Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1291

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2003
Datum publicatie
21-08-2003
Zaaknummer
01/4211 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In dit geding is aan de orde of de (gehandhaafde) weigering gedaagde, gemeenteambtenaar, een uitlooptoelage toe te kennen, stand kan houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/4211 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 19 juni 2001, nr. AWB 00-8409 H V01 G17 K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vervolgens nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 juni 2003, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Y.J. Hopman en J. de Bruijn, beiden werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer, en waar gedaagde in persoon is verschenen.

II. MOTIVERING

1.1. Gedaagde was sinds 1 mei 1981 in dienst bij de gemeente Haarlemmermeer, per 1 oktober 1990 in de functie van ambtenaar [naam functie]. Vanaf juni 1991 werd hij bezoldigd naar het maximum in de rang van gemeente-ambtenaar 9.

1.2. Bij besluit van 22 december 1995 is gedaagde met ingang van 1 januari 1996 geplaatst in de functie van senior [naam functie] medewerker bij de afdeling [naam onderdeel] van de sector [naam sector], welke functie werd gewaardeerd op het niveau van gemeente-ambtenaar 10. Gedaagde behield evenwel zijn oorspronkelijke rang van gemeente-ambtenaar 9, vanaf dat moment als aanlooprang naar de functionele rang.

1.3. Op 18 juni 1996 heeft met gedaagde een beoordelingsgesprek plaatsgevonden over zijn functioneren vanaf 1 januari 1996. Gedaagde is op 4 september 1996 wegens ziekte uitgevallen. Op 3 november 1997 is hij voor 100% arbeidsgeschikt verklaard en heeft hij zijn werkzaamheden volledig hervat. Op 14 april 1998 is gedaagde als gevolg van een auto-ongeval opnieuw uitgevallen. Hij heeft daarna niet meer hervat in zijn functie van senior [naam functie] medewerker.

1.4. Bij besluit van 25 april 2000 is gedaagde meegedeeld dat hij (vooralsnog) niet wordt geplaatst in de functierang en dat hij evenmin in aanmerking komt voor een uitlooptoelage. Het daartegen door gedaagde gemaakte bezwaar is door appellant ongegrond verklaard bij het bestreden besluit van 19 september 2000.

1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank gedaagdes beroep gegrond verklaard voorzover dit was gericht tegen de weigering hem een uitlooptoelage toe te kennen, het bestreden besluit van 19 september 2000 in zoverre vernietigd, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard, zulks met bepalingen over proceskosten en griffierecht.

2. De Raad overweegt het volgende.

2.1. De Raad stelt voorop dat, gelet op hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht, in dit geding uitsluitend aan de orde is de (gehandhaafde) weigering gedaagde een uitlooptoelage toe te kennen. Hetgeen gedaagde in zijn verweerschrift heeft betoogd met betrekking tot de weigering hem te plaatsen in de functierang valt buiten de omvang van dit geding.

2.2. Artikel 3:1:3:1 van de Uitwerkingsovereenkomst II (UWO II) bepaalt dat aanspraak heeft op een uitlooptoelage de ambtenaar die:

a. 10 jaar onafgebroken in dienst van de gemeente is en

b. 6 jaar op zijn maximumsalaris staat en

c. gedurende tenminste de laatste 3 jaar goede beoordelingen heeft gehad.

2.3. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat gedaagde ten tijde hier in geding 10 jaar onafgebroken in dienst was van de gemeente Haarlemmermeer. Het geschil spitst zich toe op de vraag of gedaagde voldeed aan de onder b. en c. vermelde voorwaarden.

2.4. Volgens appellant voldeed gedaagde niet aan die voorwaarden, omdat hij nog niet gedurende 6 jaar naar het maximumsalaris van zijn functionele salarisschaal in zijn functie van senior-[naam functie] medewerker is bezoldigd en omdat er de laatste 3 jaar geen goede beoordelingen over hem zijn vastgesteld.

2.5. Met betrekking tot de onder b. vermelde voorwaarde heeft de rechtbank overwogen dat zij in de tekst van artikel 3:1:3:1 van de UWO II geen grondslag ziet voor de door appellant gestelde eis dat gedurende zes jaar naar het maximumsalaris van gedaagdes functionele salarisschaal moet zijn betaald, dat in de UWO II slechts het begrip "maximumsalaris" wordt genoemd en daarbij geen onderscheid wordt gemaakt naar de aard van de salarisschaal (functionele schaal of aanloopschaal) waaraan dit maximum-salaris is verbonden, en dat bij de beoordeling of gedaagde voldoet aan het gestelde onder b. dan ook moet worden uitgegaan van het aantal jaren dat hij op zijn maximumsalaris in de aan rang 9 verbonden salarisschaal staat.

2.6. De Raad deelt dit oordeel van de rechtbank niet. Naar het oordeel van de Raad is met het begrip "maximumsalaris" in voormelde bepaling, zoals ook blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis, onmiskenbaar bedoeld het maximumsalaris in de functionele schaal. Daarvan uitgaande stelt de Raad vast dat op 1 januari 1996 - de datum waarop gedaagde werd geplaatst in de functie van senior [naam functie] medewerker, functionele schaal 10 - een nieuwe situatie is ontstaan, waarbij gedaagde zijn bestaande vooruitzicht op een uitlooptoelage gebaseerd op functionele schaal 9 heeft verloren. Nu gedaagde vanaf 1 januari 1996 niet gedurende zes jaar naar het maximumsalaris van zijn nieuwe functionele schaal is bezoldigd, voldeed hij ten tijde van zijn verzoek om een uitlooptoelage niet aan de in artikel 3:1:3:1, onder b, van de UWO II vermelde voorwaarde.

2.7. De Raad komt aldus niet meer toe aan de vraag of gedaagde voldeed aan het onder c. vermelde criterium.

2.8. Uit het vorenstaande volgt dat appellant op goede gronden de uitlooptoelage heeft geweigerd. De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden vernietigd en het inleidend beroep dient in zoverre alsnog ongegrond te worden verklaard. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Verklaart het inleidend beroep in zoverre alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. A. Beuker-Tilstra als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2003.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.