Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AH9009

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2003
Datum publicatie
10-07-2003
Zaaknummer
02/1190 AOR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding in de vorm van vertragingsrente in verband met terugbetaling niet voorafgaande aan bestreden besluit gevraagd, zodat bestreden besluit daarover niet handelt of behoefde te handelen

Wetsverwijzingen
Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960 5a, geldigheid: 2003-05-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/1190 AOR

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op bij beroepschrift uiteengezette gronden heeft appellante bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Leeuwarden van 16 januari 2002, nummer 00/269 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 april 2003. Aldaar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door haar broer [naam broer]. Gedaagde heeft zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn secretaris J.R.H. Frölings en zijn plv. secretaris R.W.P. Permentier, alsmede door mr. F.M.H. Kok, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

II. MOTIVERING

Ten aanzien van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad, onder verwijzing voor het overige naar de aangevallen uitspraak, met het volgende.

Bij besluit van 1 juni 1999 heeft gedaagde, met toepassing van artikel 5a, eerste en tweede lid, van de Samenloopregeling Indonesische pensioenen (Stb. 1963, nr. 212, hierna te noemen: SIP), de voorgeschreven korting op het Indonesisch weduwepensioen van appellante wegens het ontvangen van een algemeen pensioen met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 verminderd in verband met de, uit een door appellante op 21 januari 1999 ingevuld vragenformulier gebleken, omstandigheid dat appellante ook nog een ander weduwepensioen, te weten van het Philips Pensioenfonds, ontving waarop om dezelfde reden een korting plaatsvond.

Na daartegen door appellante gemaakt bezwaar, de omvang van de door gedaagde toegepaste terugwerkende kracht betreffende, heeft gedaagde bij het bestreden besluit van 10 februari 2000 geoordeeld dat strikte toepassing van artikel 5, tweede lid, van de SIP zou getuigen van een te grote hardheid, en bepaald dat de vermindering van de korting op het Indonesisch pensioen zal terugwerken tot (lees: tot en met) 1 april 1976, het tijdstip waarop het andere weduwepensioen is ingegaan. Op grond van dit besluit is aan appellante een bedrag van f 99.946,39 netto terugbetaald.

In beroep tegen laatstgenoemd besluit heeft (thans) appellante zich erover beklaagd dat (thans) gedaagde in de nabetaling geen compensatie heeft opgenomen voor de geldontwaarding respectievelijk gederfde rente.

Deze grief heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak verworpen, onder overweging - samengevat - dat de SIP zelf geen bepaling bevat op grond waarvan gehoudenheid zou bestaan tot een compensatie als door appellante verlangd, terwijl appellante voorts haar verzoek om compensatie eerst in beroep heeft gedaan zodat het bestreden besluit daarop geen betrekking heeft en ook niet hoefde te hebben. Ter voorlichting van appellante heeft de rechtbank er nog op gewezen dat zij desgewenst gedaagde kan verzoeken om een zogenoemd "zuiver schadebesluit" dan wel zich langs civielrechtelijke weg tot gedaagde kan wenden om compensatie te vorderen.

In hoger beroep heeft appellante haar grieven tegen het bestreden besluit gehandhaafd. Daarbij heeft appellante nogmaals benadrukt dat hier duidelijk sprake is van fouten aan de kant van gedaagde aangezien zij al bij de aanvraag van het Indonesische pensioen had aangegeven dat zij hoogstwaarschijnlijk van het Philips Pensioenfonds een particulier pensioen zou ontvangen.

De Raad is evenwel niet tot een ander oordeel kunnen komen dan de rechtbank heeft ingenomen. Vaststaat dat appellante voorafgaande aan het bestreden besluit niet om schadevergoeding in enigerlei vorm heeft gevraagd, terwijl niet aan enige regel van geschreven of ongeschreven recht kan worden ontleend dat gedaagde ambtshalve daarover een besluit had dienen te nemen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.