Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1360

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2003
Datum publicatie
26-08-2003
Zaaknummer
01/499 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is de heffing van de gedifferentieerde premie voor de WAO als "criminal charge" dan wel als "determination of civil obligation" in de zin van artikel 6 EVRM aan te merken? Is het bepaalde in artikel 87e van de WAO in dit geval in strijd met 6 EVRM ?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 78
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/279
RSV 2003, 232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/499 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[naam B.V.], gevestigd te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 15 december 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van

24 november 1999, waarbij aan appellante is medegedeeld dat de gedifferentieerde premie voor de Wet op de arbeids- ongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2000 3,31% bedraagt.

De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 1 december 2000 het namens appellante tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. drs. A.B. van Els, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift van 29 mei 2001 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 6 augustus 2001 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 april 2003 waar voor appellante is verschenen

[naam directeur], directeur van appellante, bijgestaan door mr. drs. A.B. van Els, voornoemd. Gedaagde is bij die gelegenheid niet verschenen.

II. MOTIVERING

Zoals onder Rubriek I van deze uitspraak is vermeld, heeft gedaagde bij het bestreden besluit van 15 december 1999 het standpunt gehandhaafd dat voor appellante de gedifferentieerde premie voor de WAO voor het premiejaar 2000 3,31% bedraagt. De hoogte van deze gedifferentieerde premie is blijkens de gedingstukken gebaseerd op de in het jaar 1998 ten behoeve van [naam (ex-)werknemer] (hierna: de (ex-)werknemer), die op de eerste ziektedag, 14 oktober 1997, bij appellante in dienst was, betaalde uitkering ingevolge de WAO.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de (ex-)werknemer op de eerste ziektedag tot appellante in dienstbetrekking stond. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de (ex-)werknemer weliswaar op 12 september 1997 door appelante op non-actief is gesteld, maar dat de arbeidsovereenkomst eerst met ingang van 22 oktober 1997 door de kantonrechter is ontbonden. Gelet hierop was gedaagde naar het oordeel van de rechtbank ingevolge artikel 78 van de WAO juncto artikel 4, vijfde lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO gehouden om de aan de (ex-)werknemer toegekende WAO-uitkering bij de berekening van de gedifferentieerde premie voor appellante in aanmerking te nemen.

Voorts heeft de rechtbank appellante niet gevolgd in haar stelling dat in haar geval sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel doordat gedaagde appellante onjuist heeft geïnformeerd naar aanleiding van de brief van 1 oktober 1998, waarbij aan appellante als medebelanghebbende de mogelijkheid is geboden om bezwaar te maken tegen de toekenning van vermelde WAO-uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank is uit niets komen vast te staan dat in dezen sprake is van een onvoorwaardelijke ongeclausuleerde toezegging van een daartoe bevoegd orgaan op grond waarvan de wettelijke bepaling door gedaagde buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Het beroep namens appellante - eerst ter zitting van de rechtbank - op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) heeft de rechtbank in strijd een behoorlijke procesorde geacht en om die reden verworpen.

Appellante kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank en heeft in hoger beroep aangevoerd dat het bestreden besluit is aan te merken als een "criminal charge" waarop artikel 6 EVRM van toepassing is. Ter ondersteuning van dit standpunt wijst appellante erop dat zij een kleine werkgever is, die (mede) door de schorsing c.q. het ontslag van de (ex-)werknemer geen invloed heeft kunnen uitoefenen op zijn reïntegratie. Zij ervaart de naar haar oordeel zeer hoge gedifferentieerde premie als een punitieve sanctie. Gelet op het voorgaande heeft de gedifferentieerde premie volgens appellante geen generiek karakter en werkt deze uit als een boete. Derhalve is appellante van oordeel dat zij in het kader van het premiedifferentiatiebesluit analoog aan het beleid, zoals is neergelegd in mededeling M 99.019 van gedaagde, in de gelegenheid moet worden gesteld om bezwaar aan te tekenen tegen het besluit, waarbij aan de (ex-)werknemer een WAO-uitkering is toegekend.

Gedaagde heeft zich in hoger beroep verweerd met het standpunt dat zeker bij een verzekering met een bepaald eigen risico, zoals de premiedifferentiatieregeling in feite is, in het recht op allerlei plaatsen voor een belanghebbende ongunstige rechtsgevolgen worden verbonden aan bepaalde feitelijke vaststellingen. Naar het oordeel van gedaagde brengt de omstandigheid dat appellante door middel van een premieverhoging een deel van het verzekerd risico dient te dragen dan ook niet mee dat die verhoging als "criminal charge" kan worden gekwalificeerd. De hoogte van het hiermee gemoeide bedrag maakt dit volgens gedaagde niet anders.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 15 februari 1995, gepubliceerd in RSV 1996/214, heeft gedaagde nog opgemerkt dat de Raad ook de malus niet als "criminal charge" heeft aangemerkt.

Vervolgens heeft gedaagde er nogmaals op gewezen dat appellante in de gelegenheid is gesteld om als mede- belanghebbende bezwaar te maken tegen het besluit van 1 oktober 1998, waarbij aan de (ex-)werknemer de WAO-uitkering is toegekend. Dat appellante meende dat, nu de (ex-)werknemer niet meer bij haar in dienst was, de toekenning van de WAO-uitkering voor haar niet van belang was, dient volgens gedaagde voor haar rekening te blijven.

Ten aanzien van het voorafgaande overweegt de Raad als volgt.

Allereerst merkt de Raad op dat het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de grief van appellante dat het bepaalde in artikel 87e van de WAO in haar geval in strijd is met artikel 6 EVRM, uit een het oogpunt van een behoorlijke procesvoering buiten beschouwing dient te worden gelaten, geen zodanige doorwerking heeft in de procedure in hoger beroep dat een inhoudelijke beoordeling van deze grief in hoger beroep op voorhand niet meer mogelijk zou zijn.

Met betrekking tot de vraag of de heffing van de gedifferentieerde premie voor de WAO als "criminal charge" dan wel als "determination of civil obligation" in de zin van artikel 6 EVRM dient te worden aangemerkt, overweegt de Raad het volgende.

Zoals de Raad reeds heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 20 juli 2001, gepubliceerd in USZ 2001/197 en RSV 2001/205, dient de premieheffing in het kader van werknemersverzekeringswetten te worden beschouwd als een "determination of civil obligation" in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Daartoe heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en met name de arresten Schuler-Zgraggen vs Zwitserland van 24 juni 1993, gepubliceerd in RSV 94/69, en Schouten en Meldrum vs Nederland van 9 december 1994, gepubliceerd in RSV 95/256 volgt dat zaken betrekking hebbend op sociale zekerheidsuitkeringen en zaken met betrekking tot de premievaststelling voor de werknemersverzekeringen, en derhalve ook de vaststelling van de hier aan de orde zijnde gedifferentieerde premie voor de WAO, onder dit criterium vallen.

In hetgeen namens appellante naar voren is gebracht ziet de Raad geen aanleiding om de gedifferentieerde premie voor de WAO als "criminal charge" in de zin van artikel 6 EVRM aan te merken.

De gedifferentieerde premie voor de WAO kan naar het oordeel van de Raad evenals de malus op grond van artikel 59i van de toenmalige Algemene Arbeidsongeschiktheidswet worden gekarakteriseerd als een bijdrage van de werkgever in de kosten van de voortdurende arbeidsongeschiktheid van zijn werknemers. De premiedifferentiatie heeft als doel de werkgevers te activeren tot en aan te spreken op preventie van arbeidsongeschiktheid en reïntegratie van arbeidsongeschikt geworden werknemers. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de kosten worden gelegd waar zij het beste beheerst en beïnvloed kunnen worden. Inspanningen worden beloond door een lagere premie. Voorts wordt middels de minimum- en maximumpremie rekening gehouden met het risicoprofiel van kleine werkgevers.

De Raad is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat met betrekking tot de heffing van de gedifferentieerde premie voor de WAO niet gesproken kan worden van een "overtreding" van enige norm, die een punitief karakter zou hebben. De mede op basis van de uitkeringslasten van zijn (ex-)werknemers vastgestelde gedifferentieerde premie voor de werkgever kan evenmin geduid worden als een sanctie.

Dat de gedifferentieerde premie voor de WAO niet kan worden aangemerkt als "criminal charge" betekent evenwel niet dat de rechtsgang van de werkgever niet behoeft te voldoen aan de elementaire eisen die uit artikel 6 van het EVRM voortvloeien, waaronder het recht op hoor en wederhoor, de "equality of arms" en toetsing van "the merits of the matter", die alle bijdragen tot een eerlijk proces.

Uit het vorenstaande volgt immers dat hier sprake is van een "civil obligation", zodat recht dient te worden gedaan aan deze eisen.

Met betrekking tot de vraag of het bepaalde in artikel 87e van de WAO in het onderhavige geval in strijd is met artikel 6 EVRM overweegt de Raad het volgende.

In artikel 87e van de WAO is, voor zover thans van belang, bepaald dat het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de in artikel 78, derde of vierde lid, van de WAO bedoelde opslag of korting niet kan zijn gegrond op de grief dat de arbeids- ongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

De aan de (ex-)werknemer van appellante met ingang van 14 oktober 1998 toegekende WAO-uitkering is bepalend voor de door appellante in het jaar 2000 verschuldigde gedifferentieerde premie. Gelet hierop behoort deze uitkering dan ook tot de "merits of the matter". Aan appellante is bij schrijven van 1 oktober 1998 medegedeeld dat hij als medebelanghebbende bezwaar kon maken tegen vermeld toekenningsbesluit. Nu appellante de mogelijkheid heeft gehad om bezwaar en beroep in te stellen tegen de toekenning van de WAO-uitkering aan de (ex-)werknemer, kan in het onderhavige geval naar het oordeel van de Raad artikel 87e van de WAO onverkort worden toegepast en levert toepassing van dit artikel geen strijd op met artikel 6 EVRM.

Uit vorenstaande overwegingen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist is als in rubriek III van deze uitspraak is weergegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B. J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. S.K. Welbedacht als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2003.

(get) B.J. van der Net

(get) A.H. Huls