Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI0646

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
30-07-2003
Zaaknummer
00/5224 OSV e.a.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing "in de regel-bepaling". Heeft het Uwv op juiste wijze betrokkene op grond van art. 52 OSV 1997 ingedeeld in een andere bedrijssector?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/282

Uitspraak

00/5224 OSV

02/4455 WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: [betrokkene]),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna:

het uitvoeringsorgaan).

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het uitvoeringsorgaan tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 25 augustus 2000 heeft het uitvoeringsorgaan, beslissende op het bezwaarschrift van [betrokkene] tegen de indelingsbeslissing van 9 februari 2000, bepaald dat de eenmanszaak van [betrokkene] vanaf 1 januari 2000 dient te zijn aangesloten bij sector 32. Overig goederenvervoer te land en in de lucht.

Namens [betrokkene] heeft mr. P. Ruitenberg, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, op bij beroepschrift van

2 oktober 2000 aangevoerde gronden beroep ingesteld tegen het besluit van 25 augustus 2000.

Het uitvoeringsorgaan heeft bij brief van 2 februari 2001 van verweer gediend.

Bij besluit van 29 november 2000 heeft het uitvoeringsorgaan ongegrond verklaard de bezwaren van [betrokkene] tegen het besluit van 12 mei 2000 waarbij aan [betrokkene] is medegedeeld welke premie het uitvoeringsorgaan ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in het premiejaar 2000, benevens de door iedere werkgever verschuldigde basispremie, ten laste van hem zal worden vastgesteld.

De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 16 juli 2002 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens [betrokkene] heeft mr. Ruitenberg, voornoemd, op bij aanvullend beroepschrift van 7 oktober 2002 aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle.

Het uitvoeringsorgaan heeft bij schrijven van 28 oktober 2002 van verweer gediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 mei 2003, waar [betrokkene] met voorafgaand schriftelijk bericht niet is verschenen, terwijl het uitvoeringsorgaan zich in het geding geregistreerd onder nummer 00/5224 OSV heeft doen vertegenwoordigen door F.H. Zwijnenberg, en in het geding geregistreerd onder nummer 02/4455 WAO door mr. F.L.M. Schütz, beiden werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Bij het bestreden besluit van 25 augustus 2000 heeft het uitvoeringsorgaan gehandhaafd zijn indelingsbesluit van 9 februari 2000 waarbij [betrokkene] is meegedeeld dat zijn onderneming per 1 januari 2000 is ingedeeld bij sector 32. Overig goederenvervoer te land en in de lucht, omdat gebleken is dat de loonsom van het transportgedeelte hoger is dan die van de horeca-activiteiten

In beroep heeft [betrokkene] zich op het standpunt gesteld dat de (her)indeling al ingaande 1 januari 1997 dient plaats te vinden omdat de loonsom van het transportgedeelte van de onderneming sedert 1 januari 1997 hoger is dan de loonsom van de horeca-activiteiten. De "in de regel-bepaling" is naar de mening van [betrokkene] hier niet van toepassing omdat zich in 1997 een structurele verandering in de bedrijfsuitoefening van de bestaande samengestelde onderneming heeft voorgedaan die aansluiting bij sector 32. Overig goederenvervoer te land en in de lucht met ingang van 1 januari 1997 rechtvaardigt. Daarnaast is naar voren gebracht dat het uitvoeringsorgaan al dan niet ambtshalve tot gesplitste indeling van de afzonderlijke bedrijfsonderdelen had dienen te besluiten.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (OSV 1997) deelt de Minster van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren in, waarbij elke sector een of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat. Bij besluit van 25 februari 1997, Stcrt. 1997, 41, zoals nadien gewijzigd, heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren vastgesteld. Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de OSV 1997 is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de krachtens artikel 51 van de OSV 1997 vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten. Ingevolge het tweede lid van artikel 52 van de OSV 1997 is een werkgever die werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag aan loon betaalt. Een overgang naar een andere sector van een samengestelde onderneming kan niet eerder plaatsvinden nadat is voldaan aan de artikel 52, tweede lid, van de OSV 1997 bedoelde "in de regel-bepaling", waarbij gekeken dient te worden naar de grootste loonsom gedurende drie achtereenvolgende jaren. Uitgaande van het gegeven dat de premieloonsom sociale verzekeringen van het transportbedrijf eerst vanaf 1997 de premieloonsom sociale verzekeringen van het horecabedrijf overtrof heeft het uitvoeringsorgaan op juiste wijze de ingangsdatum van de herindeling bepaald op 1 januari 2000. Anders dan [betrokkene] ziet de Raad in de oprichting van de VOF [naam snackbar], waarbij het horeca gedeelte een zelfstandig opererende bedrijfstak is geworden, niet een zodanige structurele wijziging in de onderneming van [betrokkene] op grond waarvan het uitvoeringorgaan van zijn in artikel 53, vierde lid van de OSV 1997, gegeven bevoegdheid gebruik had moeten maken om de aansluiting bij sector 32. Overig goederenvervoer te land en in de lucht met ingang van 1 januari 1997 te doen plaatsvinden.

Ten aanzien van het verzoek van [betrokkene] om een gesplitste indeling van de afzonderlijke bedrijfsonderdelen merkt de Raad op dat ook hem niet is gebleken van een expliciet verzoek daartoe van de zijde van [betrokkene]. Voor zover er na 1januari 2000 een verzoek tot splitsing is gedaan kan dat gelet op het te hanteren datumbeleid niet resulteren in een aansluiting met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997.

Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het uitvoeringsorgaan de onderneming van [betrokkene] met ingang van 1 januari 2000 in redelijkheid heeft kunnen indelen in sector 32. Overig goederenvervoer te land en in de lucht. Het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2000 dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Voorts is in geding het antwoord op de vraag of het uitvoeringsorgaan de gedifferentieerde premie ingevolge de WAO voor het jaar 2000 op juiste gronden heeft vastgesteld op 4,17%.

De voornaamste grief van [betrokkene] is dat ten onrechte de gedifferentieerde premie voor de sector transport is toegepast, omdat de WAO-uitkering ten laste komt van het horecagedeelte van zijn onderneming. Om die reden acht hij het dan ook niet redelijk dat thans over de gehele premieloonsom de gedifferentieerde premie wordt vastgesteld.

De Raad merkt op dat voor de beoordeling van de Wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeids- ongeschiktheidsverzekeringen één aansluitingsnummer, ongeacht het aantal verzekeringsrelaties als eenheid wordt gezien. Indien er sprake is van een samengestelde onderneming gaat het om de totale lasten van deze onderneming. Dientengevolge worden de WAO-gevallen alsmede de premieloonsommen van zowel het horecagedeelte als het transportgedeelte van de samengestelde onderneming van [betrokkene] in zijn geheel meegenomen in de berekening van gedifferentieerde premie, ongeacht in welk bedrijfsonderdeel de betrokken werkneemster werkzaam was. Mede onder verwijzing naar hetgeen de Raad hierboven heeft overwogen in de indelingszaak is naar het oordeel van de Raad de WAO-uitkering van de ex-horecawerkneemster, welke in 1998 tot uitbetaling is gekomen, op grond van artikel 4, tweede en vijfde lid, van het besluit premiedifferentiatie WAO, terecht meegenomen voor de berekening van de gedifferentieerde WAO-premie.

Gelet op het hiervoor overwogene komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Rechtdoende:

Verklaart het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2000 ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003.

(get.) R.C. Schoemaker

(get.) R.E. Lysen