Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1296

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2003
Datum publicatie
21-08-2003
Zaaknummer
02/1469 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek terug te komen van rechtens onaantastbaar geworden besluit. Was bij het totstandbrengen van de vertrekregeling het de intentie van partijen dat het pensioenverlies volledig zou worden gecompenseerd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/1469 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Economische Zaken, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 februari 2002, nr. SBR 2001/71, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 juni 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn dochter mr. C.G.M. van Gerwen-van der Tuin, wonende te Hilversum. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C.S. Bol, werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt naar de aangevallen uitspraak verwezen. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, geboren in 1935, was sedert 1975 bij het Ministerie van Economische Zaken werkzaam. Partijen hebben in 1989 overleg gevoerd over beëindiging van appellants dienstverband, waarbij appellant de gelegenheid is geboden gebruik te maken van een wachtgeld/VUT-regeling. Met het oog op die beëindiging hebben partijen nadere afspraken gemaakt die zijn neergelegd in een bij besluit van 29 augustus 1989 vastgestelde vertrekregeling. Deze bevat onder meer de volgende voorzieningen:

"3. Ter compensatie van pensioenverlies, veroorzaakt door de gedeeltelijke pensioenopbouw tijdens de wachtgeld/VUT-periode, start (lees: stort) EZ een koopsom bij een levensverzekeringsmaatschappij in de orde van

ƒ 60.000,--, waarmede het pensioenverlies teniet is gedaan.

4. Op 31 december 1990 wordt u eervol ontslag verleend onder de gelijktijdige toekenning van garantie-wachtgeld. Dit wachtgeld wordt op de VUT-gerechtigde leeftijd in casu: 1 september 1996 omgezet in de VUT-uitkering."

1.2. Appellant is op zijn verzoek per 1 januari 1991 eervol ontslag verleend. Ter uitvoering van de vertrekregeling heeft gedaagde een koopsom van ƒ 53.799,- gestort en daarmee een pensioenverzekering voor appellant gesloten. Gedaagde heeft het polisblad met bijlagen op 16 mei 1991 aan appellant gezonden.

1.3. Op appellants verzoek heeft Mandema & Partners B.V. (hierna: MP) bij brief van 12 oktober 1998 aan gedaagde verzocht de vertrekregeling wegens gewijzigde omstandigheden bij te stellen. MP wees er op dat bij het bepalen van de koopsom destijds is uitgegaan van een pensioengrondslag van ƒ 89.093,- en een lijfrentetarief van 6,5% en gelet daarop van een doelkapitaal van ƒ 100.050,-. MP zette uiteen dat de pensioengrondslag als gevolg van loonindexatie in 1998 ƒ 108.784,- was gaan bedragen, terwijl het lijfrentetarief inmiddels naar 4% was verlaagd, wat voor de compensatie van appellants pensioenverlies een verhoging van het doelkapitaal naar ƒ 168.422,- vergde. Appellant heeft dit standpunt bij brief van

27 mei 1999 herhaald en daarbij benadrukt dat het de bedoeling van de vertrekregeling van 1989 was dat zijn verlies van 4,833 pensioenjaren tijdens de wachtgeld/VUT-periode door gedaagde volledig gecompenseerd zou worden.

1.4. Gedaagde heeft, in antwoord op de brieven van 12 oktober 1998 en 27 mei 1999, bij brief van 2 juli 1999 - zonder rechtsmiddelenverwijzing - meegedeeld dat de vertrekregeling eenmalig was evenals de storting van de koopsom en dat hij geen aanleiding zag hiervan terug te komen.

1.5. Bij brief van 30 november 1999 heeft appellant gedaagde met een beroep op de in 1989 gehanteerde uitgangspunten wederom verzocht de pensioenschade volledig te compenseren. Gedaagde heeft dit verzoek bij besluit van 2 maart 2000 afgewezen, nu het verzoek ertoe strekte dat hij zou terugkomen van het besluit van 29 augustus 1989 en gedaagde dit besluit rechtens onaantastbaar achtte omdat appellant er destijds geen rechtsmiddelen tegen had aangewend. Gedaagde overwoog dat aan het besluit van 29 augustus 1989 geen dusdanige gebreken kleefden en dat zich evenmin dusdanige omstandigheden hadden voorgedaan dat hij gehouden was van dat besluit terug te komen.

2. In bezwaar is het besluit van 2 maart 2000 bij het thans bestreden besluit van 7 augustus 2000 gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep voert appellant aan dat het bij het totstandbrengen van de vertrekregeling de intentie van partijen was dat gedaagde het pensioenverlies volledig zou compenseren. Hij betoogt dat, gelet hierop, het finale karakter van de vertrekregeling onverlet laat dat gedaagde bij de uitvoering van die regeling bij tegenvallende economische ontwikkelingen zou dienen bij te storten, temeer nu destijds slechts een schatting van de te storten koopsom is gemaakt. Appellant voegt daaraan toe dat hij er bij het totstandbrengen van de vertrekregeling en ook in 1991 - toen gedaagde hem de polis met het bedrag van de gestorte koopsom en de omvang van het doelkapitaal had toegezonden - op heeft vertrouwd dat gedaagde alles goed had onderzocht en dat de in 1991 gesloten pensioenverzekering zijn pensioenverlies volledig compenseerde. Dat die veronderstelling niet juist was is appellant eerst in 1996 gebleken uit een op zijn verzoek door MP verstrekt overzicht van al zijn pensioenaanspraken. Eerst toen is hem gebleken dat gedaagde bij de berekening van de koopsom ten onrechte van een loonindexatiepercentage van slechts 2 is uitgegaan, waarvan appellant geen weet kon hebben omdat hem dat in 1989 niet was meegedeeld.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Bij de verzoeken van 12 oktober 1998 en 27 mei 1999 is gedaagde verzocht de in 1991 gestorte koopsom aan te vullen. Gedaagde heeft deze verzoeken bij brief van 2 juli 1999 afgewezen. Appellant had tegen dat besluit binnen de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde termijn van zes weken bezwaar kunnen maken. Hij heeft gedaagde evenwel eerst bij brief van 30 november 1999 verzocht een ander standpunt in te nemen.

4.2. De brief van 30 november 1999 kan niet als een tijdig ingediend bezwaarschrift tegen het besluit van 2 juli 1999 worden beschouwd, nu hij niet binnen zes weken is ingediend. Appellant heeft aangevoerd dat hem hiervan geen verwijt valt te maken nu het besluit van 2 juli 1999 geen rechtsmiddelenverwijzing bevatte en hij, eer zich opnieuw tot gedaagde te wenden, de tijd heeft genomen alles goed uit te zoeken. Gelet op zijn vaste rechtspraak ziet de Raad hierin, mede gelet op de omvang van de termijnoverschrijding, onvoldoende grond te oordelen dat appellant terzake redelijkerwijs niet in verzuim is.

4.3. Nu appellant tegen het besluit van 2 juli 1999 niet tijdig bezwaar heeft gemaakt, is dat besluit rechtens onaantastbaar geworden. De afwijzing, bij besluit van 2 maart 2000, van appellants verzoek van 30 november 1999 om zijn pensioenverlies volledig te compenseren is er derhalve op gericht dat gedaagde van zijn rechtens onaantastbare besluit terugkomt. De afwijzing van een dergelijk verzoek is ingevolge 's Raads vaste rechtspraak slechts aan terughoudende rechterlijke toetsing onderworpen.

4.4. De Raad ziet geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren van het besluit van 2 juli 1999 terug te komen. Daarvoor ziet de Raad te minder reden nu het kennelijk de bedoeling van de in 1989 getroffen vertrekregeling was dat gedaagde met een (nader te berekenen eenmalige) storting in de orde van ƒ 60.000,- kon volstaan. Immers in de vertrekregeling is niet op de een of andere wijze aangegeven dat gedaagde ingeval de ontwikkelingen in de loop van de tot 1 september 2000 durende wachtgeld/VUT-periode anders zouden zijn dan voorzien, tot bijstorting is gehouden. Voorts heeft appellant, toen hij gedaagde bij brief van 29 augustus 1989 verzocht in het concept van de vertrekregeling een aantal passages op te nemen, het niet nodig geacht mede aan te dringen op het opnemen van een passage inzake bijstorting bij andere dan de voorziene economische ontwikkelingen. Appellant had in 1989 en ook in 1991 toen hij de uiteindelijke koopsompolis ontving, zelf een deskundige kunnen inschakelen om te verifiëren of de vertrekregeling en nadien de ter uitvoering daarvan gesloten pensioenverzekering voldoende aan zijn wensen beantwoordden. Hij had indien dat niet het geval was, terzake rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Dat appellant dit alles heeft nagelaten omdat hij er zonder meer op vertrouwde dat gedaagde voor volledige compensatie van het uiteindelijke pensioenverlies in de wachtgeld/VUT-periode had zorg gedragen, komt, anders dan appellant voorstaat, niet voor gedaagdes maar voor appellants risico.

5. Al het vorenoverwogene brengt mee dat het bestreden besluit standhoudt. Derhalve wordt appellants verzoek om vergoeding van materiële en immateriële schade afgewezen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en prof. mr. E. Aardema als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.