Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI0421

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
00/5277 CSV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur, op grond waarvan betrokkene hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor premieschulden?

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering
Coördinatiewet Sociale Verzekering 16d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/281

Uitspraak

00/5277 CSV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 29 april 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen het besluit van

3 september 1998, waarbij hij op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door de [naam BV] (hierna: [naam BV]) verschuldigde, doch niet betaalde premie en boete voor de sociale werknemersverzekeringswetten over de jaren 1997 en 1998, zulks ten bedrage van f 1.560.655,32

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 5 september 2000 het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant is bij gemachtigde, mr. J.L.J. Leijendekker, advocaat te Wijk bij Duurstede, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is bij brief van 18 maart 2003 nog een vanwege de Raad gestelde vraag beantwoord en is bij brief van

28 maart 2003 nog een stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 mei 2003, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde is verschenen bij zijn gemachtigde mr. P.G.J. Reurings, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant was van 26 augustus 1997 tot 25 maart 1998 bestuurder van [naam BV]. Op 25 maart 1998 is [naam BV] failliet verklaard.

Appellant heeft op 26 februari 1998 een melding gedaan van betalingsonmacht van [naam BV], welke melding op 8 april 1998 door gedaagde als rechtsgeldig is aangemerkt.

Gedaagde heeft de curator van appellant vervolgens bij brief van 17 juli 1998 in kennis gesteld van zijn besluit de over 1997 ambtshalve vastgestelde premie te verhogen met een boete van 100% en het gepleegde verzuim als zodanig te registreren.

Bij besluit van 3 september 1998 heeft gedaagde appellant op grond van artikel 16d van de CSV aansprakelijk gesteld voor over 1997 en 1998 onbetaald gebleven premie en boete ten bedrage van f 1.560.655,32. Bij besluit van 29 april 1999 heeft gedaagde dit besluit gehandhaafd. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat de niet betaling van de premies over 1997 en 1998 te wijten is aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van appellant.

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 5 september 2000 het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant is in hoger beroep gekomen, heeft het kennelijk onbehoorlijk bestuur zijnerzijds betwist en in dat verband gesteld dat hij als bestuurder adequate maatregelen heeft genomen. Verder heeft hij aangeboden te bewijzen dat er niet voldoende geld aanwezig was om de oude premieschulden te voldoen en dat er ook andere bestuurders waren in de periode van drie jaar voor de melding van de betalingsonmacht.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 16d, eerste lid, van de CSV is hoofdelijk aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen: ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het lichaam als bedoeld in het eerste lid verplicht is onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling in staat is, daarvan mededeling te doen aan het uitvoeringsorgaan en, indien het uitvoeringsorgaan dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen. Elke bestuurder is bevoegd namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen.

Indien het lichaam op de juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is ingevolge het derde lid van artikel 16d van de CSV een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de premie of de voorschotpremie het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Partijen houdt primair verdeeld het antwoord op de vraag of gedaagde in de periode waarin appellant bestuurder was aannemelijk heeft gemaakt dat het onbetaald blijven van de onderhavige premieschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord en in verband daarmee het volgende overwogen, waarbij appellant als eiser is aangemerkt en gedaagde als verweerder.

"De rechtbank overweegt dienaangaande met betrekking tot eisers bestuurdersperiode dat eiser in elk geval na de waarschuwing van de notaris op de hoogte was van de slechte boekhouding van [naam BV]. Voor eiser had voorts het gegeven dat de verkoper van het bedrijf geen balansgarantie wilde afgeven reden moeten zijn te beseffen dat het risico bestond dat [naam BV] - de totale financiële situatie beziend - in een ongunstige financiële positie verkeerde. Toen eiser vervolgens bleek dat er sprake was van een slechte financiële situatie van het bedrijf, heeft hij, naar het oordeel van de rechtbank, niet adequaat genoeg gereageerd. Eiser heeft, blijkens zijn eigen stelling, immers niet anders gedaan dan de jaarstukken over 1996 in orde maken. Zoals door verweerder is gesteld, had eiser het bedrijf kunnen beëindigen op het moment dat de situatie als uitzichtloos moest worden ingeschat, of had hij meer concrete acties moeten ondernemen om het bedrijf te redden (zoals het maken van afspraken met crediteuren). Het had eiser duidelijk moeten zijn dat het bij betaalautomaten opnemen van grote geldbedragen voor het uitbetalen van uitzendkrachten - zoals hij beweert te hebben gedaan - geen blijvende oplossing voor het bedrijf kon zijn en dat dit onder andere de positie van verweerder als preferent schuldeiser beduidende schade toebracht.

Voorts is het vast jurisprudentie van de CRvB (zie RSV 1996/142 en 128) dat een bestuurder verantwoordelijk is voor de financiële situatie van zijn bedrijf en dat van hem mag worden verwacht dat hij adequate maatregelen neemt. Eiser kan zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet verschuilen achter de bewering dat de hele situatie binnen het bedrijf hem (nog) niet volledig duidelijk was.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser zijn stellingen op geen enkele wijze met relevante stukken heeft onderbouwd. Dat belangrijke delen uit de administratie van [naam BV], zoals het kasboek, bij zijn accountant [naam accountant] of bij de curator van [naam BV] zouden liggen, zoals eiser heeft verklaard, had hem er, in het licht van het verslag van bevindingen van de curator, toe moeten bewegen zelf contact met deze personen op te nemen. Eiser heeft in dat opzicht evenwel geen enkele actie ondernomen. Evenmin heeft eiser aan de hand van concrete stukken aangetoond dat hij destijds met een reëel, voor verweerder aanvaardbaar te achten betalingsvoorstel met betrekking tot de verschuldigde premies is gekomen.".

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en maakt de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, tot de zijne. De Raad gaat er daarbij vanuit dat appellant niet eerder dan op 26 februari 1998 een melding heeft gedaan van betalingsonmacht van [naam BV], welke melding op 8 april 1998 door gedaagde als rechtsgeldig is aangemerkt. Dat appellant zoals hij stelt reeds eerder een zodanige melding heeft gedaan is niet gebleken.

Evenmin heeft appellant zijn overige in hoger beroep herhaalde stellingen met concrete gegevens onderbouwd, zodat de Raad aan die stellingen voorbij gaat.

Voorts dient de Raad de vraag te beantwoorden of appellant door gedaagde eveneens aansprakelijk kon worden gesteld voor de premies die betrekking hebben op de periode voor zijn aantreden als bestuurder van [naam BV]. De rechtbank heeft deze vraag eveneens bevestigend beantwoord en in verband daarmee het volgende overwogen.

"Op basis van de ter zake geldende wettelijke bepalingen kan eiser in beginsel voor het geheel van de onbetaald gebleven premies aansprakelijk worden gesteld. Ook voor de premies die betrekking hebben op de periode voordat eiser formeel bestuurder van [naam BV] werd. In de Memorie van Toelichting op wetsontwerp 16530, zittingsjaar 1980-1981, is aangegeven dat de bestuurder ook aansprakelijk is voor de bij zijn in functie treden als bestuurder reeds bestaande premieschulden. Een beroep op disculpatie zal over het algemeen gemakkelijk slagen volgens de toelichting. Een nieuwe bestuurder is echter wel aansprakelijk voor oude premie-schulden als het lichaam deze niet betaalt terwijl er wel voldoende geldmiddelen aanwezig zijn. Gelet hierop moet de nieuwe bestuurder dus aannemelijk maken dat er niet voldoende geld aanwezig was om de premieschulden te betalen en dat het niet mogelijk is gebleken maatregelen te treffen om de schuld toch nog te voldoen, zodat de niet-betaling aan hem te wijten is.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam BV], op en direct na de datum waarop eiser als bestuurder aantrad bij deze vennootschap, financieel geheel in de onmogelijkheid verkeerde aan de bestaande premieplicht te voldoen.".

De Raad onderschrijft ook dit oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, en maakt deze tot de zijne. De Raad wijst in dit verband op de opgenomen gelden bij betaalautomaten die appellant heeft aangewend voor de betaling van uitzendkrachten. Aan dit oordeel doet niet af dat appellant meende die betalingen te moeten doen om te voorkomen dat hij werknemers zou kwijtraken, voor welke keuze en de daaruit voortvloeiende gevolgen hij als bestuurder verantwoordelijk is.

Voorts wijst de Raad erop dat, zoals reeds in het besluit van 3 september 1998 staat vermeld, ook [naam bestuurder] voor de onbetaald gebleven premies aansprakelijk is gesteld.

De Raad ziet tenslotte in de in de omstandigheid dat appellant verwikkeld is in een strafprocedure geen aanleiding om tot een aanhouding van deze zaak over te gaan, aangezien naar het oordeel van de Raad er geen relatie bestaat tussen deze procedure en het onbetaald gebleven zijn van de premies waar het in het onderhavige geding om gaat.

Gelet op het hiervoor overwogene ziet de Raad geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G van der Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2003.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.