Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI0432

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
02/4299 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is betrokkene terecht niet ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding? Is vast komen te staan dat het besluit op voorgeschreven wijze is bekendgemaakt?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:8, geldigheid: 2003-07-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

02/4299 CSV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit gedateerd 7 juni 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen het besluit van

30 november 1999, waarbij appellant op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringen verschuldigd door [bedrijfsnaam] over de premiejaren 1994 en 1995.

Bij beroepschrift van 6 december 2001 is appellant tegen genoemd besluit bij de rechtbank Assen in beroep gekomen.

Bij uitspraak van 12 juli 2002 heeft de rechtbank het beroep wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Bij beroepschrift van 19 augustus 2002 is mr. J. Bonkes, advocaat te Coevorden, van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 1 november 2002 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 mei 2003, waar voor appellant is verschenen mevrouw [naam echtgenote], echtgenote van appellant, bijgestaan door mr. J. Bonkes, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. drs. R.H.L. Niehof, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

In geding is het antwoord op de vraag of de rechtbank appellant terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beroep.

De Raad gaat uit van de volgende vastgestelde feiten en omstandigheden.

Het besluit van 7 juni 2000 is niet aangetekend of met bericht van ontvangst aan gemachtigde van appellant verzonden. Gedaagde heeft de verzending op 7 juni 2000 ook niet door middel van een postregistratiesysteem of anderszins kunnen aantonen. Nadat op 2 augustus 2000 door gemachtigde van appellant is geïnformeerd naar de stand van zaken, heeft gedaagde eerst op 25 april 2001 een reactie op de brief van 2 augustus 2000 aan gemachtigde van appellant gezonden. Vervolgens is een aangetekend verstuurd poststuk bij gedaagde retour gekomen met de aantekening "niet afgehaald". Deze brief is per gewone post nogmaals verzonden aan gemachtigde op 28 mei 2001. Na een telefonisch verzoek hiertoe van gemachtigde is een afschrift van het besluit op bezwaar van 7 juni 2000 op 12 november 2001 aan genoemde gemachtigde gestuurd, waarop deze op 6 december 2001 beroep heeft aangetekend bij de rechtbank. Appellant en zijn gemachtigde ontkennen nadrukkelijk de ontvangst van brieven voorafgaand aan de toezending van het desbetreffende besluit op bezwaar bij brief van 12 november 2001.

De Raad overweegt als volgt.

Voor de Raad is niet komen vast te staan dat het besluit op bezwaar van 7 juni 2000 op de juiste wijze aan gemachtigde van appellant is bekendgemaakt. Zoals ter zitting van de Raad door gemachtigde van gedaagde is verklaard, is deze brief op dan wel omstreeks die datum kennelijk niet aangetekend aan gemachtigde van appellant verzonden.

Gezien de bijzondere processuele omstandigheden van het onderhavige geval in onderling verband bezien, is de Raad, in het licht ook van het verhandelde te zijner zitting, niet tot de overtuiging kunnen komen dat de aangetekende verzending van de brief van 25 april 2001 metterdaad heeft plaatsgevonden.

De Raad is met name van oordeel dat uit de door gedaagde overgelegde stukken, met de daarop vermelde gegevens van PTT-Post, niet kan worden afgeleid dat deze brief aan gemachtigde van appellant is toegezonden. Door het ontbreken van gegevens omtrent geadresseerde wordt niet aangetoond dat deze aantekeningen betrekking hebben op een brief die aan gemachtigde zou zijn verzonden. Ook overigens heeft gedaagde geen andere concrete en verifiëerbare gegevens overgelegd, zoals bijvoorbeeld een uitdraai uit haar postregistratiesysteem dan wel een duidelijke verklaring van (medewerkers van) TPG-Post omtrent de brief in kwestie, waardoor de toezending aan gemachtigde alsnog in toereikende mate aangetoond zou kunnen zijn geacht.

Aangezien door de hierboven geschetste gang van zaken overwegende twijfel is gerezen over de juiste verzending van het besluit op bezwaar van 7 juni 2000 en ook over de brief van 25 april 2001 aan gemachtigde van appellant, ziet de Raad in het onderhavige geval voldoende reden om uit te gaan van een reguliere bekendmaking van het besluit op bezwaar in de zin van artikel 6:8 van de Awb eerst op 12 november 2001 door de als dan traceerbare toezending hiervan aan gemachtigde van appellant. Hiervan uitgaande neemt de Raad aan dat in het onderhavige bijzondere geval tijdig beroep kan worden geacht te zijn ingesteld bij de rechtbank.

Vorenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 7 juni 2000 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het komt de Raad aangewezen voor de zaak, na vernietiging van de aangevallen uitspraak, naar de rechtbank terug te wijzen.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Nu de rechtbank zich omtrent de inhoudelijke aspecten van de zaak nog dient uit te spreken, ziet de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb voorwaardelijk

- voor het geval het bestreden besluit niet in stand kan blijven - te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en € 60,20 aan reiskosten, derhalve in totaal € 704,20.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Assen;

Veroordeelt gedaagde voorwaardelijk in de proceskosten van appellant in hoger beroep ad € 704,20;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het griffierecht ad € 82,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.