Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI0615

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2003
Datum publicatie
31-07-2003
Zaaknummer
00/5056 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit tot terugvordeirng gericht aan weduwe van betrokkene. Zij heeft echter de nalatenschap verworpen. Is er van nog sprake van procesbelang?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2003, 185

Uitspraak

00/5056 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], weduwe van [overledene], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij een drietal besluiten van 20 oktober 1997 heeft gedaagde aan de nagelaten betrekkingen van wijlen [overledene] (hierna: betrokkene) - in de persoon van appellante - meegedeeld:

1. dat betrokkenes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over de periode van 24 september 1990 tot en met 13 januari 1991 onder toepassing van artikel 45 van de WAO niet geheel wordt uitbetaald wegens ontvangen inkomsten uit arbeid,

2. dat vanwege die inkomsten uit arbeid betrokkenes uitkering ingevolge de Toeslagenwet (TW) wordt herzien over de periode van 3 februari 1992 tot en met 31 oktober 1993 en

3. dat - in de persoon van appellante - van hen wordt teruggevorderd een bedrag van ¦ 3.936,10 (thans: € 1.786,12) aan onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de WAO over de periode 24 september 1990 tot en met 13 januari 1991 en een bedrag van ¦ 10.774,53 (thans: € 4.889,27) aan onverschuldigd betaalde toeslag over de periode 3 februari 1992 tot en met 31 oktober 1993.

Bij besluit van 10 november 1997 heeft gedaagde van de nagelaten betrekkingen van betrokkene - in de persoon van appellante - een bedrag van ¦ 12.234,05 (thans:€ 5.551,57) aan over de periode van 8 januari 1989 tot en met 21 september 1990 onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) teruggevorderd.

Namens appellante is bij brieven van respectievelijk 23 november en 17 december 1997 tegen deze vier besluiten bezwaar gemaakt.

Bij - aan de erven van betrokkene gericht - besluit van 22 januari 1999 heeft gedaagde deze bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 10 augustus 2000 het namens appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 22 januari 1999 (hierna: het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.

Namens appellante is mr. G. Nymeijer, advocaat te Geleen, op bij beroepschrift en aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 augustus 2002, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Nymeijer voornoemd, en waar gedaagde, met voorafgaand bericht van verhindering, zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmede de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 25 maart 2003, waar voor appellante mr. Nymeijer, voornoemd, is verschenen, terwijl namens gedaagde - andermaal met voorafgaand bericht van verhindering - wederom niemand is verschenen.

II. MOTIVERING

Het gaat in dit geding om de vraag of de rechtbank terecht appellantes beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De feiten die in rubriek II. van de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.

De rechtbank heeft overwogen dat appellante geen belang meer heeft bij een uitspraak in de onderhavige procedure, nu ter zitting van de rechtbank op 6 juli 2000 is verklaard dat appellante de erfenis inmiddels heeft verworpen en dat de kinderen dat ook nog doen, en dat bij brief van 4 augustus 2000 de afschriften van de desbetreffende akten aan de rechtbank zijn gezonden. In verband hiermee heeft de rechtbank het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat appellante wel belang heeft bij een uitspraak omtrent de gegrondheid van haar beroepschrift, omdat gedaagde vooralsnog vasthoudt aan het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende herzieningsbeschikkingen. Appellante is van mening dat gedaagde ten onrechte heeft besloten de aan betrokkene verstrekte uitkering van haar terug te vorderen. Zij heeft er daarbij op gewezen dat gedaagde nog niet heeft willen c.q. kunnen bevestigen dat de verwerping van de erfenis wordt gerespecteerd. Haar in eerste aanleg aangevoerde gronden heeft appellante in hoger beroep onverkort gehandhaafd en voorts is zij van mening dat de terugvorderingsbesluiten zijn genomen met miskenning van de eigen beleidsregels van gedaagde en overigens ook met de terzake doende jurisprudentie.

Gedaagde ondersteunt appellantes hoger beroep en meent dat de rechtbank wel erg rauwelijks tot de conclusie is gekomen dat enkel de verwerping van de erfenis met zich brengt dat appellante geen procesbelang bij een materiële uitspraak meer heeft. Anders dan de rechtbank meent gedaagde dat het al dan niet respecteren van de verwerping van de erfenis - wat daar ook van zij - los staat van de in geding zijnde terugvorderingsbeslissing. Het oordeel over die verwerping wordt naar de mening van gedaagde pas van belang bij een beslissing omtrent een eventuele effectuering van de terugvordering. De civielrechtelijke invordering zal pas kunnen plaatsvinden nadat de terugvorderingsbeslissing rechtens onaantastbaar is geworden en pas bij de in het kader van de invordering te nemen beslissing spelen huwelijksgoederenrecht en erfrecht een rol.

De Raad overweegt als volgt.

Betrokkene is op 10 oktober 1996 overleden. Uit het samenstel van de primaire besluiten van 20 oktober en 10 november 1997 en het bestreden besluit leidt de Raad af dat gedaagdes besluitvorming zich - in de persoon van appellante - uitsluitend richt tot de erven van betrokkene. Voorzover het appellante aangaat is bij die besluitvorming dan ook uitsluitend rechtstreeks betrokken het belang dat zij ontleent aan haar hoedanigheid van (mede)erfgenaam van betrokkene. Niet valt in te zien welk procesbelang, ontleend aan deze hoedanigheid, appellante nog had bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit door de rechtbank, nadat zij - evenals trouwens de andere erven - inmiddels de nalatenschap van betrokkene had verworpen. Ingevolge het ten tijde van de verwerping geldende artikel 1104 van boek 4 van het Burgerlijk Wetboek wordt immers de erfgenaam, die de erfenis verwerpt, geacht nooit erfgenaam te zijn geweest. De omstandigheid dat appellante tevens deelgenote is geweest in de huwelijksgemeenschap met gedaagde, maakt dit niet anders, nu de bestreden besluitvorming zich niet richt tot appellante in die hoedanigheid.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J. W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.D. Streefkerk.