Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI0667

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2003
Datum publicatie
31-07-2003
Zaaknummer
02/3122 WSW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betekent het enkele feit dat betrokkene onder de oude WSW geldende doelgroepsomschrijving viel, betrokkene ook onder de doelgroepsomschrijving van de nieuwe Wsw valt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/3122 WSW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap Fryslân West als rechtsopvolger van het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap Westergo, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 23 april 2002, nr. 00/651 WSW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 juni 2003, waar appellant, als tevoren aangekondigd, niet is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. P.A.M. Verkuijlen, advocaat te Sint Oedenrode met bijstand van

S. Dijkema, werkzaam voor het Werkvoorzieningschap Fryslân West.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant stond op de wachtlijst om in aanmerking te komen voor een dienstbetrekking in het kader van de sociale werkvoorziening.

1.2. Bij besluit van 26 november 1999, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 27 april 2000, heeft gedaagde appellant meegedeeld hem niet te kunnen rekenen tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening. Dit betekent dat gedaagde van de wachtlijst wordt afgevoerd.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen namens appellant is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellant is van oordeel dat nu hij onder de doelgroepomschrijving van de tot 1 januari 1998 van kracht zijnde Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) viel, hij ook tot de doelgroep van de op de laatstgenoemde datum in werking getreden Wet sociale werkvoorziening (Wsw) behoort omdat de omschrijving van doelgroep niet wezenlijk is gewijzigd. Dit standpunt moet worden verworpen reeds omdat het feitelijk onjuist is. Volgens artikel 7, eerste lid, van de WSW behoorden tot de doelgroep van die wet personen die tot arbeid in staat waren, doch voor wie, in belangrijke mate ten gevolge van bij hen gelegen factoren, gelegenheid om onder normale omstandigheden arbeid te verrichten niet of voorshands niet aanwezig was, en voor wie het gemeentebestuur diende te bevorderen dat gelegenheid bestond tot het verrichten van arbeid onder aangepaste omstandigheden, welke zoveel mogelijk gericht was op het behoud, het herstel of de bevordering van hun arbeidsgeschiktheid. Volgens artikel 1, eerste lid, van de Wsw wordt onder doelgroep verstaan personen, die nog niet de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt en die door lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank hieromtrent. Samengevat heeft zij overwogen dat de doelgroepomschrijving in en krachtens artikel 1 van de Wsw aangescherpt is ten opzichte van die van artikel 7 van de WSW en dat ook uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat in de Wsw een striktere doelgroepomschrijving is beoogd. Hieruit volgt ook naar het oordeel van de Raad dat het enkele feit dat appellant onder de voor 1 januari 1998 geldende doelgroepomschrijving viel, niet betekent dat hij na deze datum op de wachtlijst gehandhaafd dient te worden. Ook kent de Wsw op dit punt geen overgangsrecht waaraan appellant een aanspraak daarop kan ontlenen.

3.2. Verder is appellant van oordeel dat het onderzoek van de in artikel 3 van het Besluit indicatie sociale werkvoorziening (het Indicatiebesluit) bedoelde commissie (de indicatie-commissie) niet deugdelijk is. Deze onafhankelijke commissie dient verplicht te adviseren. Op haar advies is het besluit gebaseerd om appellant van de wachtlijst af te voeren. Ook hierin volgt de Raad appellant niet.

3.2.1. De indicatiecommissie heeft haar advies gebaseerd op eigen onderzoek. Voorts heeft zij afzonderlijke onderzoeken laten verrichten naar de medische belastbaarheid van appellant, naar zijn persoonlijkheid en naar zijn arbeidsmogelijkheden.

(i) Volgens de rapportage medisch onderzoek WSW-indicering - voor welk onderzoek appellant door een bedrijfsarts op het spreekuur is gezien en waarin verzekeringsgeneeskundige informatie, afkomstig van Cadans, is betrokken - is onderzocht of appellant medische beperkingen heeft ten aanzien van arbeid en of er sprake is van een stationaire medische situatie. Uit het rapport van de bedrijfsarts komt naar voren dat appellant aan een familiaire spierziekte lijdt die bij hem nog niet tot aanzienlijke beperkingen heeft geleid. Uiteindelijk is hij in een mate van 80 tot 100% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO geacht vanwege psychische problemen. Twee eerdere WSW-dienstverbanden werden beëindigd omdat appellant destijds niet in staat bleek tot regelmatige arbeid. Deze arts achtte een psychologisch onderzoek noodzakelijk.

(ii) Dit onderzoek is verricht door het Arbeids Onderzoekcentrum (AOC). Een psycholoog van het AOC heeft een persoonlijkheidsonderzoek verricht en er is een capaciteitenonderzoek gedaan. Op basis van de resultaten van een en ander wordt geconcludeerd dat appellants presentatie aanleiding geeft tot het duiden van psychische stoornissen op gedragsmatig vlak. De mogelijkheden op de reguliere markt worden niet reëel geacht.

3.2.2. Aan de hand van de voorgeschreven beslistabellen heeft de indicatiecommissie, met inachtneming van de voormelde onderzoeksgegevens, onderzocht of appellant tot de doelgroep behoort. Volgens de in bijlage I bij het Indicatiebesluit opgenomen beslistabel "Behoren bij de doelgroep" blijkt dat beoordeeld moet worden of de betrokkene in staat wordt geacht met de noodzakelijke voorzieningen en/of maatregelen regelmatig arbeid in Wsw-verband te kunnen verrichten. De ten aanzien van appellant ingevulde beslistabel leidt tot de conclusie dat hij niet behoort tot de doelgroep omdat hij teveel begeleiding nodig heeft. De tijd die nodig is voor persoonlijke begeleiding - buiten de functionele contacten die gegeven de aard van de functie als gebruikelijk moeten worden beschouwd - bedraagt meer dan 10% van appellants werktijd. Voorts blijkt uit het ingevulde intakeprofiel dat appellant onvoldoende scoort op de aspecten 51 en 52 van het intakeprofiel. Dit betekent dat appellant zeer grote beperkingen heeft op de aspecten werken zonder intensieve begeleiding en arbeidsritme. De indicatiecommissie concludeert op grond hiervan dat appellant niet behoort tot de doelgroep van de Wsw.

3.2.3. Van de zijde van appellant zijn geen gegevens aangedragen die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de vermelde onderzoeksresultaten, de wijze waarop die in het verdere onderzoek van de indicatiecommissie zijn verwerkt en de gevolgtrekking die deze commissie daaruit heeft gemaakt. Anders dan appellant is de Raad dan ook van oordeel dat het advies van de indicatiecommissie, dat aan gedaagdes beslissing ten grondslag ligt, voldoet aan de daaraan rechtens te stellen eisen met betrekking tot inzichtelijkheid en dat gedaagde dit advies, heeft kunnen en mogen volgen. Gedaagde is dan ook op goede gronden tot het oordeel gekomen dat appellant niet tot de doelgroep van de Wsw behoort.

4. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2003.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) I.D. Veldman.