Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AH9162

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2003
Datum publicatie
03-07-2003
Zaaknummer
01/1097 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geding is of terecht het verzoek om tegemoetkoming in de kosten van tandheelkundige behandelingen op grond van het Vergoedingenbesluit particulier verzekerden en het daarbij behorende Uitvoeringsbesluit niet is gehonoreerd.

Wetsverwijzingen
Regeling ziektekostenvoorziening onderwijs en onderzoekpersoneel, geldigheid: 2003-06-12
Vergoedingenbesluit particulier verzekerden 1, geldigheid: 2003-06-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/1097 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 11 januari 2001, nr. 99/83, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en is een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 maart 2003, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. J.K. Bekhof, werkzaam bij LAR Rechtsbijstand, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door H. Hendriks en A.R. Oudshoorn, beiden werkzaam bij KPMG FlexSourcing te Emmen.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn beoordeling gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1952, heeft op jonge leeftijd een ernstig ongeluk gehad met blijvende schade aan het onder- en bovengebit, als gevolg waarvan bij appellante op jong volwassen leeftijd een gebitsprothese is geplaatst. In verband met nadien ontstane pijn- en kauwklachten als gevolg van een ernstig geresorbeerde onder- en bovenkaakwal, is appellante door kaakchirurg dr. J. Hovinga doorverwezen naar het Academisch centrum tandheelkunde Amsterdam (ACTA) waar appellante een gefaseerd uitgevoerde tandheelkundige behandeling heeft ondergaan, bestaande uit een bottransplantatie vanuit de heup naar de onder- en bovenkaakwal (fase 1) gevolgd door het inbrengen van implantaten (fase 2). Van de voorgestelde behandeling door ACTA is door appellante een behandelplan met voorlopige kostenbegroting, gedateerd

5 december 1995, ter kennisgeving aan gedaagde overgelegd en ter zake van de behandelingen die in het tijdvak van 1 mei 1995 tot en met 31 mei 1996 werden ondergaan, heeft gedaagde op daartoe strekkende aanvraag van appellante een tegemoetkoming verstrekt ingevolge de Regeling tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering, welke regeling gold vanaf

1 januari 1995.

1.2. In mei 1998 heeft appellante verzocht om een tegemoetkoming in de kosten van tandheelkundige behandelingen betreffende het tijdvak van 1 februari 1997 tot en met 31 januari 1998.

1.3. Bij besluit van 7 augustus 1998 heeft gedaagde appellantes verzoek om tegemoetkoming niet gehonoreerd, welk besluit is gehandhaafd bij het bestreden besluit van 22 december 1998.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het in het bestreden besluit vervatte standpunt van gedaagde, dat geen sprake is van tandheelkundige hulp in bijzondere gevallen waarvoor tegemoetkoming kan worden verleend, in strijd geoordeeld met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wegens een gebrekkige motivering en het besluit om die reden vernietigd, onder bepaling dat gedaagde een nader besluit dient te nemen op het bezwaarschrift van appellante met inachtneming van zijn uitspraak.

De rechtbank heeft echter tevens overwogen dat:

a. de kosten van het inbrengen van de implantaten niet voor tegemoetkoming in aanmerking komen, omdat appellante niet heeft aangetoond dat het gaat om kosten van chirurgische tandheelkundige hulp van specialistische aard verleend door een tandarts-specialist voor mondziekten en kaakchirurgie als bedoeld in de toepasselijke voorschriften;

b. appellante, nadat zij over het tijdvak van 1 mei 1995 tot en met 31 mei 1996 een tegemoetkoming had ontvangen, mede gelet op hetgeen zij uit schriftelijke mededelingen van gedaagde heeft kunnen afleiden er niet op mocht vertrouwen dat zij ook in de toekomst in aanmerking zou komen voor een tegemoetkoming in de kosten.

2. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen deze onder a. en b. genoemde overwegingen van de rechtbank. Namens appellante is kort samengevat, naar voren gebracht dat de behandeling is verricht niet door, maar wel onder supervisie van, een in het specialistenregister ingeschreven kaakchirurg; dat aan de eerder door gedaagde verstrekte tegemoetkoming voor de kosten van een behandeling door het ACTA hetzelfde behandelplan ten grondslag lag; dat gedaagde appellante tijdig had moeten inlichten over het gewijzigde standpunt ten aanzien van de aanvullende eis met betrekking tot de behandelend specialisten; en dat de behandeling werd verricht door "superspecialisten" die waren verbonden aan het ACTA. Appellante wist niet - en had ook geen reden om aan te nemen - dat voor de behandeling door deze specialisten geen tegemoetkoming zou worden verstrekt.

3. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De over het tijdvak van 1 mei 1995 tot en met 31 mei 1996 aan appellante verstrekte tegemoetkoming werd in het kader van de toen geldende Regeling ziektekostenvoorziening overheidspersoneel (Z.v.o.) toegekend op basis van de Regeling tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering zoals deze regeling gold in 1995.

Per 1 april 1996 is de vergoedingsnorm gewijzigd, met dien verstande dat de ziektekosten in aanmerking worden genomen overeenkomstig het Vergoedingenbesluit particulier verzekerden (hierna: het Vergoedingenbesluit) en het Uitvoeringsbesluit vergoedingen particulier verzekerden (hierna: het Uitvoeringsbesluit), beide in werking getreden per 1 januari 1996. Onder de Regeling ziektekostenvoorziening onderwijs en onderzoekpersoneel (hierna: de Z.v.o.o.-regeling) die de Z.v.o.-regeling per

1 januari 1998 vervangt, is deze vergoedingsnorm gehandhaafd.

4.2. Ingevolge artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit omvat vergoeding van de kosten van tandheelkundige hulp aan verzekerden met een bijzondere aangeboren of verworven tandheelkundige afwijking vergoeding van de kosten voor 90% van de voor deze verzekerden noodzakelijke hulp, verband houdende met de behandeling van de in dat artikel onder a tot en met e genoemde afwijkingen.

4.3. Artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit, welke bepaling per 1 januari 1997 van kracht geworden is, voorziet in vergoeding van kosten van chirurgische tandheelkundige hulp van specialistische aard, waaronder ook valt te verstaan het aanbrengen van een tandheelkundig implantaat indien er sprake is van een zeer ernstig geslonken tandeloze kaak en het implantaat dient als steun voor een overkappingsprothese, onder de voorwaarde dat die hulp wordt verleend door een tandarts-specialist voor mondziekten en kaakchirurgie.

Ingevolge artikel 1 van het Vergoedingenbesluit dient onder een zodanige specialist te worden verstaan een tandarts die is ingeschreven in het specialistenregister voor mondziekten en kaakchirurgie dan wel in het specialistenregister voor dentomoxillaire orthopaedie van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde.

5.1. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad stelt vast dat de in de periode van 1 februari 1997 tot 31 januari 1998 door appellante ondergane tandheelkundige behandelingen niet zijn verricht door een specialist die ten tijde van de behandeling was ingeschreven in voornoemd specialistenregister, zodat niet is voldaan aan de in artikel 7 van Uitvoeringsbesluit gestelde voorwaarde. Het Vergoedingenbesluit bevat voorts geen bepaling die gedaagde de bevoegdheid geeft om, in gevallen waarin bij dit besluit niet is voorzien, toch een tegemoetkoming te verlenen.

5.2. De Raad stelt verder vast dat in de Z.v.o- en Z.v.o.o.-regeling, noch in het Uitvoeringsbesluit of het Vergoedingenbesluit een overgangsbepaling is opgenomen, op grond waarvan kosten van tandheelkundige behandelingen die reeds zijn aangevangen naar vroeger geldende maatstaven kunnen worden beoordeeld.

5.3. De namens appellante betrokken stelling dat, ook al zijn de behandelingen niet verricht door een tandarts-specialist, de kosten daarvan gelet op de supervisie van een in het specialistenregister ingeschreven kaakchirurg, het feit dat aan de eerder verstrekte tegemoetkoming hetzelfde behandelplan ten grondslag lag, alsmede de omstandigheid dat appellante geen reden had om te twijfelen aan de professionaliteit van de haar behandelende "superspecialisten" die waren verbonden aan het ACTA, toch voor vergoeding in aanmerking moeten komen, doet de Raad niet tot een ander oordeel komen nu de Raad, gelet op de duidelijke tekst van de toepasselijke voorschriften, daartoe geen ruimte ziet.

5.4. Met de rechtbank is de Raad tenslotte van oordeel dat appellante uit de aan haar bij brief van 5 februari 1996 gerichte schriftelijke mededelingen van gedaagde heeft kunnen afleiden dat de grondslag van de in het kader van de Z.v.o.o.-regeling te verlenen tegemoetkoming jaarlijks kan veranderen. Appellante had er dan ook niet op mogen vertrouwen dat zij ook in de toekomst in aanmerking zou komen voor een tegemoetkoming van de door het ACTA voorgestelde behandeling.

6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank het bestreden besluit in zoverre terecht niet onrechtmatig heeft bevonden. De Raad zal de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, dan ook bevestigen.

7. De Raad ziet geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de proceskosten en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. R. Kooper en prof. mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2003.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P.J.W. Loots.

Q