 3:47, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) dient bij de bekendmaking van een besluit zo mogelijk te worden vermeld krachtens welk wettelijk voorschrift het besluit wordt genomen.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Wet kan verweerster, indien de beschikbare gegevens de definitieve vaststelling van de vergoeding nog niet mogelijk maken, in afwachting van de toereikende gegevens de vergoeding voorlopig vaststellen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel herziet verweerster zo nodig haar oorspronkelijke beschikking, indien de toereikende gegevens bekend zijn, en wordt hetgeen teveel werd uitbetaald teruggevorderd of verrekend.

Ingevolge artikel 61 van de Wet kan verweerster een beschikking in het nadeel van de betrokkene herzien op grond van gebleken onjuistheid van aan die beschikking ten grondslag gelegde feiten, dan wel op grond van gegevens die niet bekend waren ten tijde van het nemen van die beschikking en die, zo zij wel bekend waren geweest, tot een andersluidende beschikking zouden hebben geleid. In artikel 61a van de Wet is vervolgens terzake een specifieke terugvorderingsbepaling opgenomen.

In het hiervoor vermelde besluit van 31 mei 1999, noch in de dat besluit begeleidende brief van gelijke datum heeft verweerster er op enigerlei wijze blijk van gegeven dat het bij de toekenning van de vergoeding met toepassing van artikel 20 van de Wet gaat om een voorlopige vaststelling krachtens artikel 59 van de Wet.

In het thans bestreden besluit is evenmin vermeld op welk wettelijk voorschrift de daarin vervatte terugvordering berust. De vermelding dat het in deze gaat om een onverschuldig-de betaling kan de Raad niet zonder nadere juridische toelichting - die noch in het bestreden besluit noch, desgevraagd, ter zitting van de Raad is gegeven - terugvoeren op enige bepaling uit de Wet, gegeven ook het toekenningsbesluit van 31 mei 1999. Niet is in te zien dat het voor verweerster niet mogelijk was te vermelden krachtens welk wettelijk voorschrift zij het besluit van 31 mei 1999 heeft genomen. Dusdoende en

-latende heeft verweerster gehandeld in strijd met artikel 3:47, tweede lid, en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en wel zódanig dat niet kan worden vastgesteld op welke juridische, aan de Wet ontleende grondslag het bestreden besluit berust. Dit besluit kan deswege niet in rechte standhouden.

Aangezien voorts termen aanwezig zijn verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van _ 644,-aan kosten van rechtsbijstand en van andere kosten aan de kant van eiser niet is gebleken, beslist de Raad als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser tot een bedrag van _ 644,--, door de Pensioen- en Uitkeringsraad te betalen aan eiser.

Bepaalt dat het betaalde griffierecht ad _ 27,23 door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser dient te worden vergoed.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en

mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) C. Dierdorp.

HD

18.02