Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1297

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2003
Datum publicatie
21-08-2003
Zaaknummer
02/2637 AW e.a.
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag belastingambtenaar na schending geheimhoudingsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/2637 AW en 02/2639 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Financiƫn, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 maart 2002, nrs. AWB 01/421 en AWB 01/664, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 juni 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. F.F. van Norel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Namens gedaagde is ter zitting verschenen mr. E. Fokkens-Kuiper, werkzaam bij het Ministerie van Financiƫn.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was gedurende 24 uur per week werkzaam bij de belastingdienst in de functie van bakhouder bij de eenheid Ondernemingen te [vestigingsplaats]. Sedert 1990 verrichtte hij met toestemming van gedaagde in maatschapsverband nevenwerkzaamheden als deurwaarder voor de gemeenten [gemeentenaam] en [gemeentenaam] en voor het Justitieel Incassobureau.

1.2. In juli 1999 is gebleken dat appellant als rijksbelastingambtenaar gegevens verstrekte aan een derde ten behoeve van de inning van gemeentelijke belastingen. Naar aanleiding daarvan heeft gedaagde appellant zowel mondeling als schriftelijk gewezen op zijn geheimhoudingsplicht en hem opgedragen die gegevensverstrekking onmiddellijk te staken. Aan appellant is voorts opgedragen uitsluitend schriftelijke verzoeken om informatie van een daartoe bevoegde instantie in behandeling te nemen en na akkoordverklaring door de teamchef de gevraagde informatie uitsluitend schriftelijk te verstrekken. Na afronding van het jegens appellant ingestelde onderzoek in november 1999 is appellant nogmaals uitdrukkelijk gewezen op de strakke toepassing van de geheimhoudingsplicht, maar is besloten geen verdere maatregelen te nemen.

1.3. Op 1 augustus 2000 is geconstateerd dat appellant op 25 juli 2000 gegevens had opgevraagd uit het zogenoemde fi-base inquiry systeem die geen betrekking hadden op een belastingplichtige van de eenheid. Op 10 augustus 2000 heeft appellant desgevraagd verklaard dat hij deze gegevens nodig had voor zijn werkzaamheden als belastingdeurwaarder voor de gemeente [gemeentenaam].

Namens gedaagde is hem voorgehouden dat hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden en dat er sprake is van plichtsverzuim.

1.4. Nadat appellant zich schriftelijk had verantwoord is hij bij besluit van 31 augustus 2000 in het belang van de dienst geschorst en is hem eveneens bij besluit van 31 augustus 2000 de toegang tot de dienstgebouwen ontzegd. Deze besluiten zijn na bezwaar bij het in geding zijnde besluit van 17 januari 2001 gehandhaafd.

1.5. Bij besluit van 29 september 2000 heeft gedaagde de grond voor schorsing gewijzigd in schorsing in verband met het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag. Tevens is besloten appellants bezoldiging gedurende zes weken voor een derde deel in te houden en na zes weken tot volledige inhouding over te gaan.

1.6. Bij besluit van 16 november 2000 is appellant wegens het in ernstige mate schenden van zijn op grond van de Ambtenarenwet (AW) en de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) op hem rustende geheimhoudingsplicht en het maken van misbruik van zijn positie als ambtenaar, wegens plichtsverzuim ontslagen. De besluiten van 29 september 2000 en 16 november 2000 zijn na bezwaar bij het in geding zijnde besluit van 26 februari 2001 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen de besluiten van 17 januari 2001 en 26 februari 2001 ongegrond verklaard. Ten aanzien van de bij besluit van 17 januari 2001 gehandhaafde ordemaatregelen - de ontzegging van de toegang en de schorsing vanwege dienstbelang - heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde daartoe in redelijkheid heeft kunnen besluiten. Gedaagde heeft volgens de rechtbank terecht vrees voor herhaling aanwezig geacht omdat sprake is van herhaalde gedragingen en appellant nog steeds de ernst van de situatie niet leek in te zien. Wat betreft het besluit van 26 februari 2001 achtte de rechtbank ook de voortzetting van de schorsing en de inhouding van de bezoldiging gerechtvaardigd, nu het in de ogen van gedaagde zeer ernstige misdragingen betrof die grond boden voor strafontslag en appellant als gevolg van de schorsing door eigen schuld en toedoen geen arbeidsprestatie meer leverde.

2.1. Met betrekking tot het strafontslag heeft de rechtbank overwogen dat appellant op grond van artikel 125a, derde lid van de AW, en artikel 67, eerste lid, van de Awr, verplicht is tot geheimhouding van hetgeen hem in verband met de uitoefening van zijn functie ter kennis is gekomen, dat appellant die geheimhoudingsplicht heeft geschonden en misbruik heeft gemaakt van zijn positie als belastingambtenaar, aangezien hij op 25 juli 2000 loongegevens van een belastingplichtige uit het fi-base inquiry systeem, waartoe hij als rijksbelastingambtenaar toegang had, heeft opgeroepen met het oog op zijn deurwaarderswerkzaamheden voor de gemeente [gemeentenaam]. Als deurwaarder van de gemeente [gemeentenaam] had appellant geen recht op die gegevens. Volgens het Handboek informatieverstrekking had de gemeente [gemeentenaam] die gegevens schriftelijk dienen op te vragen en had de informatie aan de gemeente moeten worden verstrekt en niet aan de persoon - appellant - die deurwaarderswerkzaamheden voor de gemeente verricht. De rechtbank heeft voorts aangenomen dat sprake is van herhaald plichtsverzuim en dat dit aan appellant kan worden aangerekend, omdat hij in 1999 expliciet is gewezen op de strakke toepassing van de geheimhoudingsplicht. De rechtbank heeft de opgelegde straf - disciplinair ontslag - niet onevenredig geacht aan het begane plichtsverzuim, gezien het belang dat gedaagde heeft bij integriteit en betrouwbaarheid van zijn werknemers.

3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop de rechtbank tot haar oordeel is gekomen volledig. Naar aanleiding van hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad nog het navolgende.

3.1. De Raad kan het standpunt van appellant dat het inzien van de opgevraagde informatie geen schending van de geheimhoudingsplicht oplevert, niet volgen. Een van de afspraken was dat appellant geen inningsopdrachten zou aanvaarden bij personen die deel uitmaken van het klantenbestand van de Belastingdienst/Ondernemingen. Voorzover daarmee al niet was uitgesloten dat appellant bij het verrichten van zijn werkzaamheden als bakhouder ongewild in aanraking zou komen met informatie die relevant zou kunnen zijn voor zijn nevenwerkzaamheden als deurwaarder, was van ongewilde kennisneming in het onderhavige geval in ieder geval geen sprake, nu appellant opzettelijk gegevens uit het fi-base inquiry systeem heeft opgevraagd van een particulier die geen belastingplichtige was voor de eenheid ondernemingen.

3.2. Dat gedaagde door het toestaan van de nevenwerkzaamheden de daaraan verbonden risico's heeft aanvaard, onderschrijft de Raad evenmin. Blijkens de gedingstukken was gedaagde zich bewust van een mogelijk spanningsveld en zijn er juist om die reden stringente afspraken gemaakt om mogelijke vermenging te voorkomen. Voorts was afgesproken dat de verrichte nevenwerkzaamheden jaarlijks in het functioneringsgesprek aan de orde zouden komen en dat jaarlijks aan de hand daarvan de toestemming al dan niet zou worden gecontinueerd.

3.3. De Raad is ten slotte van oordeel dat, gegeven het grote belang dat gedaagde mag hechten aan integriteit en betrouwbaarheid van zijn medewerkers, die toegang hebben tot zeer vertrouwelijke gegevens en bij het licht van de stringente afspraken met appellant, de gegeven straf van ontslag niet onevenredig is. Daarbij heeft de Raad evenals de rechtbank laten wegen dat appellant in 1999 indringend is aangesproken op zijn geheimhoudingsverplichting en dat hij die waarschuwing blijkbaar niet ter harte heeft genomen.

3.4. Nu het besluit tot strafontslag standhoudt en appellant ten aanzien van de andere in geding zijnde besluiten geen afzonderlijke grieven heeft aangevoerd concludeert de Raad dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten. Beslist is als hierna vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en prof. mr. E. Aardema als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.