Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI0948

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
11-08-2003
Zaaknummer
02/842 ZFW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens onrechtmatige inschrijving ziekenfondsverzekering. Matiging gevorderde schadevergoeding ter compensatie trage besluitvorming bestuursorgaan.

Wetsverwijzingen
Inschrijvingsbesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering 1992 14, geldigheid: 2003-07-09
Inschrijvingsbesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering 1992 22, geldigheid: 2003-07-09
Ziekenfondswet 5, geldigheid: 2003-07-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/296

Uitspraak

02/842 ZFW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Stichting Ziekenfonds VGZ, gevestigd te Eindhoven, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 12 augustus 1999 heeft gedaagde aan appellant kennis gegeven van het besluit dat hij wegens onrechtmatige inschrijving over de periode van 14 november 1993 tot 1 december 1997 schadevergoeding verschuldigd is ten bedrage van f 7.914,67.

Het tegen dat besluit ingediende bezwaar heeft geleid tot het bestreden besluit van 11 november 1999. De vordering is bij dat besluit beperkt tot f 6.600,14.

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 18 december 2001 het beroep tegen dat besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Appellant heeft bij brief van 30 mei 2003 een nader stuk ingezonden.

Bij brief van 5 juni 2003 heeft gedaagde desgevraagd inlichtingen verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 11 juni 2003. Appellant is daar in persoon verschenen. Gedaagde heeft zich daar laten vertegenwoordigen mr. J.P.M.F. Verkennis, J.F.P.G.M. Overdijk en L.T. Blanckenborg, werkzaam in dienst van gedaagde.

II. MOTIVERING

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant heeft als werknemer gewerkt in de onderneming van zijn ouders, [naam onderneming] te [vestigingsplaats]. In verband daarmee heeft hij met ingang van 13 september 1989 als verzekerde ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw) ingeschreven gestaan bij (de rechtsvoorganger van) gedaagde. De onderneming van zijn ouders is op 14 oktober 1993 failliet verklaard. De arbeidsovereenkomst is in verband hiermee per 13 november 1993 beëindigd. De voormalige Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen Groothandel en Vrije Beroepen (hierna: de bedrijfsvereniging) heeft appellant bij brief van 22 februari 1994 in kennis gesteld van het besluit om de betalingsverplichting van de voormalige werkgever met toepassing van artikel 61 van de Werkloosheidswet (hierna: WW) over te nemen over de periode van 1 september 1993 tot en met 13 november 1993. De rechtsopvolger van de bedrijfsvereniging heeft gedaagde begin februari 1998 bericht dat de uitkering van appellant ingevolge de Werkloosheidswet per 13 november 1993 is beëindigd. Gedaagde heeft appellant bij brief van 24 februari 1999 verzocht aan te geven op grond waarvan hij naar zijn mening recht had op inschrijving als ziekenfondsverzeker-de over de periode van 14 november 1993 tot 1 december 1997. Appellant heeft bij brief van 23 mei 1999 gereageerd. Vervolgens heeft gedaagde het in rubriek 1 genoemde besluit van 12 augustus 1999 genomen. Dit besluit berust op het standpunt dat appellant zich medio november 1993 niet terstond heeft afgemeld als ziekenfondsverzekerde.

Op de hoorzitting van de bezwaarprocedure heeft appellant hiervoor als verklaring gegeven dat hij niet wist dat hij zich direct had moeten afmelden en dat hij, als hij dat wel had geweten, een particuliere ziektekostenverzekering had kunnen afsluiten.

Gedaagde heeft vervolgens bij het bestreden besluit op bezwaar van 11 november 1999, gezien de specifieke omstandigheden van het geval, het bedrag van de gevorderde schadevergoeding gematigd tot de premie die appellant bij VGZ verschuldigd zou zijn geweest voor een particuliere ziektekostenverzekering. Appellant heeft op dit bedrag ad

f 6.600,14 de over de periode van onrechtmatige inschrijving onverschuldigd betaalde nominale premie voor de ziekenfondsverzekering in mindering gebracht.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit in de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens gebreken in de regeling van het mandaat. Zij heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit evenwel in stand gelaten op de grond dat naar haar oordeel appellant zijn inlichtingenplicht verzaakt heeft, gedaagde mitsdien bevoegd was om schadevergoeding te vorderen en gedaagde in de omstandigheden van het geval in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken op de wijze waarop zij dat heeft gedaan. De rechtbank heeft in haar overwegingen betrokken dat niet gebleken is dat gedaagde nalatig is geweest bij het vervullen van zijn controletaak, nu aan het einde van de voorgeschreven controletermijn van vijf jaar geconstateerd is dat appellant zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen.

Het hoger beroep richt zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

Appellant heeft in beroep en in hoger beroep aangevoerd dat hij in oktober 1993 alle meldingen heeft gedaan naar het GAK, de pensioenfondsen, CZ en VGZ voor al zijn collega's en hemzelf. Voor zijn standpunt dat gedaagde niet bevoegd is schadevergoeding te vorderen heeft hij een beroep gedaan op de hem verstrekte verzekeringsvoorwaarden. Verder is naar voren gebracht dat gedaagde geen schade heeft geleden omdat in de periode in geding geen verstrekkingen zijn gedaan. Appellant acht het niet redelijk dat gedaagde er na de ontvangst van het bericht van de rechtsopvolger van de bedrijfsver-eniging dat de WW-uitkering per 13 november 1993 was beëindigd, meer dan een jaar over heeft gedaan om een primair besluit te nemen. Voorts is hij van mening dat gedaagde zijn recht op schadevergoeding heeft verspeeld door niet tijdig een beslissing te nemen op het door hem ingediende bezwaarschrift.

Gedaagde heeft gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt.

De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of de rechtbank terecht heeft besloten om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

De Raad beantwoordt die vraag als volgt.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Zfw wordt al hetgeen (verder) de inschrijving als verzekerde ingevolge de Zfw betreft bij of krachtens algemene maatregel van bestuur geregeld. Daarbij kunnen verplichtingen worden opgelegd aan verzekerden, gewezen verzekerden, werkgevers en vroegere werkgevers.

Ingevolge artikel 14, derde lid, van deze algemene maatregel van bestuur, het Inschrij-vingsbesluit ziekenfondsverzekering (hierna: Inschrijvingsbesluit), zijn degenen die bij een ziekenfonds zijn ingeschreven, verplicht dit ziekenfonds terstond in kennis te stellen van feiten of omstandigheden, welke tot beëindiging van de inschrijving als verzekerde of medeverzekerde leiden. Ingevolge artikel 14, vierde lid, van het Inschrijvingsbesluit dienen de kennisgevingen bedoeld in het derde lid, uiterlijk in de week na die, waarop de bedoelde feiten of omstandigheden zich voordeden aan het ziekenfonds te worden gedaan.

De Raad is van oordeel dat gezien de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad niet met voldoende zekerheid valt uit te sluiten dat appellant in oktober 1993 wel melding heeft gemaakt van de beëindiging van zijn dienstverband. Uit de administratie van gedaagde valt af te leiden dat gedaagde in november 1993 bekend was met het feit van deze beëindiging. Deze bekendheid heeft, naar gedaagde onweersproken ter zitting van de Raad heeft gesteld, evenwel niet geleid tot uitschrijving van appellant omdat uit informatie verkregen van de bedrijfsvereniging was gebleken dat appellant uit hoofde van de WW verplicht verzekerd was. De Raad neemt aan dat hetzelfde zou zijn gebeurd wanneer wel onomstotelijk was komen vast te staan dat appellant terstond kennis had gegeven van het einde van zijn dienstbetrekking. Van het vorenstaande uitgaande is de Raad van oordeel dat het eerst aan appellant is toe te rekenen dat hij in de week na 22 februari 1994, de datum van het besluit van de bedrijfsvereniging dat de betalingsverplichting van de voormalige werkgever op grond van artikel 61 van de WW werd overgenomen over de periode van 1 september 1993 tot 13 november 1993, aan gedaagde niet terstond kennis heeft gegeven van de beëindiging van die overname. Ingaande 1 maart 1994 was er derhalve aan de zijde van appellant sprake van hem toe te rekenen schending van voormeld op hem rustende inlichtingenplicht in het kader van de Zfw.

Ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Zfw kan het ziekenfonds van degene die de regels, bedoeld in het tweede lid van dat artikel niet naleeft een vergoeding vorderen voor de deswege geleden schade. De hoogte van de vergoeding wordt bepaald overeenkomstig regels gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van deze algemene maatregel van bestuur, het Inschrijvingsbesluit, is het ziekenfonds bevoegd een vergoeding te vorderen voor schade die is geleden als gevolg van de omstandigheid dat degene die is ingeschreven in de verplichte verzekering verzuimd heeft het ziekenfonds waarbij hij is ingeschreven, overeenkomstig zijn verplichtingen ingevolge artikel 14, derde en vierde lid, van het Inschrijvingsbesluit, in kennis te stellen van het einde van zijn verzekering.

De Raad is van oordeel dat uit dit samenstel van bepalingen volgt dat gedaagde met ingang van 1 maart 1994 bevoegd was om van appellant schadevergoeding te vorderen wegens onrechtmatige inschrijving. Aangezien gedaagde zich op het onjuiste standpunt heeft gesteld reeds bevoegd te zijn geweest met ingang van 14 november 1993, betekent dit dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit ten onrechte in stand zijn gelaten voor wat betreft de periode van 14 november 1993 tot 1 maart 1994.

Met betrekking tot de periode van 1 maart 1994 tot 1 december 1997 dient de Raad de vraag te beantwoorden of gedaagde in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om van appellant schadevergoeding te vorderen tot een naar rato aan de betrokken periode toe te rekenen gedeelte van het in het bestreden besluit neergelegde schadevergoedings-bedrag van f 6.600,04.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.

De voormalige Ziekenfondsraad heeft de hoogte van de verschuldigde schadevergoeding op grond van artikel 14, vierde lid, van het Inschrijvingsbesluit (oud) vastgesteld in artikel 3 van het Besluit nadere regeling inschrijving ziekenfondsverzekering. Uitgaande van de door de Ziekenfondsraad vastgestelde bedragen was gedaagde bevoegd om van appellant over de periode van 14 november 1993 tot 1 december 1997 schadevergoeding te vorderen tot een bedrag van f 7.914,67. Dit schadevergoedingsbedrag is te herleiden tot de gemiddelde kosten per verzekerde van verstrekkingen ingevolge de Zfw in de desbetreffende perioden.

Blijkens vaste jurisprudentie van deze Raad mag het uitoefenen van de bevoegdheid om schadevergoeding te vorderen van degene die niet heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 14, derde lid, van het Inschrijvingsbesluit geen automatisme zijn, maar dient dit te berusten op een evenwichtige belangenafweging.

Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de gevorderde schadevergoeding te matigen tot het bedrag aan premie dat verschuldigd zou zijn geweest indien appellant bij VGZ particulier verzekerd zou zijn geweest tegen ziektekosten. Met dit lagere schadevergoedingsbedrag is voldoende compensatie geboden voor de te trage besluitvorming van gedaagde naar aanleiding van de in februari 1998 van de rechtsopvolger van de bedrijfsvereniging ontvangen informatie, het overschrijden van de beslistermijn in de bezwaarprocedure en het onvoldoende naleven van haar wettelijke controleplicht op de juistheid van het verzeker-denbestand. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat gedaagde niet heeft kunnen aantonen dat zij deze contoleverplichting in het geval van appellant voldoende is nagekomen. Voorts heeft de Raad hierbij laten wegen dat appellant alle jaren na 1993 inschrijvingsbewijzen van gedaagde heeft ontvangen en dat hij daarop geen enkele

- aantoonbare - actie heeft ondernomen richting gedaagde. Appellant heeft zich in die tijd niet particulier verzekerd tegen ziektekosten en mitsdien geen dubbele kosten van verzekering gemaakt. Appellant was in die periode op grond van zijn inschrijving gerechtigd tot verstrekkingen op grond van de Zfw. Gedaagde heeft daardoor risico gelopen.

Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht met betrekking tot polisvoorwaarden en verjaring brengt de Raad niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze voorwaarden en de civielrechtelijke gevolgen van verjaring van vorderingen niet zien op de verplichte ziekenfondsverzekering.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij met betrekking tot de periode van 14 november 1993 tot 1 maart 1994 is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De aangevallen uitspraak dient voor het overige, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

De Raad wijst de door appellant gevorderde schadevergoeding bestaande uit de kosten van tandheelkundige hulp af reeds op deze grond dat niet aannemelijk is gemaakt dat de gezondheidstoestand van zijn gebit door het bestreden besluit, waarbij door gedaagde schadevergoeding wegens onrechtmatige inschrijving als ziekenfondsverzekerde is gevorderd, is veroorzaakt. Voor zover appellant overigens schade zou hebben geleden tengevolge van dit besluit staat het hem vrij ter zake hiervan een zelfstandig schadebesluit uit te lokken, dan wel zich te wenden tot de burgerlijke rechter.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 13,98 voor reiskosten in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en € 24,58 voor reiskosten verband houdende met de behandeling van het hoger beroep ter zitting van de Raad.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij met betrekking tot de periode van 14 november 1993 tot 1 maart 1994 is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

Wijst de gevorderde schadevergoeding af;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 38,56;

Bepaalt dat gedaagde aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 82,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van Male en

mr. G.M.T. Berkel-Kikkert, als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) R.L. Rijnen.

AP266