Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AH9056

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
00/6736 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evenredigheid tussen vervallenverklaring van wachtgeld als sanctie en de ernst van de nalatigheid zich bij het arbeidsbureau in te schrijven.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4, geldigheid: 2003-06-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/170

Uitspraak

00/6736 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Didam, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 november 2000, nrs. 00/00/1921 (VV), 00/1922 VV en 00/1908 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft daarop gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 april 2003, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. I.J.M. Woltring, advocaat te Breda. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door M.J.A. Mulder, werkzaam bij

Van Kleef en Partners te Boskoop.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, als vaststaande aangenomen, gegevens.

1.1. Gedaagde is tot 1 februari 1999 werkzaam geweest bij de gemeente Didam als [naam functie] van de [naam sector]. Met ingang van die datum is hem in verband met verstoorde arbeidsverhoudingen op zijn verzoek eervol ontslag verleend onder toekenning van wachtgeld en outplacementfaciliteiten. Daarbij zijn de verplichtingen van hoofdstuk 10 van de Collectieve Arbeidsvoorwaarden Regeling (CAR) van toepassing verklaard.

1.2. Per 1 september 1999 heeft gedaagde, als uitkomst van de outplacementactiviteiten, zich als zelfstandig advocaat in [vestigingsplaats] gevestigd. Vanaf eind oktober 1999 hebben partijen gecorrespondeerd over de omvang en de naleving van de verplichtingen verbonden aan het toegekende wachtgeld, waaronder de verplichting om ingeschreven te staan bij het arbeidsbureau.

1.3. Bij besluit van 14 juni 2000 heeft appellant besloten de wachtgelduitkering met ingang van 1 juli 2000 met toepassing van artikel 10:23 van de CAR te beëindigen, om reden dat gedaagde over de periodes 9 oktober 1999 tot 25 november 1999 en 15 februari 2000 tot 6 maart 2000 niet bij het arbeidsbureau als werkzoekende ingeschreven heeft gestaan, waardoor het wachtgeld met ingang van 9 oktober 1999, althans met ingang van 15 februari 2000 is vervallen.

1.4. Bij uitspraak van de president van de rechtbank van 25 juli 2000 is dit besluit geschorst tot zes weken nadat op het bezwaarschrift zou zijn beslist.

1.5. Bij het thans bestreden besluit van 2 oktober 2000 heeft gedaagde, met inachtneming van evenbedoelde uitspraak van de president, het wachtgeld vervallen verklaard met ingang van 13 november 2000.

2. De president van de rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen dat besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit alsmede het primaire besluit van 14 juni 2000 vernietigd. De president heeft daartoe - kort samengevat - overwogen dat een strikt grammaticale interpretatie van artikel 10:23, aanhef en onder c, van de CAR/UWO tot de conclusie lijkt te voeren dat het recht op uitkering vervalt vanaf de dag waarop een betrokkene niet (meer) staat ingeschreven bij het arbeidsbureau. De president heeft het echter onaannemelijk geacht dat de materiële wetgever zonder nadere toelichting een dwingendrechtelijke bepaling als de onderhavige in het leven heeft geroepen waarvan de toepassing in voorkomende gevallen in flagrante strijd zou kunnen komen met het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde voorschrift dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. De president heeft daarbij verwezen naar de systematiek van de hoofdstukken 10 en 11 van de CAR/UWO, op grond waarvan onaannemelijk is dat de wetgever degenen die een (ontslag)uitkering ontlenen aan hoofdstuk 11, minder soepel heeft willen behandelen dan degenen die hun (ontslag)uitkering ontlenen aan hoofdstuk 10, en naar de ten tijde van de totstandkoming van genoemd voorschrift vigerende jurisprudentie met betrekking tot soortgelijke bepalingen in de werkloosheidsregelingen. Vervolgens heeft de president artikel 10:23, aanhef en onder c, van de CAR/UWO aldus uitgelegd dat het recht op een wachtgelduitkering (slechts) vervalt gedurende de dag(en) waarop een betrokkene door zijn toedoen niet staat ingeschreven bij het arbeidsbureau.

2.1. De president heeft op de vermelde gronden geconcludeerd dat het bestreden besluit op een onjuiste wettelijke grondslag berust en dat appellant ten onrechte het wachtgeld met ingang van 1 juli 2000 heeft beëindigd. Voorts heeft de president aanleiding gezien ook het primaire besluit van 14 juni 2000 te vernietigen aangezien daaraan hetzelfde gebrek kleeft dat niet middels een nieuw te nemen besluit op bezwaar kan worden hersteld en heeft hij bepalingen gegeven omtrent griffierecht en proceskosten.

3. Appellant heeft in hoger beroep in hoofdzaak aangevoerd dat artikel 10:23, eerste lid, van de CAR/UWO, een hem bindend, wettelijk voorschrift is, dat hem geen beoordelings- of beleidsruimte laat, zodat er geen plaats was voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Volgens appellant dient dit artikel naar de letter te worden uitgelegd. Appellant heeft voorts nog gemotiveerd aangegeven waarom hij de vervallenverklaring in het geval van gedaagde gerechtvaardigd acht. Tenslotte heeft appellant aangevoerd dat de president niet toe had kunnen komen aan vernietiging van het primaire besluit van 14 juni 2000, maar appellant minst genomen opdracht had behoren te geven opnieuw op het bezwaar te beslissen met kenbare inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.

4. De Raad merkt allereerst op dat hij met gedaagde van oordeel is dat artikel 10:23, eerste lid, aanhef en onder c, van de CAR slechts op de inschrijvingsverplichting ziet en niet bedoeld is om ander ongewenst geacht gedrag van de wachtgeldontvanger te sanctioneren.

4.1. De Raad neemt als vaststaand aan dat gedaagde twee maal verzuimd heeft zijn inschrijving bij de arbeidsvoorziening tijdig te laten verlengen en dat hij daardoor het bepaalde in artikel 10:23, eerste lid, aanhef en onder c, van de CAR op zich van toepassing heeft doen worden.

4.2. De Raad stelt vast dat een relevante toelichting op artikel 10:23, eerste lid, aanhef en onder c, van de CAR ontbreekt. Dit brengt mee dat het onmogelijk is om aan de hand van de wetsgeschiedenis na te gaan op welke wijze de belangen zijn afgewogen en wat de ratio is van de keuze van de CAR-regelgever, om de in artikel 10:22 van de CAR genoemde ongewenste gedragingen te sanctioneren met een bevoegdheid om het wachtgeld geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren - in een enkel geval nog onder de voorwaarde van verwijtbaarheid - en het onderhavige niet tijdig verlengen van de inschrijving bij de arbeidsvoorziening te bestraffen met een imperatief geformuleerd, blijvend verval van wachtgeld, zonder mogelijkheid tot nuancering van de sanctie naar rato van de omvang van de daarmee misgelopen wachtgeldaanspraken, dan wel de verwijtbaarheid van het desbetreffende nalaten. Evenmin kan worden nagegaan of de regelgever welbewust - en zo ja, waarom - heeft gekozen voor een sanctie die vergaand afwijkt van de sanctie op het niet tijdig verlengen van de inschrijving als voorzien in het Rijkswachtgeldbesluit of in en krachtens de Werkloosheidswet.

4.3. Hoewel de Raad de kritische kanttekeningen van de president van de rechtbank bij de tekst van het in geding zijnde artikelonderdeel onderschrijft, is de Raad met appellant van oordeel dat deze onvoldoende zijn om aan te nemen dat de materiële wetgever iets anders heeft bedoeld dan er letterlijk staat. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de tekst van het artikelonderdeel gelijkluidend is aan het voordien geldende artikel 20, aanhef en onder d, van de wachtgeldverordening

- die op haar beurt was ontleend aan de modelverordening van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten.

4.4. Anders dan appellant meent, ontslaat evenwel de in artikel 10:23, eerste lid, aanhef en onder c, van de CAR voorziene, imperatief geformuleerde sanctie van (blijvend) verval van het wachtgeld, nu het gaat om regelgeving van lager orde dan de formele wet, gedaagde niet van de verplichting na te gaan of toepassing van de regel in het concrete geval een effect heeft dat in strijd is met het algemeen rechtsbeginsel dat evenredigheid dient te bestaan tussen een sanctie en de ernst van de nalatigheid.

4.5. De Raad overweegt dienaangaande dat gedaagde, toen hem duidelijk was dat appellant het niet eens was met de door hem met de heer H. omtrent de inschrijvingsverplichting gemaakte, en bij brief van 30 september 1999 bevestigde afspraken en hem wenste te houden aan zijn inschrijvingsverplichting, respectievelijk zodra hij bemerkte dat zijn inschrijving was verlopen, zich zo spoedig mogelijk opnieuw heeft ingeschreven en dat gedaagde aldus slechts gedurende twee betrekkelijk korte periodes van enkele weken (verwijtbaar) niet heeft ingeschreven gestaan. Voor de Raad staat voorts voldoende vast dat gedaagde in die periodes geen bemiddelingskansen heeft gemist.

4.6. In aanmerking genomen dat het effect van de toepassing van het omstreden artikelonderdeel in gedaagdes geval is dat aan gedaagde potentiële wachtgeldaanspraken over 18 jaren, met daaraan verbonden emolumenten als ziektekostenverzekering en gedeeltelijke voortzetting van pensioenopbouw worden ontzegd, leidt dit een en ander de Raad tot het oordeel dat toepassing van artikel 10:23, eerste lid, aanhef en onder c, van de CAR in het onderhavige geval een effect heeft dat in strijd is met het algemeen rechtbeginsel dat evenredigheid dient te bestaan tussen de sanctie en de ernst van de nalatigheid als hier aan de orde. Deze bepaling dient hier dan ook in zoverre buiten toepassing te blijven. De aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit van 2 oktober 2000 is vernietigd, dient in zoverre, zij het op andere gronden, te worden bevestigd.

4.7. De Raad onderschrijft wel de grief van appellant dat de rechtbank ten onrechte ook het primaire besluit van 14 juni 2000 heeft vernietigd, nu immers vernietiging van het bestreden besluit niet betekent dat appellant niet bevoegd was gedaagde een sanctie op te leggen die wel evenredig is aan de ernst van de overtreding van zijn verplichting tot inschrijving. In zoverre dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.

5. De Raad zal, nu beide partijen daar ter zitting uitdrukkelijk om hebben gevraagd, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het geschil tussen partijen definitief beslechten. Gezien het belang van stipte naleving van de inschrijvingsverplichting tegenover de hiervoor onder 4.5. genoemde omstandigheden, acht de Raad een sanctie van verval van het recht op wachtgeld over het aantal uitkeringsdagen waarop gedaagde als gevolg van niet tijdige verlenging niet was ingeschreven bij de arbeidsvoorziening - in totaal 47 dagen - evenredig aan de ernst van de nalatigheid.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand. Van de gemeente Didam dient op grond van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet alsnog griffierecht te worden geheven.

7. Beslist is als hierna vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het besluit van 14 juni 2000 is vernietigd;

Bepaalt dat het recht op wachtgeld vervalt over 47 dagen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;.

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de gemeente Didam.

Bepaalt dat van de gemeente Didam een griffierecht van € 348,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

Q