Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI0425

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
00/5916 ALGEM e.a.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mocht in dit geval, wegens het ontbreken van een administratie, worden overgegaan tot een schatting van het premieloon?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/5916 ALGEM

00/6051 ALGEM

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, tevens gedaagde, hierna: belanghebbende,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde, tevens appellant, hierna: het bestuursorgaan.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het bestuursorgaan tevens verstaan het Lisv.

Naar aanleiding van een bij belanghebbende gehouden opsporingsonderzoek heeft het bestuursorgaan bij besluit van

30 december 1996 premienota's opgelegd over de jaren 1991 tot en met 1995, die betrekking hebben op de verzekeringsplicht van een negental, niet door belanghebbende verantwoord zijnde, werknemers. Het tegen voornoemde besluit ingestelde bezwaar is bij het bestreden besluit van 10 december 1997 door het bestuursorgaan ongegrond verklaard.

De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 18 oktober 2000 het door belanghebbende ingestelde beroep tegen het bestreden besluit van 10 december 1997 gegrond verklaard, voor zover het betreft de verzekerings- en premieplicht van [werknemer 1] en [werknemer 2] alsmede de gehanteerde WAO-premies en premies SAS en SAVAS, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, het bestuursorgaan veroordeeld in de proceskosten van belangheb-bende, bepaald dat het door belanghebbende gestorte griffierecht dient te worden vergoed en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Namens belanghebbende is mr. E.P. Groot, advocaat te Groningen, op bij beroepschrift van 9 november 2000 (met bijlagen), aangevoerde gronden tegen de uitspraak van de rechtbank bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Het bestuursorgaan heeft bij schrijven van 20 maart 2001 van verweer gediend.

Namens belanghebbende heeft mr. E. Maas, kantoorgenoot van mr. Groot, voornoemd, bij brief van 8 mei 2003 nog enkele stukken doen toekomen.

Het bestuursorgaan is op bij aanvullend beroepschrift van 20 maart 2001 aangevoerde gronden van de uitspraak van de rechtbank Groningen in hoger beroep gekomen.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 mei 2003, waar namens belanghebbende is verschenen B.E. Huizing, vennoot van belanghebbende. Het bestuursorgaan heeft zich, zoals tevoren schriftelijk was aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Belanghebbende exploiteert een winkelslagerij annex worstmakerij.

Naar aanleiding van een melding heeft er in het jaar 1996 bij belanghebbende een opsporingsonderzoek plaatsgevonden. In dit kader zijn er observaties verricht, is de administratie in beslag genomen, zijn er verhoren afgenomen waarbij verklaringen zijn afgelegd.

Uit het onderzoek heeft het bestuursorgaan afgeleid dat belanghebbende verzuimd heeft voor een negental werknemers verzekeringsplicht aan te nemen.

In verband hiermee zijn door belanghebbende ten onrechte geen premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten afgedragen. Met betrekking tot dit laatste is namens belanghebbende door haar vennoot dienaangaande verklaard dat er geen premies zouden zijn afgedragen daar het slechts enige hand- en spandiensten zouden betreffen.

Het bestuursorgaan heeft vervolgens naar aanleiding van voornoemd onderzoek bij besluit van 30 december 1996 ambtshalve premies vastgesteld betrekking hebbend op de jaren 1991 tot en met 1995. Voorts is wat betreft de verhoging als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), overwogen dat deze, in afwachting van de beslissing van de Officier van Justitie of deze zaak al dan niet strafrechtelijk zal worden afgehandeld, vooralsnog niet wordt opgelegd. De tegen voornoemd besluit gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 10 december 1997 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gedeeltelijk gegrond verklaard en wel met betrekking tot de verzekeringsplicht van [werknemer 1] en [werknemer 2]. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de stukken in voldoende mate is gebleken dat zij op gezette tijden werkzaamheden voor belanghebbende hebben verricht, maar dat niet is gebleken dat zij daarvoor werden betaald. Dientengevolge heeft het bestuursorgaan [werknemer 1] en [werknemer 2] ten onrechte in de premieberekening betrokken.

Voorts is overwogen dat het bestuursorgaan aan zijn besluit verkeerde WAO-premies alsmede premies SAS en SAVAS ten grondslag heeft gelegd, zodat het bestreden besluit in zoverre vernietigd dient te worden.

Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard

Beide partijen hebben tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Raad.

Het hoger beroep van belanghebbende richt zich blijkens het hoger beroepschrift van 9 november 2000 tegen het feit dat de rechtbank naar aanleiding van een van de zijde van belanghebbende ingebracht adviesrapport van BDO, wel over is gegaan tot overneming van de in dit rapport genoemde (juiste) WAO-premies en premies SAS en SAVAS, maar dit niet heeft gedaan ten aanzien van een correctiefactor die BDO heeft toegepast, in verband met de gebruikelijke vakantie- en feestdagen. Hiertoe is namens belanghebbende aangevoerd dat de stelling van de rechtbank dat betrokkenen over genoemde dagen recht op loon zouden hebben, geen recht doet aan de feitelijke situatie en dat het hier veelal om "werknemers" ging die geen formeel dienstverband hadden.

Ten tweede is namens belanghebbende aangevoerd dat het bestuursorgaan de premies over het jaar 1991 ingevolge artikel 13 CSV niet meer kon opleggen daar belanghebbende het besluit van 30 december 1996, mede gelet op de drukke postperiode, nooit voor 1 januari 1997 ontvangen kan hebben.

Het hoger beroep van het bestuursorgaan richt zich uitsluitend en alleen tegen het oordeel van de rechtbank dat werknemers [werknemer 1] en [werknemer 2] niet als werknemer aangemerkt kunnen worden. Daartoe is aangevoerd dat uit verklaringen en gegevens uit eigen waarnemingen en onderzoek is vastgesteld dat beiden werkzaamheden hebben verricht bestaande uit het rondbrengen van bestellingen. Daarbij is opgemerkt dat de bestellingen die voor belanghebbende rondgebracht moesten worden, niet incidenteel maar structureel van aard waren hetgeen wijst op een structurele arbeidsbehoefte. Óf [werknemer 1] en [werknemer 2] hebben deze arbeidsbehoefte ingevuld, waarbij het dan volstrekt onaannemelijk is dat de werknemers voor deze (structurele) werkzaamheden niet op enigerlei wijze betaald werden, óf [werknemer 2] en

[werknemer 1] hebben de arbeidsbehoefte niet ingevuld, waardoor er dus sprake is van een niet-verantwoorde arbeidsbehoefte.

De Raad overweegt als volgt.

Met betrekking tot de eerste grief van belanghebbende is de Raad van oordeel dat het bestuursorgaan gelet op de tijdens het opsporingsonderzoek verkregen verklaringen en gegevens, onder andere de in beslag genomen administratie, tot de gerechtvaardigde conclusie kon komen dat belanghebbende vergoedingen heeft gegeven aan personen, die niet in de administratie van belanghebbende zijn verantwoord en waarvoor ten onrechte geen loonopgaven bij het bestuursorgaan zijn gedaan en derhalve ten onrechte geen premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten zijn afgedragen. Nu de administratie om hiervoor vermelde redenen niet als basis voor de berekening van de verschuldigde premies kon dienen, mocht het bestuursorgaan naar het oordeel van de Raad terecht overgaan tot een schatting van het premieloon. De Raad is van oordeel dat deze schatting niet tot een onredelijke uitkomst heeft geleid. Nu de schatting tot stand is gekomen op basis van verklaringen en onderzoeksgegevens, is er naar het oordeel van de Raad geen enkele reden (nog) rekening te houden met een correctiefactor zoals aangegeven in het hoger beroepschrift. Deze grief dient dan ook te falen.

Voor wat betreft de tweede grief is de Raad van oordeel dat ook deze geen doel treft. Artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Voorts is in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Aangezien in het onderhavig geval namens belanghebbende geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die doen twijfelen aan de verzending van het besluit in primo d.d. 30 december 1996 op die dag, ziet de Raad, mede gelet op de processuele opstelling van belanghebbende, waarbij eerst ter zitting van de rechtbank namens belanghebbende de verzending op 30 december 1996 in twijfel is getrokken, geen aanleiding uit te gaan van een andere verzenddatum dan

30 december 1996. Aldus is het besluit op 30 december 1996 aan belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb bekendgemaakt en kon derhalve het bestuursorgaan ingevolge artikel 13 van de CSV de premie over het jaar 1991 vaststellen en aan belanghebbende opleggen, hetgeen bij het besluit in primo is geschied.

Ten aanzien van de grief van het bestuursorgaan in hoger beroep is de Raad van oordeel dat de bewijsvoering van het bestuursorgaan inzake het feit dat [werknemer 1] en [werknemer 2] aangemerkt kunnen worden als werknemer, in het bijzonder dat, zoals in hoger beroep is aangevoerd, sprake zou zijn van een structurele arbeidsbehoefte en dat het volstrekt onaannemelijk is dat zij voor deze (structurele) werkzaamheden niet op enigerlei wijze betaald werden, is blijven steken in veronderstellingen, waardoor van het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking onvoldoende is gebleken. Het voorgaande leidt er toe dat ook de grief van het bestuursorgaan niet kan slagen.

Het vorenstaande brengt mee dat, nu zowel het hoger beroep van belanghebbende als dat van het bestuursorgaan niet slagen, de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Derhalve wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2003.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.