Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF9728

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2003
Datum publicatie
10-06-2003
Zaaknummer
01/4672 WSF, 01/6130 WSF, 02/3633 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onbevoegdheid rechtbank bij nader, ter uitvoering van in hoger beroep aangevochten aangevallen uitspraak, besluit. Nabetaling van AAW-uitkering in 1995 dient ook voor zover betrekking hebbend op de periode vóór 1995 te worden gerekend tot het toetsingsinkomen over 1995.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:18, geldigheid: 2003-05-16
Algemene wet bestuursrecht 6:19, geldigheid: 2003-05-16
Algemene wet bestuursrecht 3:4, geldigheid: 2003-05-16
Wet op de studiefinanciering 26, geldigheid: 2003-05-16
Wet op de studiefinanciering 131, geldigheid: 2003-05-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/4672 WSF + 01/6130 WSF + 02/3633 WSF

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Bij besluit van 28 september 1999 heeft gedaagde vastgesteld dat appellante in het jaar 1995 meerinkomen heeft gehad in verband waarmee zij een bedrag van € 2.648,97 (f 5.837,57) aan de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep) verschuldigd is. Hierbij is aangegeven dat de vordering is samengesteld uit € 626,22 (f 1.380,-) meerinkomen, een boete van € 1.633,61 (f 3.600,-) alsmede rente over het meerinkomen en de boete over de periode 1 juli 1995 tot en met 31 december 1997 ten bedrage van € 389,15 (f 857,57).

Bij besluit van 13 juni 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 september 1999 ongegrond verklaard en, voor zover met het bezwaarschrift is beoogd een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 131 van de Wet op de studiefinanciering (WSF) in te dienen, dat verzoek afgewezen.

Namens appellante is tegen het besluit van 13 juni 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank 's-Hertogenbosch.

In de loop van de beroepsprocedure heeft gedaagde een nader besluit op bezwaar, gedateerd 9 april 2001, genomen, waarbij, naar aanleiding van uitspraken van het College van beroep studiefinanciering van 15 december 2000, de vordering wegens meerinkomen over het jaar 1995 is verlaagd en nader is vastgesteld op € 1.123,60 (f 2.476,08), samengesteld uit € 626,22 (f 1.380,-) meerinkomen en € 497,38 (f 1.096,08) boete. Voorts is aangegeven dat rente over deze bedragen eerst is verschuldigd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de dag dat de vordering is opgelegd, in casu

1 oktober 1999.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 13 juni 2000 ingestelde beroep onder toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 9 april 2001. Bij uitspraak van

29 juni 2001 heeft zij het tegen het besluit van 13 juni 2000 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor zover geacht te zijn gericht tegen het nadere besluit van 9 april 2001 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 30 oktober 1999.

Appellante heeft bij gemachtigde mr. K.F. Kapsenberg, werkzaam bij L.A.R. Rechtsbijstand N.V., tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij schrijven (met bijlagen) van 2 november 2001.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 20 november 2001. Bij het verweerschrift waren bijlagen gevoegd, waaronder een nader besluit van

13 augustus 2001 waarbij gedaagde uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. Bij dit besluit heeft gedaagde de vordering wegens meerinkomen opnieuw vastgesteld op het bedrag van € 1.123,60 (f 2.476,08), maar heeft zij, onder toepassing van de hardheidsclausule van artikel 131 van de WSF, aanleiding gezien deze vordering te beperken tot het bedrag dat verschuldigd zou zijn geweest als appellante haar aanvraag om studiefinanciering met ingang van 1 september 1995 zou hebben beëindigd, te weten tot € 753,28 (f 1.660,-). Ten slotte heeft gedaagde bepaald dat de rente over dit bedrag wordt berekend vanaf 1 oktober 1999.

De Raad heeft bij brieven van 3 december 2001 partijen alsmede de rechtbank Roermond meegedeeld dat hij heeft besloten om bij de behandeling van het reeds aanhangig gemaakte hoger beroep tevens een oordeel te geven over het nadere besluit van

13 augustus 2001.

Intussen had mr. Kapsenberg bij beroepschrift van 19 september 2001 tegen het nadere besluit van 13 augustus 2001 beroep ingesteld bij de rechtbank 's-Hertogenbosch. Deze rechtbank heeft op dat beroep beslist bij uitspraak van 17 mei 2002, waarbij het beroep ongegrond werd verklaard. Namens appellante heeft mr. Kapsenberg bij beroepschrift van 8 juli 2002 tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Raad. Gedaagde heeft een verweerschrift d.d. 14 augustus 2002 ingediend.

De Raad heeft de gedingen gevoegd en behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 april 2003, waar namens appellante is verschenen F.J. Emaus, haar vader, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. P.M.J. Slagter, werkzaam bij de IB-Groep, als haar gemachtigde.

II. MOTIVERING

Een ter uitvoering van een in hoger beroep aangevochten uitspraak van een rechtbank genomen nader besluit wordt door de Raad aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Awb. Een dergelijk nader besluit moet ingevolge artikel 6:18, vierde lid, van de Awb ter kennis van de Raad worden gebracht. Het is aan de Raad om te beslissen of zo'n besluit met toepassing van artikel 6:24 juncto 6:19 van de Awb in het hoger beroep wordt meegenomen. De rechtbank is niet bevoegd van een beroep tegen een zodanig besluit kennis te nemen, behoudens indien de Raad met toepassing van artikel 6:19, tweede lid, van de Awb gebruik maakt van de mogelijkheid de zaak naar de rechtbank te verwijzen, waarvoor in casu echter geen aanleiding bestaat.

Dit brengt mee dat de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 mei 2002 wegens onbevoegdheid moet worden vernietigd.

De Raad ziet in verband daarmee aanleiding gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door appellante in eerste aanleg en in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 322,- ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarbij is uitgegaan van 2 punten (te weten: voor het beroepschrift in eerste aanleg en het hoger beroepschrift) en van de wegingsfactor 'licht'.

Gedaagde dient tevens het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 27,23 (f 60,-) en € 82,-, tezamen € 109,23, aan haar te vergoeden.

De Raad zal, als reeds aan partijen was meegedeeld, het nadere besluit van

13 augustus 2001, waarmee niet volledig wordt tegemoet gekomen aan het beroep, met toepassing van artikel 6:24 juncto 6:19 van de Awb in zijn beoordeling betrekken.

De Raad stelt vast dat appellante geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep waarbij het besluit van 9 april 2001 in geding is, nu inmiddels het nadere besluit van 13 augustus 2001 ter toetsing voorligt. In verband hiermee moet het hoger beroep tegen de uitspraak van 29 juni 2001 niet-ontvankelijk worden verklaard.

Met betrekking tot het besluit van 13 augustus 2001, hierna: het bestreden besluit, overweegt de Raad als volgt.

Namens appellante is in hoger beroep wederom aangevoerd dat gedaagde ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 26 van de WSF omdat er in haar geval geen sprake is van meerinkomen in het jaar 1995. Het aan haar in september 1995 nabetaalde bedrag aan uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) heeft namelijk voor een groot deel betrekking op een periode die ligt voor dat jaar. Als van het bedrag van de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de AAW, dat betrekking heeft op de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1995 zou worden uitgegaan, zou er geen sprake zijn van enig meerinkomen in de zin van artikel 26 van de WSF. Voorts is in hoger beroep aangevoerd dat appellante van oordeel is dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, waarbij zij haar situatie gelijk stelt met die waarin andere studerenden verkeren aan wie over het jaar 1995 een uitkering ingevolge de AAW is uitbetaald zonder enige nabetaling in dat jaar over een daarvoor gelegen periode.

Gedaagde heeft de juistheid van de stellingen van appellante gemotiveerd betwist.

Ook de Raad is van oordeel dat de grief van appellante, inhoudende dat gedaagde er ten onrechte van is uitgegaan dat er in haar situatie sprake is van meerinkomen als bedoeld in artikel 26 van de WSF, niet kan slagen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde bij het bestreden besluit terecht en op juiste gronden heeft beslist dat het meerinkomen van appellante over het jaar 1995 als bedoeld in artikel 26 van de WSF diende te worden vastgesteld op € 626,22 (f 1.380,-). Gedaagde heeft daarbij gehandeld in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen en de aan die bepalingen te geven uitleg. Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van beroep studiefinanciering van 15 december 2000 - waarvan een afschrift is gevoegd bij het verweerschrift van gedaagde van 20 november 2001 - voor de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, is in dit verband ook de Raad van oordeel dat, nu de door appellante aangevraagde uitkering ingevolge de AAW aan haar eerst bij besluit van 1 september 1995 met ingang van 9 maart 1993 is toegekend, welke toekenning heeft geleid tot een nabetaling in september 1995, die uitkering ook voor zover betrekking hebbende op de periode voorafgaande aan het moment waarop laatstgenoemd besluit is genomen niet eerder vorderbaar en inbaar was dan in september 1995. Gedaagde heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de in het jaar 1995 uitbetaalde uitkering, inclusief de nabetaling, dient te worden gerekend tot het toetsingsinkomen in 1995.

Voorts is de Raad, wat het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel betreft, met gedaagde van oordeel dat appellante zich ten onrechte gelijk acht aan de studerende aan wie over het jaar 1995 een uitkering ingevolge de AAW zonder enige nabetaling is uitbetaald. Voor de vraag of sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel moet appellante worden gelijk gesteld met studerenden aan wie ook in het desbetreffende studiejaar een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend over een periode die voor dat studiejaar is aangevangen, zodat die toekenning gepaard ging met een nabetaling in het desbetreffende studiejaar ter zake van die voor dat studiejaar gelegen periode. Naar gedaagde onbetwist heeft gesteld, leiden de toepasselijke wettelijke bepalingen niet alleen voor appellante maar ook voor laatstbedoelde studerenden tot de vaststelling dat in het desbetreffende studiejaar van meerinkomen in de zin van artikel 26 WSF sprake is. Het bestreden besluit is derhalve niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Ten slotte is de Raad van oordeel dat de wijze waarop gedaagde bij het bestreden besluit onder toepassing van de hardheidsclausule van artikel 131 van de WSF de ter zake van de toepassing van de in laatstgenoemd artikel neergelegde bevoegdheid aan te leggen terughoudende rechterlijke toets kan doorstaan, nu naar zijn oordeel niet kan worden gezegd dat gedaagde daarbij heeft beslist in strijd met artikel 3:4 van de Awb.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het hoger beroep geen doel treft, zodat moet worden beslist als hieronder is vermeld.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de uitspraak van 17 mei 2002;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 322,- te betalen door de IB-Groep;

Bepaalt dat de IB-Groep aan appellante het betaalde griffierecht van € 109,23 vergoedt;

Verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak van 29 juni 2001 niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep, voor zover geacht te zijn gericht tegen het besluit van 13 augustus 2001 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2003.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. van Huussen.