Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AH8868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2003
Datum publicatie
07-07-2003
Zaaknummer
00/4231 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum wachtgelduitkering. Besluit ter uitvoering uitspraak is een nieuw besluit op bezwaar waartegen beroep openstond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2003-02-20
Algemene wet bestuursrecht 6:15, geldigheid: 2003-02-20
Algemene wet bestuursrecht 7:1, geldigheid: 2003-02-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/111

Uitspraak

00/4231 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bussum, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2000,

nr. AW 99/5228 19, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 januari 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.R.A. Apol, verbonden aan adviesbureau Apol & Lamme, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Th.J. Douma, advocaat te Haarlem, en mr. A. Vermeulen, werkzaam bij de gemeente Bussum.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, als vaststaande aangenomen, gegevens.

1.1. Bij besluit van 18 februari 1994 heeft gedaagde geweigerd de hoogte en de duur vast te stellen van appellants aanspraak op uitkering overeenkomstig de bepalingen van de Wachtgeldverordening van de gemeente Bussum, zoals die op 2 januari 1992 luidden. Deze aanspraak was opgenomen in een regeling welke was getroffen in verband met het appellant op grond van artikel H12 (vernummerd tot H11) van het Algemeen Ambtenarenreglement van de gemeente Bussum gegeven ontslag.

1.2. Bij besluit van 14 juni 1994 heeft gedaagde het namens appellant gemaakte bezwaar tegen de weigering de hoogte en de duur van zijn uitkering vast te stellen ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 26 september 1996, nrs. AW 93/654/28, AW 94/5774/28, AW 94/5775/28 en AW 95/470/28, heeft de rechtbank Amsterdam appellants beroep tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard.

1.4. De Raad heeft bij uitspraak van 9 juli 1998, nrs. 96/10518 AW tot en met 96/10520 AW, de uitspraak van de rechtbank voorzover betrekking hebbend op het besluit van 14 juni 1994 vernietigd, het inleidend beroep in zoverre alsnog gegrond verklaard, bedoeld besluit vernietigd, en bepaald dat gedaagde een nieuwe beslissing neemt op appellants bezwaar tegen de weigering de hoogte en de duur van appellants uitkering vast te stellen met inachtneming van hetgeen de Raad in zijn uitspraak had overwogen.

1.5. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft gedaagde bij besluit van 23 december 1998 de hoogte en de duur van de ontslaguitkering van appellant alsnog vastgesteld. Namens appellant is, overeenkomstig de door gedaagde onder dat besluit gegeven rechts-middelenverwijzing, bezwaar gemaakt tegen dat besluit.

1.6. Bij het thans bestreden besluit van 14 april 1999 heeft gedaagde dat bezwaar ongegrond verklaard.

1.7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit van 14 april 1999 ongegrond verklaard.

2. De Raad overweegt het volgende.

2.1. Blijkens de gedingstukken strekte het besluit van 23 december 1998 ter uitvoering van de opdracht die de Raad in zijn hiervoor vermelde uitspraak van 9 juli 1998 aan gedaagde had gegeven. De Raad stelt ambtshalve vast dat, nu hij bij zijn uitspraak van 9 juli 1998 het primaire besluit van 18 februari 1994 in stand had gelaten, het besluit van 23 december 1998 niet een nieuw primair besluit betrof maar een nieuwe beslissing op bezwaar tegen het besluit van 18 februari 1994. Gelet op artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stond mitsdien tegen het besluit van 23 december 1998 geen bezwaar open maar beroep. Gedaagde had op grond van artikel 6:15 van de Awb het tegen dat besluit gerichte bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift naar de rechtbank moeten doorzenden. Nu gedaagde dit heeft nagelaten, had de rechtbank het besluit van 14 april 1999 naar aanleiding van het daartegen ingestelde beroep moeten vernietigen en het bezwaar tegen het besluit van 23 december 1998 alsnog als beroep moeten behandelen. De Raad zal dit, met vernietiging in zoverre van de aangevallen uitspraak, thans zelf doen.

2.2. Gelet op het vorenstaande dient de Raad de vraag te beantwoorden of het besluit van 23 december 1998 in rechte stand houdt. Daarbij is uitsluitend in geding de vraag of gedaagde de ingangsdatum van de uitkering op goede gronden heeft vastgesteld op 1 juni 1993, zijnde de datum met ingang van welke appellant eervol ontslag is verleend.

2.3. Dienaangaande overweegt de Raad vooreerst dat hij gedaagde niet kan volgen in zijn stelling dat de ingangsdatum van de uitkering in dit geding niet aan de orde kan komen, omdat die datum rechtstreeks voortvloeit uit de Wachtgeldverordening. In artikel 4 van de Wachtgeldverordening is immers bepaald dat de uitkering wordt toegekend met ingang van de datum van ontslag. Bij die toekenning dient ook te worden bepaald met ingang van welke datum de aanspraak op de uitkering ingaat. Ook in zoverre is sprake van een beslissing gericht op rechtsgevolg, derhalve een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), terzake waarvan bezwaar en beroep openstaan.

2.4. De Raad stelt vast dat gedaagde bij besluit van 16 augustus 1993 appellant met ingang van 1 juni 1993 eervol ontslag heeft verleend. Weliswaar is appellant tot 15 september 1993 in de gelegenheid gesteld zelf ontslag te nemen, in welk geval het ontslagbesluit van 16 augustus 1993 zou worden ingetrokken, doch appellant heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Anders dan appellant stelt, kunnen eventuele gebreken in het ontslagbesluit van 16 augustus 1993, met name het ontbreken van een herkenbare handtekening en een rechtsmiddelenclausule, niet aan het besluitkarakter van die beslissing afdoen. Naar het oordeel van de Raad was het ontslagbesluit van 16 augustus 1993 als zodanig herkenbaar en heeft appellant, blijkens de door hem aan gedaagde gezonden ontvangstbevestiging van 22 augustus 1993, dat besluit ook terecht als een ontslagbesluit opgevat.

2.5. Appellants grieven met betrekking tot het aan dat ontslag verleende terugwerkende kracht kunnen in dit geding niet aan de orde komen, omdat het ontslagbesluit van 16 augustus 1993 in rechte vaststaat en in dit geding uitsluitend de ingangsdatum van de appellant toegekende ontslaguitkering ter beoordeling voorligt.

2.6. Nu appellant bij besluit van 16 augustus 1993 met ingang van 1 juni 1993 ontslag is verleend en dat besluit in rechte is komen vast te staan omdat appellant tegen dat besluit geen rechtsmiddelen heeft aangewend, is, gelet op artikel 4 van de Wachtgeldverordening appellant terecht met ingang van 1 juni 1993 wachtgeld toegekend.

3. Gezien het vorenstaande houdt het besluit van 23 december 1998 in rechte stand, zodat appellants als beroep te behandelen bezwaar tegen dat besluit met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb alsnog ongegrond moet worden verklaard.

4. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van aan appellant verleende rechtsbijstand, welke worden begroot op € 322,- in beroep en op € 322,- in hoger beroep. De Raad ziet geen termen om, zoals door gedaagde verzocht, appellant te veroordelen in gedaagdes proceskosten nu niet is gebleken van kennelijk onredelijk gebruik van proceskosten door appellant.

5. Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het besluit van 14 april 1999;

Verklaart het als inleidend beroep te behandelen bezwaar tegen het besluit van

23 december 1998 ongegrond;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 644,-, te betalen door de gemeente Bussum;

Bepaalt dat de gemeente Bussum aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 104,37 (voorheen: f 230,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van S. van der Zee als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2003.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) S. van der Zee.