Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1365

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2003
Datum publicatie
26-08-2003
Zaaknummer
02/238 AKW e.a.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Was betrokkene vóór het overlijden van haar echtgenoot verzekerd voor de volksverzekeringen? Is sprake van discriminatie naar nationaliteit als appellante niet als verzekerde zou worden aangemerkt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/238, 03/1348 en 03/1350 AKW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], Marokko, appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellante heeft mr. J.H.M. Nijhuis, advocaat te Rotterdam, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 juni 2003, waar appellante niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. MOTIVERING

Appellante woont in Marokko. Sinds 1 oktober 1995 ontvangt zij een weduwenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), dat met ingang van 1 juli 1996 van rechtswege is omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw).

Bij besluit van 31 oktober 1997 heeft gedaagde aan appellante kinderbijslag geweigerd over het vierde kwartaal van 1995 tot en met het vierde kwartaal van 1997, omdat appellante niet verzekerd was ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daarbij onder meer aangevoerd dat uitsluiting van de verzekering in haar geval een onevenredige of onbillijke hardheid zou betekenen. Gedaagde heeft dit bezwaar bij besluit van 14 mei 1998 niet-ontvankelijk verklaard, welk besluit door de rechtbank is vernietigd. Gedaagde heeft vervolgens op 2 maart 2000 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar van appellante ongegrond is verklaard (besluit 1).

Appellante heeft beroep ingesteld tegen besluit 1 en daarbij gesteld dat gedaagde alvorens besluit 1 te nemen ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden, dat zij verzekerd is krachtens de volksverzekeringen op grond van haar weduwenpensioen respectievelijk nabestaandenuitkering, en dat gedaagde ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 25, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1989, Stb. 1989, 164 (KB 164), om in geval van onbillijkheden van overwegende aard af te wijken van artikel 8 van KB 164.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de rechtbank het onderzoek geschorst teneinde gedaagde in de gelegenheid te stellen alsnog een besluit af te geven inzake toepassing van artikel 25, eerste lid, van KB 164 en zich uit te spreken over een mogelijk aan de verzekering van de overleden echtgenoot van appellante te ontlenen recht op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1995.

Bij primair besluit van 14 maart 2001 heeft gedaagde het verzoek van appellante om met toepassing van artikel 24 van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1999, Stb. 1998, 746 (KB 746) en, voorzover het gaat om tijdvakken voor 1 januari 1999, artikel 25 van KB 164, als verzekerde ingevolge de volksverzekeringen te worden aangemerkt, afgewezen.

Na appellante te hebben gehoord heeft gedaagde bij besluit van 29 mei 2001 (besluit 2), naar kennelijk is beoogd onder intrekking van besluit 1, het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 1997 ongegrond verklaard en daarbij opgemerkt dat over het vierde kwartaal van 1995 alsnog kinderbijslag zou worden uitbetaald op basis van de verzekering van wijlen de echtgenoot van appellante. Ten slotte heeft gedaagde bij besluit van 31 mei 2001 (besluit 3) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 maart 2001 ongegrond verklaard onder de overweging dat er geen ruimte is voor toepassing van de hardheidsbepaling nu het niet-verzekerd zijn van appellante een gevolg is van de wettelijke hoofdregels en niet van de toepassing van enig artikel van KB 746.

De rechtbank heeft besluit 3 opgevat als een aanvulling op besluit 2, en het beroep van appellante op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het aldus aangevulde besluit 2. Zij heeft het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard onder veroordeling van gedaagde in de proceskosten van appellante en onder bepaling dat gedaagde het griffierecht aan appellante dient te vergoeden. Het beroep tegen het aangevulde besluit 2 is ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante doen aanvoeren dat zij moet worden geacht vóór het overlijden van haar echtgenoot samen met hem verzekerd te zijn geweest. Er zou sprake zijn van discriminatie naar nationaliteit als appellante niet als verzekerde zou worden aangemerkt.

De Raad overweegt als volgt.

Gedaagde heeft besluit 1 genomen zonder appellante vooraf in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Kennelijk is gedaagde in de loop van de procedure bij de rechtbank tot het oordeel gekomen dat er geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 7:3 van de Awb, waarin van horen kan worden afgezien. Er was derhalve sprake van een onherstelbaar verzuim bij de voorbereiding van besluit 1. Gedaagde heeft zich dan ook op goede gronden bevoegd geacht, na appellante alsnog te hebben gehoord, onder intrekking van besluit 1 een nieuw besluit af te geven waaraan, voorzover het de aanspraak van appellante op kinderbijslag betreft, gelijke rechtsgevolgen zijn verbonden als aan besluit 1. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen besluit 1 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb terecht geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2. Omdat appellante geen belang meer had bij haar beroep tegen het inmiddels ingetrokken besluit 1 heeft de rechtbank het beroep tegen dat besluit op goede gronden niet-ontvankelijk geacht.

Anders dan de rechtbank meent de Raad dat het beroep tegen besluit 1 niet mede kan worden geacht te zijn gericht tegen besluit 3, nu besluit 3 geen besluit is als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Besluit 1 betreft de aanspraak van appellante op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1995 tot en met het vierde kwartaal van 1997. Besluit 3 handelt over de verzekering van appellante krachtens alle volksverzekerings-wetten tot (ten minste) 14 maart 2001. Hoewel het oordeel van gedaagde over de verzekeringspositie van appellante krachtens de AKW ten grondslag ligt aan besluit 1, is er naar het oordeel van de Raad toch een zodanig verschil in de strekking en reikwijdte van beide besluiten dat besluit 1 niet kan worden geacht bij besluit 3 (al dan niet gelezen als een aanvulling op besluit 2) te zijn gewijzigd of ingetrokken in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Nu de gemachtigde van appellante besluit 3 echter binnen de beroepstermijn aan de rechtbank heeft toegezonden met het verzoek dit op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb in het geding te betrekken, heeft appellante tijdig beroep tegen dit besluit ingesteld, welk afzonderlijk beroep moet worden geacht door de rechtbank ongegrond te zijn verklaard.

De Raad dient derhalve de vraag te beantwoorden of gedaagde bij besluit 2 terecht kinderbijslag aan appellante heeft geweigerd over het vierde kwartaal van 1995 tot en met het vierde kwartaal van 1997, en of gedaagde bij besluit 3 op goede gronden heeft geweigerd toepassing te geven aan artikel 25 van KB 164 en artikel 24 van KB 746.

De Raad is met de rechtbank en op de door haar aangegeven gronden van oordeel dat appellante ten tijde hier in geding niet verzekerd was krachtens de AKW.

De Raad kan het oordeel van de rechtbank waar het gaat om de toepassing van artikel 25 van KB 164 echter niet onderschrijven. De rechtbank heeft geoordeeld dat toepassing van artikel 25 van KB 164 niet mogelijk is nu appellante niet op grond van een bepaling van KB 164 van de verzekering is uitgesloten. Zoals de Raad evenwel reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 9 september 1998, RSV 1999/29, kan toepassing van artikel 25 van KB 164 evenzeer aan de orde zijn bij de vraag of een persoon wèl voldoet aan de voorwaarden voor uitbreiding of beperking, als bij de vraag of hij, op grond van de nadere clausulering van die voorwaarden, daaraan niet voldoet. De Raad ziet geen aanleiding om met betrekking tot artikel 24 van KB 746 een andere opvatting te huldigen.

In het onderhavige geval acht gedaagde appellante niet verzekerd op grond van artikel 8, tweede lid, van KB 164, respectievelijk artikel 26, tweede lid, zoals dit luidde voor 1 januari 2000, en artikel 27, eerste lid, van KB 746, omdat zij niet voldoet aan de in eerstgenoemde artikelleden opgenomen nadere voorwaarde dat zij direct voorafgaande aan de ontvangst van het weduwenpensioen respectievelijk de nabestaandenuitkering verplicht verzekerd is geweest. Gedaagde heeft zich derhalve ten onrechte niet bevoegd geacht om toepassing te geven aan de artikelen 25 van KB 164 en 24 van KB 746. Besluit 3 komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Nu het hier gaat om een discretionaire bevoegdheid zal gedaagde zich inhoudelijk dienen te beraden over de vraag of toepassing van genoemde nadere voorwaarde in casu leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, en of er termen aanwezig zijn om van deze nadere voorwaarde af te wijken. De Raad ziet voorshands overigens weinig aanleiding voor het oordeel dat een weigering tot toepassing van artikel 25 van KB 164 en artikel 24 van KB 746 de beperkte rechterlijke toetsing niet zal kunnen doorstaan.

Namens appellante is reeds tijdens de eerste bezwaarprocedure betreffende het besluit van 31 oktober 1997 tot weigering van kinderbijslag, gesteld dat uitsluiting van de verzekering in haar geval een onevenredige of onbillijke hardheid zou betekenen. Onder die omstandigheden vereist de zorgvuldige voorbereiding van het besluit op dit bezwaar, dat dit niet wordt genomen voordat gedaagde op correcte wijze een besluit heeft genomen over toepassing van artikel 25 van KB 164. Nu gedaagde zich ten onrechte onbevoegd heeft geacht tot toepassing van de deze bepaling, en zich dus nog geen inhoudelijk oordeel heeft gevormd over de vraag of er termen aanwezig zijn voor de toepassing daarvan, is aan deze voorwaarde niet voldaan. Besluit 2 moet om die reden worden geacht niet met de vereiste zorgvuldigheid te zijn voorbereid, zodat ook dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

Gelet op het vorenstaande moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd voorzover deze betrekking heeft op de besluiten 2 en 3. Voor het overige zal de Raad de aangevallen uitspraak bevestigen. Gedaagde dient nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op besluit 2 en besluit 3;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart de inleidende beroepen tegen besluit 2 en besluit 3 gegrond en vernietigt deze besluiten;

Bepaalt dat gedaagde nadere besluiten zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,= te betalen door de Sociale verzekeringsbank;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde recht van € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2003.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) T.R.H. van Roekel.