Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1358

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2003
Datum publicatie
26-08-2003
Zaaknummer
00/3840 WAOCON
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is de WAO-conforme uitkering als resultaat van de uitgevoerde eenmalige herbeoordeling in het kader van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) terecht lager vastgesteld?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/268 met annotatie van A. van Eijs Universiteit Maastricht
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/3840 WAOCON

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 22 januari 1997 heeft het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP) de WAO-conforme uitkering van appellante, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 april 1997 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) is per 1 januari 1998 in de plaats getreden van het FAOP.

Bij besluit van 8 april 1998 heeft het Lisv appellantes bezwaar tegen het besluit van 22 januari 1997 ongegrond verklaard.

De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 15 juni 2000 het tegen het besluit van 8 april 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld op door haar gemachtigde mr. D. van der Wal, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Leeuwarden, bij aanvullend beroepschrift van 26 september 2000 aangevoerde gronden.

Het Lisv heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 27 oktober 2000.

Met ingang van 1 januari 2002 is in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats getreden van het Lisv. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede begrepen het Lisv, respectievelijk het FAOP.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 augustus 2002, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal, voornoemd, en waar gedaagde niet is verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting is de Raad gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De Raad heeft bij brief van 5 november 2002 aan W.H.J. Mutsaers, psychiater, verzocht van verslag en advies te dienen.

Voornoemde deskundige heeft de Raad op 15 april 2003 over zijn bevindingen gerapporteerd.

Bij brief van 7 mei 2003 (met bijlage) heeft gedaagde op het rapport van Mutsaers, voornoemd, gereageerd.

Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 juni 2003, waar partijen, beide met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak.

In dit geding is aan de orde of gedaagde terecht de aan appellante toekomende WAO-conforme uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 april 1997 heeft herzien en nader heeft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% als resultaat van de uitgevoerde eenmalige herbeoordeling in het kader van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA).

In het kader van de behandeling van het bij haar ingestelde beroep heeft de rechtbank de huisarts J.G. Woudstra als deskundige benoemd.

In zijn rapport van 25 februari 2000 heeft deze deskundige als zijn oordeel te kennen gegeven dat appellantes chronische vermoeidheidsklachten op de hier in geding zijnde datum in de weg staan aan het verrichten van enige loonvormende arbeid.

De rechtbank heeft de hierboven vermelde conclusie van de door haar als deskundige geraadpleegde huisarts Woudstra niet gevolgd. De rechtbank is op grond van de beschikbare medische gegevens van oordeel dat voor de klachten van appellante geen objectieve oorzaak als gevolg van ziekte of gebrek is aan te wijzen, zodat appellante op 1 april 1997 vanuit medisch oogpunt bezien in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de medische beoordeling door gedaagde niet conform de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC-richtlijn) heeft plaatsgevonden en de rechtbank vervolgens een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de MAOC-richtlijn.

Gezien de onderscheidene tot de gedingstukken behorende medische rapporten en verklaringen alsmede hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad grond aanwezig geacht om de psychiater Mutsaers, voornoemd, als deskundige te benoemen teneinde de Raad van raad en advies te dienen.

De psychiater Mutsaers concludeert in zijn rapportage dat appellante, wat er ook zij van de oorzaak (somatisch of psychisch dan wel een combinatie) van haar vermoeidheidsklachten, in die mate beperkingen ondervindt dat zij tot geen enkele vorm van arbeid in staat kan worden geacht op de hier in geding zijnde datum 1 april 1997.

De Raad kent doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de door hem ingeschakelde deskundige Mutsaers. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen onderzoek van appellante, de in het dossier aanwezige op appellante betrekking hebbende stukken, informatie van de behandelende sector en de anamnese van appellante, en dat de bevindingen en conclusies op inzichtelijke wijze zijn gemotiveerd. Met deze deskundige is de Raad van oordeel dat appellante op de datum in geding niet in staat kon worden geacht tot het verrichten van arbeid en aldus de aan haar voorgehouden functies niet kon vervullen. Daarbij tekent de Raad aan dat het advies van genoemde deskundige niet louter is gebaseerd op de door appellante aangegeven klachten, maar door de deskundige afdoende medisch is geobjectiveerd. Het enkele feit dat de aard van de ziekte of het gebrek niet eenduidig kan worden aangewezen, staat aan deze conclusie niet in de weg.

Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten, dienen te worden vernietigd.

Appellant moet per 1 april 1997 onveranderd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt worden geacht. De Raad zal met toepassing van het vierde lid van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in deze zin in de zaak voorzien, onder vernietiging van het besluit van 22 januari 1997.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, totaal derhalve € 1.449,-.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep alsnog gegrond en vernietigt het besluit van 8 april 1998, alsmede het besluit van 22 januari 1997;

Bepaalt dat aan appellante ingaande 1 april 1997 onveranderd een WAO-conforme uitkering toekomt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.449,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van in totaal € 102,12 (f 225,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2003.

(get.) H. Bolt.

(get.) A.C.W. van Huussen.