Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2003
Datum publicatie
18-08-2003
Zaaknummer
00/5337 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig verplaatsingsbesluit, causaal verband en schadebeperkingsplicht. Komt betrokkene in aanmerking voor vergoeding van schade, bestaande uit de afschrijvingswaarde van de aangeschafte auto, verzekeringspremies en gereden werkkilometers?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/188

Uitspraak

00/5337 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Korpsbeheerder van de politieregio Utrecht, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 september 2000, nr. SBR 1998/1445, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 februari 2003, waar namens appellant is verschenen mr. D.E. Blonk, werkzaam bij de politieregio Utrecht en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door W.G. Brunsveld, werkzaam bij de Algemene Nederlandse Politievereniging.

Na de behandeling van het geding ter zitting is het onderzoek heropend.

Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven tot afdoening buiten zitting.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Gedaagde was tot 9 september 1996 werkzaam als medewerker basispolitiezorg bij de politieregio Utrecht, [naam district 1]. Naar aanleiding van spanningen binnen de werkeenheid heeft appellant bij besluit van 29 augustus 1996 onder toepassing van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), gedaagde met ingang van 9 september 1996 verplaatst naar het District [naam district 2] te Utrecht, voor de duur van één jaar. Gedaagde ontving op grond van het Besluit verplaatsingskosten politie de gebruikelijke tegemoetkoming in de kosten van woon- werkverkeer.

1.2. Bij uitspraak van 22 april 1998, nr. 97/766 AW, heeft de rechtbank Utrecht het door gedaagde ingestelde beroep tegen appellants besluit van 18 februari 1997, waarbij het besluit tot verplaatsing van 29 augustus 1996 (hierna: het verplaatsingsbesluit) is gehandhaafd, vernietigd. Ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de omvang van de eventueel met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan gedaagde toe te kennen schadevergoeding, is het onderzoek heropend. Tegen de uitspraak van 22 april 1998 hebben partijen geen hoger beroep ingesteld.

1.3. Bij de thans bestreden, in rubriek I genoemde uitspraak van 26 september 2000, heeft de rechtbank de politieregio Utrecht met toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb veroordeeld tot vergoeding van door gedaagde in de periode van 9 september 1996 tot 9 september 1997 geleden schade ten bedrage van f. 6.488,37 en heeft zij die politieregio met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb veroordeeld tot betaling van proceskosten aan gedaagde ten bedrage van f 12,75. De door de rechtbank toegekende vergoeding betreft de afschrijvingswaarde van de door gedaagde aangeschafte personenauto, de in verband daarmee in de periode van 9 september 1996 tot 9 september 1997 door gedaagde betaalde verzekeringspremies en wegen- en houderschapsbelasting alsmede de totaal gereden niet vergoede werkkilometers. De rechtbank was van oordeel dat deze posten voor vergoeding in aanmerking komen, omdat gedaagde voldoende aannemelijk had gemaakt dat de door hem opgevoerde schade het directe gevolg was van het vernietigde besluit van appellant.

Het verzoek van gedaagde om vergoeding van gekapitaliseerde reisuren, gesteld op ƒ 5.868,-, heeft de rechtbank afgewezen. Weliswaar werd gedaagde door het verplaatsingsbesluit geconfronteerd met een uur reistijd, doch dit feit kon niet leiden tot de conclusie dat daarmee eisers diensttijd met een uur diende te worden verlengd, aldus de rechtbank.

2. Appellant verzet zich hoofdzakelijk tegen het toekennen van vergoeding voor de afschrijvingswaarde van de personenauto en de daarmee gepaard gaande kosten in verband met de betaalde verzekeringspremies, wegen- en houder- schapsbelasting. Volgens appellant heeft het verplaatsingsbesluit gedaagde niet genoopt tot het kopen van een (tweede) personenauto. Gedaagde heeft geen overleg gevoerd met appellant over een eventuele aanpassing van zijn werktijden of over de mogelijkheid van het gebruik van een dienstauto dan wel een combinatie hiervan met openbaar vervoer. Door dit na te laten heeft gedaagde niet getracht zijn schade zoveel mogelijk te beperken.

3. Gedaagde, die geen hoger beroep heeft ingesteld, heeft aangevoerd dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Hij bestrijdt de visie van appellant en houdt vast aan zijn standpunt dat hij genoodzaakt was een tweede personenauto aan te schaffen, omdat hij met betrekking tot het verrichten van met name vroege en late diensten, geen gebruik kon maken van het openbaar vervoer om tijdig zijn werkplek te bereiken respectievelijk thuis te komen. De door appellant genoemde alternatieven vormden voor gedaagde geen optie gezien de zijns inziens strakke planning in de noodhulp en het gebrek aan personeel en dienstvoertuigen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Gelet op hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht en op de omstandigheid dat gedaagde geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, zijn met betrekking tot de veroordeling tot betaling van schadevergoeding tussen partijen slechts in geschil de door de rechtbank toegekende vergoeding voor de afschrijvingswaarde van de door gedaagde aangeschafte personenauto, de toegekende vergoeding in verband met de door gedaagde betaalde verzekeringspremies, wegen- en houderschapsbelasting alsmede de toegekende vergoeding voor de totaal gereden niet vergoede werkkilometers.

4.2. De Raad stelt voorop dat, nu uit de in 1.2. genoemde uitspraak van 22 april 1998 blijkt dat het gehandhaafde besluit gedaagde te verplaatsen niet in stand kon blijven en partijen in de vernietiging van het verplaatsingsbesluit door de rechtbank hebben berust, hiermee de onrechtmatigheid van dat verplaatsingsbesluit is gegeven.

4.3. Volgens vaste rechtspraak van deze Raad komt gedaagde in zodanig geval voor vergoeding van schade in aanmerking, wanneer de schade in zodanig verband staat met het als onrechtmatig erkende besluit dat zij appellant mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. De schade komt in beginsel voor volledige vergoeding in aanmerking, behoudens vermindering op grond van schending door gedaagde van de verplichting tot schadebeperking.

4.4. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat de gestelde - nog in geding zijnde - schade bestaande in de (meer)kosten verbonden aan het langer en op andere wijze moeten reizen naar en van het werk, voortvloeit uit het bij de uitspraak van de rechtbank van 22 april 1998 vernietigde besluit en als een gevolg van dat besluit aan appellant kan worden toegerekend. Of dit impliceert dat gedaagde recht heeft op vergoeding van de kosten van de aanschaf van de auto met bijbehorende kosten, hangt af van de vraag of gedaagde de van hem redelijkerwijs te vergen maatregelen heeft genomen ter beperking van de schade,

5.1.1. Met appellant acht de Raad het openbaar vervoer in beginsel een adequate voorziening ten behoeve van het woon- werkverkeer, ook in de situatie waarin gedaagde is komen te verkeren als gevolg van het vernietigde verplaatsingsbesluit. Vast staat dat in geval van reguliere dagdiensten gedaagde zonder problemen met het openbaar vervoer naar en van de tijdelijke plaats van tewerkstelling kon reizen. Nu gedaagde geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de ongegrondverklaring van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek om vergoeding van de extra uren reistijd, blijft deze schadepost hier buiten bespreking.

5.1.2. Op grond van het Besluit vergoeding verplaatsingskosten politie kwam gedaagde in aanmerking voor een tegemoetkoming in de reiskosten. Nu deze tegemoetkoming, gelet op het daaraan verbonden maximum per maand en de aftrek van een vaste vergoeding, niet alle gemaakte kosten van openbaar vervoer compenseert, stelt de Raad vast dat over de periode waarin gedaagde ten onrechte was overgeplaatst naar het district [naam district 2] voor vergoeding in aanmerking komt het verschil tussen de door gedaagde werkelijk gemaakte kosten van openbaar vervoer en de door gedaagde ontvangen tegemoetkoming, vermeerderd met de wettelijke rente.

5.2.1. In geval van vroege en late diensten ondervond gedaagde wel problemen omdat het op die tijdstippen niet (goed) mogelijk was om met het openbaar vervoer de werkplek tijdig te bereiken, respectievelijk om thuis te komen. Deze omstandigheid brengt evenwel niet mee dat gedaagde verplicht was of dat redelijkerwijs van hem verwacht werd dat hij daarom een auto aanschafte. Gedaagde had andere mogelijkheden kunnen beproeven om het woon- werkverkeerprobleem op te lossen. Hij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door appellant genoemde alternatieven geen reële en adequate oplossing boden. Hoewel hij van het bestaan hiervan op de hoogte was heeft hij de leiding van het district [naam district 2] niet om die alternatieven verzocht, aangezien hij er zelf bij voorbaat van uitging dat aanpassingen in verband met het tekort aan personeel en dienstwagens praktisch niet uitvoerbaar waren.

5.2.2. De aan het slot van 4.4. gestelde vraag moet dan ook ontkennend worden beantwoord. Het verzoek om vergoeding van de afschrijvingswaarde van de door gedaagde aangeschafte personenauto alsmede de daarmee samenhangende en door gedaagde betaalde verzekeringspremies, wegen- en houderschapsbelasting komt derhalve niet voor toewijzing in aanmerking.

Dit geldt ook voor het verzoek om vergoeding voor gereden en niet vergoede werkkilometers. Gedaagde heeft, gelijk zijn collega's, gedurende de perioden dat hij niet met het openbaar vervoer kon reizen een tegemoetkoming gekregen op grond van het bepaalde in het Besluit vergoeding verplaatsingskosten politie. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij op dit punt voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft ondervonden van het vernietigde verplaatsingsbesluit.

Het hoger beroep ten aanzien van deze schadeposten treft dan ook geen doel.

6. Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak - voorzover aangevochten - voor vernietiging in aanmerking.

7. De Raad acht tot slot termen aanwezig op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Veroordeelt de politieregio Utrecht tot betaling aan gedaagde van vergoeding zoals hiervoor omschreven in 5.1.2;

Veroordeelt de politieregio Utrecht in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. P.G.M. Zwartkruis als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar 31 juli 2003.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.