Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2003
Datum publicatie
12-08-2003
Zaaknummer
01/1842 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedaagdes stellingname komt erop neer dat zij nadelig wordt getroffen doordat bij de bepaling van het tijdvak van 52 weken arbeidsongeschiktheid als bedoeld in het eerste lid van artikel 19 van de WAO de periode waarin zij ziekengeld genoot in verband met bevalling in aanmerking wordt genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1842 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 7 december 1999 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld dat zij op

28 oktober 1999 gedurende 52 weken arbeidsongeschikt is geweest en dat haar arbeidsongeschiktheid in aansluiting op deze periode minder dan 15% bedraagt.

Bij besluit van 29 mei 2000 (het bestreden besluit) is het besluit van 7 december 1999 gehandhaafd, met dien verstande dat het einde van de zogeheten wachttijd is bepaald op 5 november 1999.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 7 februari 2001 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Tevens zijn beslissingen inzake griffierechtvergoeding en proceskosten gegeven.

Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Namens gedaagde heeft mr. G.J. Knotter, advocaat te Woerden, een verweerschrift ingediend en bij brief van 3 april 2002 nadere stukken ingezonden.

Het geding is, gevoegd met de gedingen met nummers 00/2504 WAO, 00/3437 WAZ, 00/5315 WAO en 00/5884 WW, behandeld ter zitting van de Raad op 14 maart 2003, waar voor appellant is verschenen mr. F.W.M. Keunen en mr. A.E.M. Kuppens, werkzaam bij het Uwv, en waar namens gedaagde is verschenen mr. G.J. Knotter, voornoemd.

II. MOTIVERING

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

Gedaagde was werkzaam als administratief medewerkster en van 22 oktober 1998 tot

10 februari 1999 heeft zij zwangerschaps- en bevallingsverlof genoten. Aansluitend heeft zij haar werkzaamheden hervat, maar op 19 februari 1999 is zij uitgevallen als gevolg van psychische klachten. Omdat gedaagde geschikt wordt geacht haar eigen werkzaamheden bij een andere werkgever te verrichten, heeft appellant bij besluit van

7 december 1999 geweigerd aan haar, in aansluiting op het bereiken van de wachttijd voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), een WAO-uitkering toe te kennen.

Het bezwaar van gedaagde tegen dat besluit is beperkt tot de vraag op welke datum de wachttijd is verstreken, in welk verband gedaagde heeft aangevoerd dat op

19 februari 1999 een nieuwe wachttijd van 52 weken is aangevangen. Ter ondersteuning van haar stelling heeft gedaagde gewezen op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) van 30 juni 1998 (het arrest Mary Brown), onder meer gepubliceerd in JAR 1998/198.

Appellant heeft bij het bestreden besluit verwezen naar LISV-mededeling M 99.097 van 25 oktober 1999, waarin onder meer is opgenomen dat het arrest Mary Brown geen gevolgen heeft voor de sociale zekerheidssfeer.

De rechtbank heeft, naar aanleiding van een verzoek van appellant, het bestreden besluit gelezen als ware besloten dat gedaagde op 28 oktober 1999 gedurende 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant weliswaar terecht opmerkt dat het arrest Mary Brown een arbeidsrechtelijk geschil betreft, maar dat de teneur van dat arrest is dat ingevolge vaste jurisprudentie van het HvJ EG de situatie van zwangere en net bevallen werkneemsters tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet zonder meer mag worden gelijk gesteld aan de situatie van zieke werknemers en werkneemsters, die eenzelfde periode arbeidsongeschikt zijn. Zwangere vrouwen bereiken bij het meetellen van de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof eerder het einde van de wachttijd voor de WAO. Dat is in de meeste gevallen nadelig. Volgens de rechtbank was de wetgever die mening kennelijk ook toegedaan, gelet op de wetsvoorstellen Arbeid en Zorg, waarbij was voorgesteld de periode waarin de vrouw zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten niet langer in aanmerking te nemen voor de berekening van de wachttijd voor de WAO. De rechtbank heeft hieruit geconcludeerd dat artikel 19 van de WAO, voorzover toepassing van dat artikel tot gevolg heeft dat zwangere werkneemsters gelijk gesteld worden met zieke werknemers of werkneemsters, in strijd moet worden geacht met artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 79/7/EEG van 19 december 1978 (de Derde Richtlijn) en in het geval van gedaagde buiten toepassing moet worden gelaten. De periode gedurende welke gedaagde ziekengeld in verband met haar bevalling ex artikel 29a, eerste en vijfde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft ontvangen mag niet worden meegeteld bij de berekening van de termijn van 52 weken van artikel 19 WAO.

Appellant heeft in hoger beroep uitgebreid gemotiveerd bestreden dat het arrest Mary Brown zou zijn te transponeren op het sociaal verzekeringsrecht. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat het arrest is gewezen in de bijzondere context van Richtlijn 76/207/EEG in samenhang met Richtlijn 92/85/EEG.

Ook heeft appellant erop gewezen dat het opschuiven van de wachttijd voor de WAO niet voor iedereen een voordeel oplevert; voor vrouwen die een beroep doen op de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) zou het opschuiven van de wachttijd een nadeel opleveren. Ook zou verschuiving van het einde van de wachttijd voor de WAO in een aantal situaties kunnen leiden tot verlenging van de loondoorbetalingsverplichting en daarmee tot lastenverzwaring van de werkgever. Dat zou weer een ongunstige invloed kunnen hebben op de arbeidsmarktpositie van vrouwen.

Volgens appellant heeft de rechtbank een erg gekleurde weergave gegeven van het gestelde in de memorie van toelichting bij de Nota van Wijzigingen op de Invoeringswet Arbeid en Zorg. Uit die toelichting blijkt naar het oordeel van appellant juist dat de wetgever betoogt dat het arrest Mary Brown helemaal niet noopt tot aanpassing van de regelgeving.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 19 van de WAO luidde ten tijde van belang als volgt:

1. De verzekerde, die arbeidsongeschikt wordt, heeft, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is (…).

2. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het vorige lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

3. (…)

4. (…)

5. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in de vorige leden, worden steeds in aanmerking genomen tijdvakken, gedurende welke aanspraak bestaat op ziekengeld krachtens de Ziektewet.

6. (…)

Artikel 19 van de ZW luidde ten tijde hier van belang als volgt:

1. De verzekerde heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.

2. De vrouwelijke verzekerde heeft in verband met haar zwangerschap of bevalling recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.

3. (…)

Ingevolge het eerste lid van artikel 29a ZW, zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang, heeft de vrouwelijke verzekerde in verband met haar bevalling recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon gedurende ten minste zestien weken. Het vijfde lid van artikel 29a ZW geeft voorts nadere regels voor de berekening van de termijn gedurende welke aanspraak bestaat op ziekengeld in verband met bevalling.

Artikel 4, eerste lid van de Derde Richtlijn, welke Richtlijn betrekking heeft op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van sociale zekerheid, bepaalt dat het beginsel van gelijke behandeling inhoudt dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:

- de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de

regelingen;

- de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening;

- de berekening van prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde

van de echtgenoot en voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden

inzake duur en behoud van het recht op prestaties.

Gedaagdes stellingname komt erop neer dat zij nadelig wordt getroffen doordat bij de bepaling van het tijdvak van 52 weken arbeidsongeschiktheid als bedoeld in het eerste lid van artikel 19 van de WAO de periode waarin zij ziekengeld genoot in verband met bevalling in aanmerking wordt genomen. De Raad ziet zich in verband hiermee in de eerste plaats gesteld voor de vraag of een verzekerde door het in aanmerking nemen van laatstgenoemde periode in een ongunstiger positie verkeert dan indien deze periode buiten aanmerking zou worden gelaten. In laatstgenoemd geval zou het tijdvak van 52 weken, de zogeheten wachttijd, op een later moment zijn verstreken.

Met gedaagde en de rechtbank en in weerwil van hetgeen appellant heeft aangevoerd, is de Raad van oordeel dat het feit dat het einde van de wachttijd voor de WAO eerder wordt bereikt, in beginsel nadelig is voor de verzekerde. De Raad wijst in zijn algemeenheid op het verschil in positie op de arbeidsmarkt tussen WAO-gerechtigden en hen die geen recht hebben op een WAO-uitkering. Een periode van mogelijk herstel kan ten gevolge hebben dat de verzekerde de eigen arbeid voor het einde van de wachttijd kan hervatten en de wachttijd aldus niet volbrengt. Voorts merkt de Raad op dat een eerdere ingangsdatum van de WAO-uitkering een nadelige invloed kan hebben op de hoogte van het vervolgdagloon, waarvoor immers van belang is het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de betrokkene op de datum met ingang waarvan een WAO-uitkering wordt toegekend. Ook speelt de leeftijd die de verzekerde heeft bereikt op de ingangsdatum van de WAO-uitkering een rol bij de berekening van de duur van de loondervingsuitkering. Een hogere leeftijd op het moment van ingang van de WAO-uitkering kan er aldus toe leiden dat de uitkeringsgerechtigde eerst op een latere datum een beroep moet doen op de Algemene bijstandswet, waardoor een toetsing aan het vermogen of het inkomen van de partner wordt uitgesteld.

Dit alles bijeen genomen brengt de Raad tot de conclusie dat het feit dat het einde van de wachttijd voor de WAO eerder wordt bereikt, nadelig is voor de uitkeringsgerechtigde.

Hieraan doet niet af dat het, zoals appellant heeft gesteld, in het kader van de toepassing van de WAZ juist gunstiger kan zijn eerder het einde van de - ook ingevolge die wet geldende - wachttijd te bereiken, nu het in het onderhavige geding niet om de toepassing van die wet, doch slechts om die van de WAO gaat.

De Raad stelt voorts vast dat ziekengeld krachtens de ZW in verband met bevalling wordt toegekend zonder dat bij de betrokkene sprake behoeft te zijn van door ziekte veroorzaakte ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, doch dat voor de vaststelling van de wachttijd tijdvakken waarin deze vorm van ziekengeld wordt ontvangen, worden gelijkgesteld met perioden van arbeidsongeschiktheid. Nu ziekengeld in verband met bevalling uitsluitend aan de vrouwelijke werknemer wordt toegekend, betekent dit dat alleen vrouwen worden getroffen door het door deze gelijkstelling veroorzaakte nadeel. De aan de orde zijnde regeling moet dan ook worden aangemerkt als direct discriminerend ten opzichte van vrouwen.

Uit de jurisprudentie van het HvJ EG leidt de Raad af dat de Derde Richtlijn niet voorziet in uitzonderingen op het in artikel 4, eerste lid, van die Richtlijn neergelegde beginsel van gelijke behandeling, indien sprake is van directe discriminatie naar geslacht.

Dat betekent dat een regeling die direct discriminerend is voor vrouwen buiten toepassing moet worden gelaten. Voor de berekening van de wachttijd voor de WAO mag dan ook niet worden meegeteld de periode waarin aanspraak bestaat op ziekengeld krachtens de ZW in verband met bevalling, berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 29a, eerste en vijfde lid van de ZW.

Tot slot acht de Raad voor bovenstaande conclusie niet geheel zonder betekenis dat, ook al is het arrest Mary Brown niet zonder meer te transponeren naar het sociaal verzekeringsrecht, uit dat arrest en andere daarmee verwante arresten van het HvJ EG volgt dat het niet werken als gevolg van zwangerschap of bevalling niet zonder meer gelijk is te stellen met ziekte. Naar het oordeel van de Raad kan dan ook bij de toepassing en uitleg van het bepaalde in artikel 4 van de Derde Richtlijn niet zonder meer worden voorbijgegaan aan deze jurisprudentie van het HvJ EG.

In het geval van gedaagde betekent al het voorgaande dat de wachttijd voor de WAO in haar situatie eerst op 19 februari 1999 is aangevangen. Het bestreden besluit berust derhalve op een onjuiste grondslag en geconcludeerd moet worden dat de rechtbank terecht dit besluit heeft vernietigd. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd. Van appellant zal een recht worden geheven en tevens zal appellant worden veroordeeld in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde, begroot op € 644,--, te betalen door het Uwv;

Bepaalt dat van het Uwv een recht wordt geheven van € 348,--.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2003.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.F. van Moorst.

RG