Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1425

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2003
Datum publicatie
08-09-2003
Zaaknummer
01/3039 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Gelet op de Procesregeling van de Raad wordt een verzoek om uitstel dat is ingediend binnen drie weken voor de zitting afgewezen, tenzij sprake is van een overmachtsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/3039 WUV

U I T S P R A A K

In het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 27 april 2001, kenmerk JZ/R60/2001/0347, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Namens eiser heeft prof. mr. H. Loonstein, advocaat te Amsterdam, als zijn gemachtigde tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld op de in een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 3 april 2003. Eiser is daar niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Op 2 april 2003 om 18.22 uur is bij de Raad een faxbericht binnengekomen waarbij de gemachtigde van eiser heeft verzocht om uitstel van de behandeling van de zaak omdat zijn cliƫnt de zitting niet zou kunnen bijwonen.

De Raad heeft dit verzoek afgewezen op grond van de volgende overwegingen.

Kennelijk ter motivering van het verzoek was gevoegd een schrijven van eisers huisarts van diezelfde datum waaruit blijkt dat eiser zich die dag tot hem had gewend met het verzoek om een medische verklaring teneinde op 3 april 2003 niet ter zitting te hoeven verschijnen omdat hij niet kon worden geconfronteerd met zijn verleden. Eiser zou niet eerder hebben geweten dat de zaak op 3 april 2003 zou dienen. De huisarts heeft bericht op grond van de voor hem geldende regels geen verklaring te kunnen afgeven.

De Raad heeft bij schrijven van 27 februari 2003 aan eisers gemachtigde bericht dat behandeling van dit geding zou plaats vinden op 3 april 2003 en hem uitgenodigd ter zitting aanwezig te zijn onder mededeling dat er geen verplichting was om te verschijnen.

Zoals inmiddels is vastgelegd in artikel 20, tweede lid, van de in december 2001 bekend gemaakte Procesregeling van de Raad hanteert de Raad de regel dat een verzoek om uitstel zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodiging voor de zitting moet worden ingediend en wordt een verzoek dat is ingediend binnen drie weken voor de zitting afgewezen, tenzij sprake is van een overmachtsituatie. Aangezien niet is gebleken van enige verhindering voor eisers gemachtigde om de zitting bij te wonen, kan van een overmachtsituatie als bedoeld in deze bepaling geen sprake worden geacht. Aangezien voorts de aanwezigheid van eiser of zijn gemachtigde, naar het oordeel van de Raad, voor een goede behandeling van de zaak niet noodzakelijk is, heeft de Raad derhalve het verzoek om uitstel niet ingewilligd.

Met betrekking tot de zaak ten gronde overweegt de Raad het volgende.

Eiser, geboren in 1931, heeft in februari 1978 bij verweersters rechtsvoorganger een aanvraag ingediend om als vervolgde in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 26 maart 1981 op de grond dat niet is gebleken dat eiser vervolging heeft ondergaan als bedoeld in artikel 2 van de Wet en evenmin is gebleken van redenen eiser met de vervolgde gelijk te stellen. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend.

In augustus 1994 heeft eiser zich tot verweerster gewend met wederom het verzoek hem als vervolgde een periodieke uitkering in het kader van de Wet toe te kennen. Deze als verzoek om herziening aangemerkte aanvraag is bij besluit van 9 november 1994 afgewezen op de grond dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. Ook tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt.

In augustus 2000 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend om een periodieke uitkering ingevolge de Wet onder vermelding dat er nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen.

In verband daarmee heeft verweerster op dringend verzoek van eiser een sociaal rapport doen opstellen.

Bij besluit van 14 december 2000, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster op basis van de reeds bij haar aanwezige gegevens en gelet op bovengenoemd sociaal rapport eisers aanvraag afgewezen. Verweerster heeft daarbij overwogen dat er geen relevante nieuwe feiten of gegevens zijn gebleken, zodat er geen redenen zijn haar eerder gegeven besluit van 26 maart 1981 te herzien.

Eiser heeft in beroep doen aanvoeren dat hij van mening blijft dat hij vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan, althans dat er redenen zijn om hem met de vervolgde gelijk te stellen. Daartoe stelt hij dat zijn beide ouders Joods waren en vervolgd zijn, dat hij een ster heeft moeten dragen en dat hij heeft moeten onderduiken. Zijns inziens heeft verweerster haar besluit om eisers verzoek af te wijzen onvoldoende gemotiveerd.

De Raad staat voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

De Raad stelt allereerst vast dat eiser zich bij het besluit van verweersters rechts-voorganger van 26 maart 1981 heeft neergelegd en dat hij ook tegen verweersters besluit van 9 november 1994 geen bezwaar heeft gemaakt. Deze besluiten zijn dan ook in rechte onaantastbaar geworden.

Het geding betreft derhalve een verzoek om herziening aan verweerster teneinde alsnog als vervolgde te worden erkend dan wel op basis van gelijkstelling met de vervolgde in het genot te worden gesteld van een uitkering.

Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd een eerder genomen beslissing ten voordele van de betrokkene te herzien. Aangezien deze bevoegdheid discretionair van aard is, kan de Raad een op basis van die bevoegdheid genomen beslissing slechts met terughoudendheid toetsen en in een geval als dit temeer nu het hier een herhaald verzoek om herziening betreft.

Dit betekent dat de Raad slechts ter beoordeling kan staan of verweerster niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar afwijzende beslissing dan wel daarbij in strijd is gekomen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel algemeen rechtsbeginsel.

Het bestreden besluit kan deze door de Raad aan te houden toetsing doorstaan.

Uit de gedingstukken blijkt dat reeds naar aanleiding van eisers eerste aanvraag is vastgesteld dat hij als kind uit een gemengd huwelijk, waarin de moeder de joodse partner was en de vader niet joods, niet sterplichtig was, dat zijn tijdelijk verblijf bij een vrouwelijke heilsoldate niet als onderduik kon worden aangemerkt en dat de omstandigheden, waaronder hij de oorlog heeft doorgebracht, niet zodanig verschillend waren van die van andere kinderen uit gemengde huwelijken dat er gesproken kan worden van traumatische gebeurtenissen op grond waarvan hij gelijk gesteld zou moeten worden met de vervolgde. In dit verband heeft verweersters rechtsvoorganger vastgesteld dat er veeleer sprake was van een chaotische situatie voor eiser als gevolg van het door de scheiding van zijn ouders reeds voor de oorlog uiteenvallen van het ouderlijk gezin. Voor eisers in het sociaal rapport weergegeven relaas dat hij een tijd bij zijn grootouders van moeders zijde zou hebben gewoond en samen met hen zou zijn opgepakt maar aan deportatie is ontkomen, is in de ter beschikking staande gegevens van onder meer het bevolkingsregister van Amsterdam geen ondersteuning te vinden.

De Raad stelt vast dat door of namens eiser zowel bij het onderhavige herzieningsverzoek als in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht, die verweerster tot het besluit hadden moeten brengen eiser alsnog als vervolgde te erkennen of met de vervolgde gelijk te stellen. Ook in beroep wordt door de gemachtigde van eiser slechts gesteld dat er sprake was van vervolging van beide ouders en dat eiser ook zelf maatregelen van de kant van de bezetter heeft ondergaan. Enig bewijs daarvoor wordt niet geleverd.

Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat verweerster niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot een afwijzing van eisers verzoek om herziening.

Het vorenstaande brengt mee dat het namens eiser ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

01.05