Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AI0305

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2003
Datum publicatie
22-07-2003
Zaaknummer
01/2499 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor schadevergoeding dient causaal verband aanwezig te zijn. Is voldoende waarschijnlijk geworden dat de schade (lawaaidoofheid) is veroorzaakt door de werkomstandigheden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/178

Uitspraak

01/2499 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Brabant-Noord, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 maart 2001, nr. AWB 00/1326 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 mei 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L.A.A. Ongenae, advocaat te Zoetermeer. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Meuser, werkzaam bij de politieregio Brabant-Noord.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam bij de veld- en milieupolitie en als zodanig belast met het uitvoeren van visserijcontroles, waarbij gebruik werd gemaakt van een speedboot met buitenboordmotor. In 1996 is bij appellant lawaaidoofheid geconstateerd. Bij brief van 11 november 1997 heeft appellant zich tot gedaagde gewend met het verzoek aansprakelijkheid te erkennen en schade te vergoeden die voortvloeit uit het langdurig blootgesteld zijn aan het lawaai van de buitenboordmotor. Bij brief van 22 december 1997 is namens appellant toegelicht dat het gaat om niet door rechtspositionele voorzieningen op te vangen schade voor geleden pijn en gederfde levensvreugde alsmede voor een mogelijk verbroken carrièreverloop, niet vergoede ziektekosten en buitengerechtelijke juridische kosten.

1.2. Het verzoek is afgewezen bij besluit van 27 juli 1998. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 januari 2000. Het hiertegen door appellant ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

2.1. Appellants verzoek heeft betrekking op schade die niet wordt vergoed door achterliggende voorzieningen. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte getoetst aan artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie. Dit betreft immers een rechtspositioneel voorschrift.

2. 2. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 22 juni 2000, TAR 2000, 112) heeft de ambtenaar, voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit de op hem van toepassing zijnde specifieke rechtspositionele voorschriften, recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat deze norm niet geldt voor schade opgetreden vóór 1993. De Raad verwijst bij voorbeeld naar zijn uitspraak van 31 mei 2001, TAR 2001, 140.

2.3. In de bewoordingen "in de uitoefening van zijn werkzaamheden " is tot uitdrukking gebracht dat er tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de schade causaal verband moet bestaan. Zulk een causaal verband acht de Raad (zie CRvB 12 maart 1998, TAR 1998, 78) eerst aanwezig indien er een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de werkzaamheden en/of werkomstandigheden van de betrokken ambtenaar de bij die ambtenaar aan het licht getreden ziekte daadwerkelijk hebben veroorzaakt. Daarbij is het aan appellant (zie CRvB 19 september 2002, TAR 2003, 25) om feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit blijkt dat sprake is van voldoende mate van waarschijnlijkheid als hier bedoeld.

2. 4. Appellant meent, kort samengevat, dat het gebruik van de motorboot en het dienst/alarmpistool de oorzaak is van de bij hem opgetreden gehoorbeschadiging. Gedaagde heeft dit gemotiveerd betwist, zich daarbij baserend op diverse medische rapportages.

2.5.1. In het rapport afkomstig van het Instituut voor Doven van 9 juli 1996 is aangegeven dat de oorzaak van de gehoorbeschadiging van appellant is gelegen in blootstelling aan harde, impulsvormige geluiden. KNO-arts prof. dr. J.E. Veldman heeft in zijn brief van 17 juni 1999 verklaard dat sprake is van een lichte toename van perceptief gehoorverlies in de loop van een periode van meer dan 15 jaar. Het door hem vervaardigde audiogram "doet sterk denken aan een lawaaitrauma". Of dit te wijten is aan de expositie van lawaai in de werksituatie acht deze deskundige niet vast te stellen. KNO-arts P.B.L. Stegeman als appellants behandelend arts concludeerde in 1995 tot een "forse afname van het spraakverstaan ten gevolge van een dubbelzijdig lawaaitrauma, waarschijnlijk ten gevolge van het veelvuldig blootgesteld zijn aan explosiegeluiden (patiënt is jager)".

2.5.2. In de rapportage van dr. R.T. Evenwel van de ARBO-managementgroep wordt als oorzaak een continue geluidsbron aangewezen en wordt gesteld dat impulsgeluiden zoals pistoolschoten daaraan hebben bijgedragen. Dr. Evenwel merkt in zijn rapportage op dat de politiespeedboot de enige continue geluidsbron is die hij heeft kunnen constateren.

2.6. De Raad merkt op dat hij geen doorslaggevend gewicht toekent aan de rapportage van dr. Evenwel, die als enige duidelijk verband legt met de politieboot, reeds omdat deze arts in tegenstelling tot de andere twee artsen geen KNO-arts is. Nu vast staat dat appellant ook buiten zijn werk, te weten als jager, herhaaldelijk is blootgesteld geweest aan harde impuls geluiden komt de Raad gelet op de onder 2.5.1. genoemde medische gegevens tot de slotsom dat onvoldoende waarschijnlijk is geworden dat de lawaaidoofheid van appellant is veroorzaakt door zijn werkomstandigheden.

2.7. Gedaagde heeft derhalve terecht aansprakelijkheid afgewezen en vergoeding van de schade geweigerd. Het bestreden besluit kan in stand blijven en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

3. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en

mr. D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2003.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

Q