Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI0824

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2003
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
00/4951 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijzondere bijstand voor woonlasten, bestaande uit exploitatie-, service- en stookkosten. Voorziet de bijstandsnorm (zonder toeslag) in alle componenten van het bedrag dat betrokkene betaalt?

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 39, geldigheid: 2003-05-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2003, 143

Uitspraak

00/4951 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr. L.J.A. Sprenger, advocaat te Leiden, op in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 4 augustus 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 maart 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Sprenger, en waar gedaagde zich heeft doen vertegen-woordigen door mr. A. Klein, werkzaam bij de gemeente Leiden.

II. MOTIVERING

Appellant woont al jaren in een appartement dat eigendom is van zijn vader. Volgens afspraak met zijn vader voldoet hij als tegenprestatie voor het gebruik van de woning de door de eigenaren van de appartementen verschuldigde bijdrage aan de Vereniging van Eigenaars Van Vollenhoveplein 1-108 te Leiden (hierna: VVE) rechtstreeks aan de beheerder van het appartementencomplex. Deze bijdrage bedroeg in 1997 f 248,-- per maand.

Sedert 1 november 1982 ontvangt appellant een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 5 november 1996 is deze uitkering met ingang van 1 januari 1997 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Deze uitkering is met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de door de gemeenteraad van Leiden vastgestelde Bijstandsverordening 1998 niet verhoogd met een toeslag, omdat appellant geen woonkosten in de zin van die verordening heeft. Appellant heeft tegen het besluit van 5 november 1996 bezwaar gemaakt en tegen het op het bezwaar genomen besluit van 14 oktober 1997 beroep ingesteld. Deze procedure is uitgemond in een uit-spraak van de Raad van 30 november 1999, waarbij het verzet tegen de uitspraak van de Raad van 18 mei 1999, inhoudende niet-ontvankelijk verklaring van het hoger beroep wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht, ongegrond is verklaard.

Op 23 december 1997 heeft appellant een aanvraag ingediend voor aanvullende bijstand ter voorziening in de woonlasten die voor hem verbonden zijn aan het bewonen van zijn appartement. Bij besluit van 5 januari 1998 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 25 mei 1999 heeft gedaagde het door appellant tegen het besluit van 5 januari 1999 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is in het advies van de Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften, dat aan het besluit ten grondslag is gelegd, onder meer overwogen dat de door appellant opgevoerde kosten zijn aan te merken als algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan welke uit de norm moeten worden betaald.

De rechtbank heeft het namens appellant tegen het besluit van 25 mei 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat met de uitspraak van de Raad van 30 november 1999 in rechte is komen vast te staan dat appellant wegens het ontbreken van woonkosten in de zin van de Bijstandsverordening 1998 geen recht heeft op een toeslag op zijn bij-standsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Bij de beoordeling van de in dit geding aan de orde zijnde vraag of aan appellant terecht bijzondere bijstand is geweigerd ter voorziening in het door hem verschuldigde maandbedrag van f 248,-- neemt de Raad dan ook tot uitgangspunt dat appellant recht heeft op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande zonder toeslag.

Ingevolge artikel 39, eerste lid (oud), van de Abw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voorzover deze niet beschikt over de middelen om te voor-zien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling I, paragraaf 2 en 3, en de aan-wezige draagkracht.

De Raad verstaat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering aldus, dat het door appellant betaalde maandbedrag van f 248,-- wel als noodzakelijke kosten wordt beschouwd, maar dat deze kosten niet uit bijzondere omstandigheden voortvloeien en appellant deze kosten dient te bestrijden uit zijn bijstandsuitkering.

Uit de begroting voor het jaar 1997 van de VVE blijkt dat het voor dat jaar door leden van de VVE verschuldigde maandbedrag van f 248,-- bestaat uit drie componenten, te weten een bijdrage in de exploitatiekosten, een bijdrage in de servicekosten en een voorschot ter zake van de stookkosten. Zoals van de zijde van gedaagde ter zitting is aangegeven, dienen deze componenten te worden onderscheiden: in grote lijnen betreffen de service- en stookkosten kosten van de gebruiker en de exploitatiekosten eigenaars-lasten.

Bij de servicekosten en de stookkosten gaat het om kosten welke direct samenhangen met het gebruik van het appartement, zoals water- en energieverbruik en de kosten van de glazenwasser. Deze kosten, welke iedere bewoner van een appartementencomplex als het onderhavige moet maken, dienen uit het inkomen op bijstandsniveau te worden voldaan en komen, behoudens indien sprake is van bijzondere omstandigheden, waarvan in het geval van appellant niet is gebleken, niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

Voor de exploitatiekosten, waaronder de premie opstalverzekering en de reservering voor groot onderhoud, geldt evenwel dat dit woonkosten zijn welke normaliter voor rekening komen van de eigenaar van het appartementsrecht, maar in het geval van appellant voor diens rekening zijn gebracht. Naar het oordeel van de Raad zijn de omstandigheden van appellant in die zin als bijzonder aan te merken dat hij geen woonkosten heeft in de zin van de Bijstandsverordening en dus geen recht op toeslag heeft, maar dat de door hem ontvangen bijstandsnorm (zonder toeslag) niet voorziet in alle componenten van het bedrag dat appellant voor het gebruik van het appartement betaalt.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat met betrekking tot een deel van de onderhavige kosten niet kan worden gezegd dat deze niet zijn aan te merken als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 39, eerste lid (oud), van de Abw, zodat de weigering van bijzondere bijstand in zoverre op onvoldoende grondslag berust. Dit brengt mee dat het besluit van 25 mei 1999 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd, en dat de aangevallen uitspraak eveneens voor vernietiging in aanmerking komt. Gedaagde zal met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen opnieuw op het bezwaar van appellant moeten beslissen.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 25 mei 1999 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt op bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door de gemeente Leiden aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Leiden aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal

€ 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th. C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2003.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.