Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI0375

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2003
Datum publicatie
31-07-2003
Zaaknummer
02/1164 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres verkeerde in dezelfde positie als haar zusters, die wel als burger-oorlogsslachtoffer zijn erkend. Gelijke gevallen dienen gelijk te worden behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/1164 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres] , wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 29 januari 2002, kenmerk JZ/F/2002/009, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep doen instellen door F.W. Hielckert te Venlo. In een aanvullend beroepschrift (met bijlage) is uiteengezet waarom eiseres zich niet met dit besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 februari 2003. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde F.W. Hielckert voornoemd. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in januari 2001 een aanvraag ingediend om een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en een periodieke uitkering. Zij heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan hetgeen zij heeft meegemaakt tijdens de Japanse bezetting en in de Bersiaptijd.

Bij besluit van 29 augustus 2001, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat in onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet en daarom zonder medische beoordeling de aanvraag van eiseres afgewezen. Met betrekking tot de gebeurtenissen waaraan eiseres haar gezondheidsklachten toeschrijft, heeft verweerster het volgende overwogen:

- niet is gebleken dat de vlucht van Kedoeroes even buiten Soerabaja naar Bambé in het binnenland tijdens de Japanse bezetting onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden;

- de werkzaamheden in een fotoröntgenfabriek te Soerabaja tijdens de Japanse bezetting kunnen niet worden aangemerkt als verplichte tewerkstelling, aangezien eiseres er geld voor ontving en elke avond naar huis mocht terugkeren;

- de verkrachting door de Japanse directeur van die fabriek is buiten de eigen verklaring van eiseres niet bevestigd of aannemelijk gemaakt, terwijl niet is komen vast te staan dat het hierbij gaat om mishandeling die onder de werking van de Wet kan worden gebracht;

- van internering in de Darmowijk in de Bersiaptijd is geen objectieve bevestiging verkregen;

- evenmin is gebleken dat de evacuatie vanuit de Siakstraat in de Darmowijk naar de haven van Soerabaja in de Bersiaptijd onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden.

Hierbij heeft verweerster aangetekend dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan aanspraken van derden en dat in de loop van de jaren beleidswijzigingen ten aanzien van de beoordeling van de oorlogsgebeurtenissen zijn doorgevoerd.

In beroep, zoals toegelicht ter zitting, is namens eiseres de verkrachting van haar tijdens de Japanse bezetting geplaatst tegen de achtergrond van de barbaarse wijze van optreden door de Japanners in de door hen bezette gebieden, ook tegenover vrouwen. Daarbij is een vergelijking getrokken met een met name genoemde man die er bij zijn aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer een beroep op heeft gedaan tijdens de Japanse bezetting door een pedofiele Japanner langdurig te zijn misbruikt en die, anders dan eiseres, vanwege verweerster wel aan een medisch onderzoek is onderworpen.

Voorts is namens eiseres naar voren gebracht dat de evacuatie in de Bersiap-tijd vanuit de Siakstraat in de Darmowijk naar de haven van Soerabaja onder zeer levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden. Immers, de escorterende Ghurka's hebben niet kunnen voorkomen dat bij het een na laatste transport twee trucks met vrouwen en kinderen in handen zijn gevallen van extremistische pemoeda's die die trucks met benzine hebben overgoten en in brand gestoken, waarna de inzittenden levend zijn verbrand.

Tevens is er namens eiseres een beroep op gedaan dat haar vier zusters - geboren in respectievelijk 1925, 1927, 1928 en 1934 - in de afgelopen jaren wel als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet zijn erkend en dat aan alle vier wel een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet is toegekend, wat de afwijzing van haar aanvraag onbegrijpelijk maakt, omdat zij allevijf tijdens de Japanse bezetting en in de Bersiap-tijd deel hebben uitgemaakt van hetzelfde gezin en in zoverre hetzelfde hebben meegemaakt.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of, gelet op hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

De vlucht naar Bambé is door eiseres niet precies in de tijd geplaatst, terwijl de ten aanzien van haar zusters opgemaakte rapporten geen eenduidig antwoord geven op de vraag wanneer precies de vlucht naar Bambé heeft plaatsgevonden, maar wel waarom. Drie zusters hebben de vlucht geplaatst vóór de aanvang van de Japanse bezetting uit voorzorg, de vierde kort erna, maar evenzeer uit voorzorg. Van een situatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet kan bij die vlucht derhalve niet worden gesproken. Drie zusters van eiseres zijn als burger-oorlogsslachtoffers erkend onder meer op grond van plundering van het ouderlijk huis in Bambé en/of vlucht uit het huis in Bambé en/of uitzetting uit het huis in Bambé door Japanners, maar, aangezien eiseres van die gebeurtenissen geen melding heeft gemaakt en daarop geen beroep heeft gedaan, kan - ook al heeft zij in de periode waarin die gebeurtenissen zich hebben voorgedaan deel van hetzelfde gezin uitgemaakt - daarin geen aanleiding zijn gelegen haar te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer.

Van verplichte tewerkstelling van eiseres in de fotoröntgenfabriek kan gelet op met name haar nog zeer jeugdige leeftijd, het ontvangen van een geldelijke beloning en het buiten werktijd thuis mogen zijn, geen sprake zijn geweest. Uit de gedingstukken blijkt dat de op een na oudste zuster van eiseres mede op grond van tewerkstelling in diezelfde fabriek als burger-oorlogsslachtoffer is erkend. Echter, gelet op hetgeen die zuster daarover toen heeft verklaard, bezien in het licht van hetgeen eerder al was verklaard door een andere, eveneens tijdens de Japanse bezetting in die fabriek werkzame zuster, kan die erkenning mede op grond van die tewerkstelling niet anders worden gekwalificeerd dan als een kennelijke misslag, zodat eiseres daaraan geen aanspraak kan ontlenen.

De verkrachting door de in de fotoröntgenfabriek als haar directeur of chef werkzame Japanner waarvan alleen eiseres gewag heeft gemaakt, kan haar evenmin tot burger-oorlogsslachtoffer maken, reeds omdat er ook na onderzoek door het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie geen enkele aanwijzing ter tafel is gekomen dat de desbetreffende Japanner enige militaire functie binnen of buiten die - voor het Centraal Burger Ziekenhuis en ook andere ziekenhuizen opdrachten verwerkende - fabriek had. Er kan dan ook niet worden gesproken van een door of namens de vijandelijke bezettende macht(en) tegen haar gerichte handeling of maatregel, zoals in artikel 2, eerste lid, van de Wet vereist. Daarin kan een medische beoordeling geen verandering brengen, zodat een medisch onderzoek op die grond terecht achterwege is gelaten en de namens eiseres getrokken vergelijking met de door een Japanner misbruikte man geen doel kan treffen.

Blijven over de namens eiseres ter zitting toegelichte internering in de Darmowijk en evacuatie van daaruit naar de haven van Soerabaja, beide in de Bersiaptijd.

Blijkens de gedingstukken heeft verweerster begin 1992 de oudste zuster als burger-oorlogsslachtoffer erkend mede op grond van internering in de Siakstraat (in de Bersiaptijd) en evacuatie (vanuit de Siakstraat met een onderweg naar de haven van Soerabaja beschoten konvooi) naar Singapore. Verweerster heeft voorts ook de jongste zuster eind 1999 als burger-oorlogsslachtoffer erkend mede op grond van internering in het extremistenkamp Darmo (in de Bersiaptijd) en beschietingen door extremisten van het konvooi waarmee de evacuatie vanuit de Darmowijk (naar de haven van Soerabaja en van daaruit) naar Singapore plaatsvond. Verweerster is tot die erkenningen overgegaan mede op grond van de bevestigde verklaringen van die twee zusters dàt het om internering in de Darmowijk in de Bersiaptijd ging en dàt het konvooi onderweg is beschoten.

Dat eiseres met haar moeder en haar vier zusters in de Bersiaptijd in de Darmowijk heeft gewoond en vandaaruit onder begeleiding van gewapende Ghurka's in konvooi is geëvacueerd naar de haven van Soerabaja, is niet in geschil. Op grond van de geding-stukken, waaronder een rapportage van het (voormalige) Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie van 8 september 1992, is niet onaannemelijk te achten dat evacuatie-konvooien door pemoeda's zijn beschoten, dat daarbij doden en gewonden zijn gevallen, dat zulks ook het geval is geweest bij het konvooi waarmee eiseres met haar moeder en haar vier zusters is geëvacueerd en dat derhalve de evacuatie van eiseres evenzeer onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden.

De conclusie moet derhalve zijn dat eiseres, wat deze beide gebeurtenissen betreft, in dezelfde positie heeft verkeerd als haar zusters die door verweerster mede op die gronden wel als burger-oorlogsslachtoffer zijn erkend.

Ter verklaring van het verschil in beoordeling is namens verweerster ter zitting naar voren gebracht dat de opvattingen ten aanzien van gebeurtenissen als thans aan de orde in de loop der tijd verder zijn uitgekristalliseerd en voorts dat eiseres in het sociaal rapport geen melding heeft gemaakt van specifiek levensbedreigende omstandigheden bij het transport naar de haven. In dit verband is namens verweerster ter zitting gewezen op het in 2000 uitgegeven boek "Revolutie in Soerabaja 17 augustus - 1 december 1945" van Willy Meelhuijsen en gesteld dat van de evacuatie naar de haven van Soerabaja historisch niet bekend is dat deze transporten - in tegenstelling tot het Goebeng-transport naar de Darmowijk - zijn aangevallen.

De Raad constateert dat die bevindingen van Meelhuijsen niet sporen met de hiervoor aangehaalde rapportage van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie en evenmin ten grondslag zijn gelegd aan het thans bestreden besluit.

Gelet hierop is de Raad van oordeel dat verweerster heeft gehandeld in strijd met het beginsel dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld door ten aanzien van eiseres de internering in de Darmowijk en de evacuatie vanuit die wijk naar de haven van Soerabaja, beide in de Bersiaptijd, niet als calamiteit in de zin van de Wet te aanvaarden. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven.

Aangezien, tot slot, termen aanwezig zijn verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 31,56 aan reiskosten van de gemachtigde van eiseres en van andere kosten aan de kant van eiseres niet is gebleken, beslist de Raad als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 31,56, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt voorts dat het betaalde griffierecht ad € 27,-- door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiseres dient te worden vergoed.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2003.

(get.) C.G. kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.