Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AH9917

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2003
Datum publicatie
15-07-2003
Zaaknummer
01/1149 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oorzakelijk verband tussen appellants ziekte (reumatoïde artritis) en zijn werkomstandigheden is onvoldoende aannemelijk. Ook soortgelijke gezondheidsklachten doen zich niet voor bij militairen die naar het buitenland zijn uitgezonden.

Wetsverwijzingen
Militaire Ambtenarenwet 1931
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1149 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 januari 2001, nr. 00/150 AW VI, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 mei 2003. Appellant is daar, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen en gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Gijzen, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam bij het Centrum voor Vredesoperaties te Ossendrecht, alwaar hij onder meer was belast met het uitpakken van plunjebalen van terugkerende militairen uit Afrikaanse landen en voormalig Joegoslavië. In de periode dat appellant daar werkzaam was kreeg hij gewrichtsklachten en spierpijnen. Uiteindelijk is bij appellant de diagnose reumatoïde artritis gesteld en is hij volledig arbeidsongeschikt verklaard.

1.2. Bij brief van 12 maart 1998 heeft appellant gedaagde verzocht aansprakelijkheid voor zijn gezondheidsklachten te erkennen en om tot vergoeding van geleden en te lijden schade over te gaan. Bij besluit van 11 september 1998 heeft gedaagde geweigerd aan dat verzoek te voldoen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 december 1999. Het hiertegen gerichte beroep van appellant is bij de aangevallen uitspraak door de rechtbank ongegrond verklaard.

2.1. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 22 juni 2000, TAR 2000, 112) heeft de ambtenaar, voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit de op hem van toepassing zijnde specifieke rechtspositionele voorschriften, recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid.

2.2. In de bewoordingen "in de uitoefening van zijn werkzaamheden" is tot uitdrukking gebracht dat er tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de schade causaal verband moet bestaan. Zulk een causaal verband acht de Raad

(zie CRvB 12 maart 1998, TAR 1998, 78) eerst aanwezig indien er een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de werkzaamheden en/of werkomstandigheden van de betrokken ambtenaar de bij die ambtenaar aan het licht getreden ziekte daadwerkelijk hebben veroorzaakt. Daarbij is het aan appellant (zie CRvB 19 september 2002, TAR 2003, 25) om feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit blijkt dat sprake is van voldoende mate van waarschijnlijkheid als hier bedoeld.

2.3.1. Appellant is van mening dat zijn ziekte is veroorzaakt door ziektekiemen afkomstig uit de plunjebalen. Hij heeft aangevoerd dat de voorzorgsmaatregelen om besmetting te voorkomen onvoldoende waren en voorts dat het naar de werkomstandigheden ingestelde onderzoek onvolledig en onzorgvuldig is geweest.

2.3.2. Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat geen medische causaliteit tussen het werken met plunjebalen en appellants klachten is aangetoond. Daarbij heeft gedaagde zich gebaseerd op het onderzoek van luitenant-kolonel arts

J.H. Bruins, welk onderzoek betrekking had op appellant en zes van zijn collega's met eveneens gezondheidsklachten. Uit dat onderzoek kwam onder meer naar voren dat geen sprake is van een gemeenschappelijk ziektebeeld, zodat een eenduidige oorsprong niet aannemelijk is. Meer in het bijzonder is wat betreft appellant uit nader bacteriologisch onderzoek gebleken dat reumatoïde artritis niet in verband kan worden gebracht met bacteriën, zodat de relatie tussen zijn klachten en de plunjebalen zeer onwaarschijnlijk is. De uitkomsten van dit onderzoek zijn nadien bevestigd in een vervolgonderzoek dat gedaagde heeft laten uitvoeren door een externe deskundige, de hoogleraar tropische geneeskunde P.A. Kager.

2.4. De Raad onderschrijft het standpunt van gedaagde dat een oorzakelijk verband tussen appellants ziekte en zijn werkomstandigheden onvoldoende aannemelijk is. Die conclusie volgt niet alleen uit de hiervoor genoemde onderzoeken, ook in de overige door appellant overgelegde medische bescheiden kan geen enkel aanknopingspunt worden gevonden voor de stelling dat de oorzaak van reumatoïde artritis kan of moet worden gezocht in blootstelling aan uit (tropische) oorlogsgebieden afkomstige vervuilde kleding. Ook acht de Raad van belang dat uit onderzoek naar aard en omvang van de lichamelijke en psychische klachten van militairen die uitgezonden zijn geweest naar de bewuste gebieden is gebleken dat soortgelijke gezondheidsklachten als bij appellant zich bij deze militairen niet voordoen.

2.5. Gelet op het vorenstaande kan de vraag of gedaagde destijds voldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen onbesproken blijven.

3. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2003.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

Q.