Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1169

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2003
Datum publicatie
18-08-2003
Zaaknummer
01/3165 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Welke methode van salarisvaststelling moet worden gehanteerd bij een nieuwe functiewaardering met terugwerkende kracht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/3165 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 27 april 2001, nr. 00/604 AW P06 G02, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarop namens appellant is gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 juni 2003 waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Schaap, verbonden aan Capra te Zwolle, vergezeld van R. Renting, werkzaam bij de gemeente Noordenveld.

Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.W.H. Buiting, verbonden aan Van Kleef & Partners BV te Boskoop.

II. MOTIVERING

1. Gedaagde was werkzaam als beleidsmedewerker [naam sector] in de gemeente Norg. Per 1 januari 1997 zijn de medewerkers van de gemeenten Norg, Peize en Roden, vooruitlopend op de gemeentelijke herindeling per 1 januari 1998, voorlopig geplaatst in de nieuw te vormen gemeentelijke organisatie. Aan gedaagde is bij brief van 23 december 1996 medegedeeld dat zij voorlopig wordt geplaatst als beleidsmedewerker [naam sector], dat haar functieomvang 30 uur en

18 minuten bedraagt, dat in afwachting van de nieuwe rechtspositie Noordenveld haar huidige salarisschaal, functieschaal 8 (na de periodieke verhoging per 1 januari 1997 regel 6, f 4.560,- bij een volledige betrekking) van toepassing blijft, dat de definitieve rangniveau's door middel van functiewaardering zullen worden bepaald en dat positieve resultaten daaruit met terugwerkende kracht vanaf de implementatiedatum zullen worden toegepast.

1.1. In 1997 zijn voor de gemeente Noordenveld in oprichting rechtspositieregelingen en salarisschalen vastgesteld volgens de nieuwe salarissystematiek voor de sector gemeenten. Bij brief van 25 maart 1997 is gedaagde in verband daarmee met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 ingepast in de nieuwe salarisstructuur (hierna: de CAR-schalen), en wel in functieschaal 8, regel 9 (f. 4.687,- bij een volledige betrekking).

1.2. In 1999 zijn alle functies van de inmiddels tot stand gekomen gemeente Noordenveld beschreven en gewaardeerd. Daarbij is het niveau van de functie beleidsmedewerker [naam sector] vastgesteld op schaal 10. In verband daarmee heeft appellant bij besluit van 1 oktober 1999 het salaris van gedaagde met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 aangepast en nader vastgesteld op schaal 10, regelnummer 3 (f 4.684,- bij een volledige betrekking). Besloten is hetgeen gedaagde over 1997 teveel heeft ontvangen niet terug te vorderen en gedaagde een nabetaling van f 578,44 te doen over 1998.

1.3. Na bezwaar van gedaagde, die van mening is dat de inpassingsregels leiden tot inpassing per 1 januari 1997 in schaal 10, regelnummer 4 en enige correspondentie over en weer heeft appellant het besluit van 1 oktober 1999, met overneming van het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, bij het in geding zijnde besluit van 27 juni 2000 gehandhaafd. Daarbij is overwogen dat het salaris van gedaagde op 31 december 1996 uitgangspunt voor de inschaling vormt, dat zij slechts voorlopig was ingeschaald omdat het definitieve niveau van de functie nog door middel van functiewaardering moest worden vastgesteld en dat de uitkomst van de functiewaardering in de plaats treedt van de inschaling zoals die bij brief van 23 december 1996 is medegedeeld.

2. De rechtbank heeft het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat uitgangspunt voor de herberekening van het salaris moet zijn het op 1 januari 1997 geldende salaris. Dat kan volgens de rechtbank niet een ander salaris zijn dan het salaris zoals dat in maart 1997 met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 voor gedaagde is vastgesteld, nu niet gebleken is dat met het besluit van 25 maart 1997 een voorlopige inpassing was beoogd.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Volgens de leden 2 en 3 van artikel 14 van de in september 1998 tot stand gekomen Procedureregeling organieke functiebeschrijving en functiewaardering van de gemeente Noordenveld heeft de ambtenaar wiens functie als gevolg van de functiewaarderingsronde in verband met de gemeentelijke herindeling in een hogere functieschaal wordt ingedeeld dan de schaal waarin hij voordien was ingedeeld, recht op inschaling volgens de hogere waardering met ingang van 1 januari 1997. De wijze van inpassing is geregeld in artikel 9 van de per 1 januari 1998 in werking getreden Bezoldigingsverordening 1998 van de gemeente Noordenveld. Volgens dat artikel wordt, wanneer voor de ambtenaar een salarisschaal gaat gelden met een hoger maximumbedrag, het salaris in de nieuwe schaal vastgesteld op het bedrag, gelegen onmiddellijk boven het salaris dat de ambtenaar in de oude schaal zou hebben genoten. Daarbij wordt het salaris in de nieuwe salarisschaal verhoogd tot een zodanig bedrag in die schaal, dat het salaris in de nieuwe schaal te allen tijde uitgaat boven het salaris dat de ambtenaar in de oude schaal zou hebben genoten.

3.2. Tussen partijen is in geschil of op grond van de genoemde bepalingen bij het implementeren in 1999 van de uitkomst van de functiewaardering met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 het salaris van gedaagde eerst in de oude schalen van de gemeente Norg dient te worden verhoogd van schaal 8 naar schaal 10 en vervolgens te worden ingepast in de CAR-schalen - schaal 8 regel 6 oud, wordt schaal 10 regel 4 oud, wordt schaal 10 regel 3 van de CAR-schalen, de 3-stappen-methode die appellant bij het bestreden besluit heeft gevolgd, - dan wel of implementatie dient plaats te vinden door vaststelling van het salaris op het bedrag in schaal 10 van de CAR-schalen (schaal 10 regel 4), gelegen onmiddellijk boven het salaris dat gedaagde in schaal 8 van de CAR-schalen ontving sedert het besluit van 25 maart 1997 - schaal 8 regel 6 oud, werd schaal 8 regel 9 van de CAR-schalen, wordt schaal 10 regel 4 van de CAR-schalen - de methode die gedaagde juist acht.

3.2.1. De methode die appellant heeft gevolgd leidt er toe dat het salaris van gedaagde, dat op grond van het besluit van

25 maart 1997 met ingang van 1 januari 1997 volgens schaal 8 regel 9 van de CAR-schalen f 4.687,- per maand bedroeg, alsnog per 1 januari 1997 wordt vastgesteld volgens schaal 10 regel 3 van de CAR-schalen, op een bedrag van f. 4.684,- per maand. De methode die gedaagde voorstaat leidt tot inpassing van het salaris in schaal 10 regel 4, zijnde het naasthogere bedrag boven het laatstelijk volgens schaal 8 regel 9 van de CAR-schalen genoten salaris van f. 4.687,- per maand.

3.2.2. De Raad is van oordeel dat uitgangspunt voor de onderhavige herberekening moet zijn het salaris zoals dat in maart 1997 met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 is vastgesteld volgens schaal 8 regel 9 van de CAR-schalen en niet het salaris dat op 31 december 1996 gold volgens de oude salarisschalen. Met de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat uit het besluit van 25 maart 1997 niet blijkt dat de inpassing in de CAR-schalen een voorlopig en voorwaardelijk karakter had. Met de door appellant in het bestreden besluit gevolgde wijze van inpassing wordt voorts de volgtijdelijkheid van de besluitvorming - in maart 1997 invoering van de CAR-schalen en in 1999 uitvoering van de functiewaardering -miskend. De doorvoering van de functiewaarderingsuitkomst op de inschaling volgens de oude schalen betekent dat wordt teruggegrepen op per 1 januari 1997 niet meer bestaande salarisschalen. Daarvoor is naar het oordeel van de Raad noch in de tekst van artikel 14 van de Procedureregeling van september 1998, noch in de tekst van artikel 9 van de Bezoldigingsverordening 1998 enig aanknopingspunt te vinden. Bij zijn oordeel neemt de Raad, in aansluiting bij zijn uitspraak van 20 april 2000, nummer 98/87 AW, TAR 2000, 111, in aanmerking dat het in zijn algemeenheid zonder specifieke bepaling voor onjuist moet worden gehouden dat bij inpassing wordt teruggegrepen op salarisschalen die op de inschalingsdatum niet meer van toepassing zijn.

3.2.3. De door appellant in hoger beroep verdedigde stelling dat de terugwerkende kracht van de functiewaardering

(tot 1 januari 1997) de inschaling van maart 1997 (eveneens terugwerkend tot 1 januari 1997) als het ware absorbeert, treft gezien het vorenstaande evenmin doel. Het betreft hier twee van elkaar te onderscheiden en (feitelijk) na elkaar uitgevoerde salaris-operaties.

3.2.4. Het bezwaar van appellant dat de door gedaagde bepleite wijze van inpassing er toe leidt dat gedaagde in tegenstelling tot haar collega's wier functieniveau wel meteen juist is vastgesteld zowel in 1997 als in 1999 profiteert van het inpassingsvoordeel van artikel 9 van de Bezoldigingsverordening, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

3.3. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-.

Van appellant dient tevens op grond van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet griffierecht te worden geheven.

5. Beslist is als hierna vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van € 644,-, te betalen door de gemeente Noordenveld;

Bepaalt dat van de gemeente Noordenveld een griffierecht van € 348,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A. de Gooijer.