Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF9717

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2003
Datum publicatie
10-06-2003
Zaaknummer
01/272 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/153

Uitspraak

01/272 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, appellant

en

A, wonende te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 december 2000, nr. AWB 00/2492 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

De Raad heeft aan het procesdossier ambtshalve enige stukken toegevoegd en partijen daarvan in kennis gesteld.

Desgevraagd heeft appellant nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 april 2003 waar namens appellant is verschenen mr. J.Th.M. van Doesum, werkzaam bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: het ministerie). Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J. Wattilete, advocaat te Amsterdam.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Ten tijde hier van belang was gedaagde als onderzoeksassistent werkzaam op het Proefstation voor de kwekij X te Y. De toen daar ook werkzame ir. L.A.C. van der V. (hierna: V.) heeft op 18 februari 1997 bij het Hoofd afdeling Ondersteuning, tevens Personeels Beoordelingsadviseur, zich erover beklaagd dat gedaagde zich jegens haar op 16 januari 1997 en nadien schuldig had gemaakt aan seksuele intimidatie, onder andere bestaande uit het verklaren van zijn, gedaagdes, liefde aan haar, hetgeen gepaard ging met aanraking. Op 5 maart 1997 heeft V. daarover een klacht ingediend bij de bij appellants ministerie ingestelde Klachtencommissie seksuele intimidatie en discriminatie LNV (hierna: de klachtencommissie). Deze commissie heeft na onderzoek geconcludeerd dat gedaagde zich heeft schuldig gemaakt aan seksuele intimidatie en appellant op 29 mei 1997 geadviseerd die klacht gegrond te verklaren. Op 4 juni 1997 heeft appellant dat advies overgenomen en daarvan zowel gedaagde als V. in kennis gesteld. Onder toezending van deze beslissing en het advies van de klachten-commissie heeft appellant de directeur van het proefstation verzocht die maatregel te treffen die hij in dit geval noodzakelijk acht. Bij besluit van 24 september 1997 is gedaagde met ingang van 15 september 1997 overgeplaatst en tewerkgesteld bij de Algemene inspectiedienst met aanwijzing van Utrecht als standplaats. Gedaagde heeft in die overplaatsing berust, maar niet in de reden daarvoor.

1.2. De beslissing van 4 juni 1997 is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 juni 1998. De rechtbank heeft bij uitspraak van 12 april 1999 het besluit van 25 juni 1998, onder gegrondverklaring van het daartegen ingestelde beroep, vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Voorts heeft de rechtbank bepalingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht. Bij het thans bestreden besluit van 26 januari 2000 heeft appellant gedaagdes bezwaar tegen de beslissing van 4 juni 1997 opnieuw ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak gedaagdes beroep tegen het bestreden besluit van 26 januari 2000 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Verder heeft zij, zelf in de zaak voorziende, het besluit van 4 juni 1997 vernietigd en heeft zij bepalingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht. Volgens de rechtbank kan de omstreden gedraging, hoewel zeker ongewenst en mogelijk intimiderend, niet als gedrag van seksuele aard in de zin van de op appellants ministerie toepasselijke Klachtenregeling seksuele intimidatie en discriminatie (hierna: de klachtenregeling) worden opgevat.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. Volgens artikel 3, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, zoals die bepaling ten tijde hier van belang luidde, dient de werkgever in het kader van de zorg voor een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het bevorderen van het welzijn bij of in verband met de arbeid ervoor te zorgen dat de werknemer zoveel mogelijk wordt beschermd tegen seksuele intimidatie en de nadelige gevolgen daarvan. Het derde lid van die bepaling omschrijft seksuele intimidatie als ongewenste seksuele toenadering, verzoeken om seksuele gunsten of ander verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag van seksuele aard waarbij tevens sprake is van een van de volgende punten:

1°. onderwerping aan dergelijk gedrag wordt hetzij expliciet hetzij impliciet, gehanteerd als voorwaarde voor de tewerkstelling van een persoon;

2°. onderwerping aan of afwijzing van dergelijk gedrag door een persoon, wordt gebruikt of mede gebruikt als basis voor beslissingen die het werk van deze persoon raken;

3°. dergelijk gedrag heeft het doel de werkprestaties van een persoon aan te tasten en/of een intimiderende, vijandige of onaangename werkomgeving te creëren, dan wel heeft tot gevolg dat de werkprestaties van een persoon worden aangetast en/of een intimiderende, vijandige of onaangename werkomgeving wordt gecreëerd.

3.2. De begripsomschrijving van seksuele intimidatie in artikel 3, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet is vrijwel woordelijk overgenomen in artikel 2 van de klachtenregeling. Gedrag van seksuele aard als bedoeld in de desbetreffende bepaling omschrijft appellant voorts nader als gedrag dat een normaal weldenkend mens heeft kunnen beleven als van seksuele aard. Evenals de rechtbank kan de Raad zich met deze nadere uitleg van het in de regeling gebruikte begrip gedrag van seksuele aard verenigen.

3.3. Volgens artikel 3 van de door appellant ter invulling van zijn zorgplicht tot stand gebrachte klachtenregeling kan een ieder die met seksuele intimidatie of discriminatie wordt geconfronteerd zich met klachten wenden tot een vertrouwenspersoon dan wel de klachtencommissie. De klachtenregeling bevat procedurevoorschriften voor de behandeling van de klacht, welke behandeling dient uit te monden in een advies aan het bevoegd gezag over de gegrondheid van de klacht en de mogelijk te treffen maatregel of sanctie.

3.4. Appellant heeft zich geschaard achter de inhoud van het advies van de klachtencommissie. Volgens dat advies heeft gedaagde zich schuldig gemaakt aan seksuele intimidatie omdat hij V. op 16 januari 1997 gezegd heeft verliefd op haar te zijn, en haar daarbij heeft aangeraakt, waarvan deze niet gediend was. Appellant kwalificeert dit in navolging van de commissie als intimiderend gedrag van seksuele aard dat tot gevolg heeft dat voor V. een vijandige of onaangename werkomgeving is gecreëerd. Daarmee voldoet dit gedrag volgens appellant aan de omschrijving van de klachten-regeling. Appellant heeft de klacht gegrond verklaard.

3.5. Evenals de rechtbank gaat ook de Raad ervan uit dat de vastgestelde seksuele intimidatie met name berust op de gebeurtenissen op 16 januari 1997.

De Raad stelt dienaangaande vast dat V. in de klachtprocedure heeft verklaard dat haar in december 1996 was opgevallen dat gedaagde haar te pas en te onpas aanraakte. Begin januari 1997 heeft zij gezegd dat zij zich erg stoorde aan zijn aanrakerige gedrag. Nadien verliep het contact tussen gedaagde en V. niet meer zo soepel als daarvoor, omdat gedaagde zich nors en ongeïnteresseerd gedroeg. Op 16 januari 1997 heeft V. gedaagde naar de reden van zijn veranderde gedrag gevraagd. Daarop heeft gedaagde haar zijn liefde verklaard en haar daarbij (wederom) aangeraakt. Dat gedaagde zich in die zin heeft geuit en dat hij V. daarbij heeft aangeraakt is tussen partijen niet in geschil. Partijen strijden over de vraag of die gedragingen en de gevolgen daarvan voor de werkomstandigheden van V. zodanig zijn dat moet worden gesproken van seksuele intimidatie in de zin van de regeling.

3.6. Bij de beoordeling van de vraag of de voorhanden gegevens dat standpunt van appellant rechtvaardigen acht de Raad, naast de overige voorhanden zijnde gegevens, niet alleen van belang de tegenover de klachtencommissie en anderen geuite perceptie van V. omtrent het gebeurde op 16 januari 1997, maar ook de uit concrete omstandigheden blijkende houding en intentie van gedaagde. De Raad acht voorts de context van belang waarin het gebeurde heeft plaatsgevonden. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de medewerkers van het proefstation met meer dan gewone vertrouwelijkheid met elkaar omgingen. Namens gedaagde is naar voren gebracht dat zij zich in feite als één grote familie gedroegen en dat zij bij elkaar over de vloer kwamen. Binnen deze context acht de Raad het enkele feit dat gedaagde, naar aanleiding van een vraag van V. naar de reden van zijn veranderde gedrag, als verklaring gaf dat hij verliefd op haar was, onvoldoende om te concluderen dat sprake is van gedrag van seksuele aard als bedoeld in de klachtenregeling.

3.7. De Raad neemt daarbij voorts in aanmerking dat uit verklaringen van derden, zoals de afdelingchef N.D., en de projectleider ir. B.K., met wie V. en gedaagde samen-werkten, valt af te leiden dat V. aanvankelijk gedaagdes gedragingen op 16 januari 1997 niet heeft beschreven als seksueel intimiderend als bedoeld in de klachtenregeling. V. heeft aan D. op 16 januari 1997 verteld dat gedaagde haar had gezegd dat hij verliefd op haar was. Volgens D. was zij na het gebeurde op 16 januari 1997 niet direct verontrust, maar wel verward. Zij wilde wel met gedaagde blijven werken, maar wist niet hoe zij dit moest aanpakken. Ir. K. vermeldt dat V. hem in de week van 20 januari 1997 heeft verteld dat zij de ontstane situatie toch wel ongemakkelijk vond gezien het feit dat gedaagde met haar en K. moest samenwerken en dat toen is besloten even af te wachten hoe het verder zou lopen. Verder heeft zij aan K. verteld dat gedaagde haar nu negeerde en dit heeft ir. K. ook op 27 januari 1997 zelf geconstateerd.

3.8. De Raad acht voorts niet zonder betekenis dat V. niet terstond een klacht wegens seksuele intimidatie heeft ingediend, maar die eerst op 17 februari 1997 heeft geformuleerd, terwijl niet gebleken is dat bijvoorbeeld schaamte, schroom of angst haar ervan hebben weerhouden dit eerder te doen.

3.9. Duidelijk is voor de Raad dat gedaagde en V. zich zeer ongemakkelijk hebben gevoeld onder de door gedaagdes gedrag op 16 januari 1997 ontstane situatie. Maar gelet op de onder 3.6. vermelde context waarin gedaagde de liefdesverklaring heeft gedaan acht de Raad het onwaarschijnlijk dat gedaagde zich op enigerlei wijze jegens V. bedreigend of agressief heeft gedragen. Voorts kan in het bijzonder uit de verklaringen van D. en ir. K. geenszins worden afgeleid dat sprake is geweest van gedrag van seksuele aard van gedaagde dat tot gevolg heeft gehad dat voor V. een intimiderende, vijandige of onaangename werkomgeving is gecreëerd. De onaangename werksfeer is eerder ontstaan als gevolg van een incident op 7 februari 1997. V. verdacht gedaagde ervan op die datum opzettelijk fouten te hebben gemaakt bij werkzaamheden voor V., hetgeen tot gevolg had dat gedaagde zich daarover beklaagde bij de leiding. Daardoor was V., zoals zij aan ir. K. heeft gemeld, overstuur geraakt.

3.10. De Raad is dan ook tot de conclusie gekomen dat het desbetreffende gedrag van gedaagde niet kan worden beschouwd als seksuele intimidatie in de zin van de klachtenregeling.

3.11. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep te veroordelen, tot een bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 322,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht van € 348,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

29.04

Q