Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI0307

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2003
Datum publicatie
22-07-2003
Zaaknummer
01/4625 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zijn de uitlatingen betreffende de hoogte van het wachtgeld van zodanige aard dat gedaagde gehouden zou zijn daaraan uitvoering te geven? Is sprake van opgewekte verwachtingen?

Wetsverwijzingen
Uitkeringsregeling 1966 8c, geldigheid: 2003-05-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/4625 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 juni 2001, nr. 01/296 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 maart 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. I.M. van den Heuvel, advocaat te Roosendaal. Gedaagde heeft zich, met bericht, niet ter zitting laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met vermelding van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.

1.1. Appellant is door de Minister van Justitie per 1 september 1998 aangesteld als groepsleider in de Rijksinrichting [F. te G.], tot uiterlijk 1 september 2000. Van 1 juni tot 1 december 1999 is hij gedetacheerd geweest bij de Rijksinrichting [H. te I.] in de functie van assistent groepsopvoeder.

1.2. Bij besluit van 23 juni 2000, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 november 2000, heeft de Minister van Justitie bepaald dat aan appellant geen nieuw dienstverband zal worden verleend. In verband hiermee heeft die minister vastgesteld dat appellant op grond van artikel 95, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) wordt geacht met ingang van 1 september 2000 eervol te zijn ontslagen. Bij uitspraak van 25 juni 2001, nr. 00/1787 AW, heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden, nr. 01/4624 AW, heeft de Raad die uitspraak van de rechtbank voorzover hier van belang bevestigd.

1.3. Ter zake van de beƫindiging van zijn dienstbetrekking heeft gedaagde appellant bij besluit van 24 oktober 2000 een uitkering ingevolge de Uitkeringsregeling 1966 (UKR) toegekend. Deze uitkering is voor het tijdvak van 1 september 2000 tot 1 maart 2002 vastgesteld op 70% van de laatstgenoten bezoldiging.

1.4. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt, voorzover thans nog van belang daartoe stellende dat hij niet 70% doch 80% van de laatstgenoten bezoldiging zou moeten ontvangen. Bij het bestreden besluit van 9 januari 2001 heeft gedaagde het bezwaar op dit punt ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak strekt tot ongegrondverklaring van het hiertegen gerichte beroep.

2. Ter zitting van de Raad heeft appellant aangevoerd dat hij, anders dan gedaagde en de rechtbank hebben aangenomen, op grond van de UKR aanspraak kan maken op 80% van de laatstgenoten bezoldiging. Zijns inziens is niet artikel 8c, tweede lid, van de UKR op hem van toepassing, welk artikellid ziet op een ambtenaar in tijdelijke dienst, maar artikel 8c, eerste lid, dat betrekking heeft op een ambtenaar in vaste dienst.

2.1. De Raad onderschrijft dit betoog niet. In zijn uitspraak van heden in zaak nr. 01/4624 AW, betreffende het niet voortzetten van de dienstbetrekking tussen appellant en de Minister van Justitie, heeft de Raad de stelling van appellant dat hij niet in tijdelijke doch in vaste dienst was aangesteld, als onjuist verworpen. Gedaagde heeft de aanvraag van appellant dan ook terecht getoetst aan artikel 8c, tweede lid, van de UKR. Dit artikel voorziet, ten tijde hier van belang, in een uitkering gelijk aan 70% van de laatstgenoten bezoldiging.

3. Voor het overige berust het hoger beroep van appellant op de stelling dat de Minister van Justitie hem, in het kader van een voorzieningenprocedure bij (toen) de president van de rechtbank, een uitkering naar 80% heeft toegezegd en dat gedaagde aan die toezegging is gebonden.

3.1. De Raad stelt vast dat de gemachtigde van de Minister van Justitie in het kader van de bedoelde voorzieningenprocedure inderdaad heeft betoogd dat van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening - de voortzetting van de dienstbetrekking betreffende - geen sprake was omdat appellant aanspraak kon maken op een uitkering op grond van de UKR en dat daarmee voorlopig het behoud van minstens 80% van zijn laatstgenoten inkomen was gewaarborgd.

3.2. Naar het oordeel van de Raad zijn deze uitlatingen van de gemachtigde van de Minister van Justitie echter niet zodanig dat appellant daaraan, in afwijking van hetgeen in de UKR is bepaald, aanspraak zou kunnen ontlenen op toekenning van een uitkering naar 80%. Nog daargelaten dat de bevoegdheid tot het toekennen van een uitkering op grond van de UKR niet bij de Minister van Justitie maar bij gedaagde berust, kan niet worden gesproken van een gedaagde bindende bewuste en doelgerichte toezegging met betrekking tot het percentage van het laatstgenoten inkomen waarnaar de uitkering zal worden berekend. Gelet op de context waarin de uitlatingen zijn gedaan, hadden deze kennelijk geen verdergaande strekking dan dat appellant, gezien zijn aanspraken op grond van de UKR, vooralsnog over een substantieel deel van zijn laatste inkomen zou blijven beschikken en dat een voorlopige voorziening om die reden niet nodig was. Aannemelijk is dat de gemachtigde van de Minister van Justitie - juist ook omdat de berekening van de uitkering niet tot diens vaste taken behoort - bij vergissing het vroeger voor tijdelijke dienstbetrekkingen geldende percentage heeft genoemd, dat echter slechts van toepassing is gebleven voor hen die uiterlijk op 1 juli 1997 in tijdelijke dienst zijn aangesteld.

3.3. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan dus niet slagen.

4. Het hoger beroep treft geen doel en de aangevallen uitspraak komt in aanmerking om te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. R. Kooper en prof. mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2003.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

08.04