Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF9338

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2003
Datum publicatie
02-06-2003
Zaaknummer
02/1185 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na afloop van de vijfjaarstermijn als bedoeld in art. 34, eerste lid, WAO, waarbij betrokkene in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse wordt ingedeeld, is geen uitlooptermijn vereist.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 34
Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen XVIII
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/1185 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 8 mei 2000 heeft gedaagde appellant ervan in kennis gesteld dat de hem toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, per

1 november 1999 wordt voortgezet voor een periode van maximaal vijf jaar. Voorts is meegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op grond van een inmiddels plaatsgevonden hebbende herbeoordeling nader is bepaald op 55 tot 65% en dat zijn uitkering met ingang van 1 mei 2000 wordt gewijzigd en wordt vastgesteld op basis van laatstvermelde klasse.

Bij besluit van 18 januari 2001 heeft gedaagde het namens appellant door mr. C.J. van der Waarde, advocaat te Dordrecht, tegen het besluit van 8 mei 2000 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit herroepen. Daarbij heeft gedaagde besloten de WAO-uitkering van appellant, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, voort te zetten tot 8 mei 2000 en die uitkering met ingang van die datum te herzien en nader vast te stellen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 11 januari 2002 het namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 18 januari 2001 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 januari 2003, waar appellant in persoon noch - als vooraf bericht - bij gemachtigde is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. P.C.M. Huyzer, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

In dit geding gaat de Raad, voor zover voor zijn oordeelsvorming van belang, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is in september 1985 wegens klachten van verschillende aard, met name oog-, schildklier- en spanningsklachten, uitgevallen voor zijn in een omvang van 38 uur per week verrichte arbeid als productiemedewerker. In verband hiermee is appellant door gedaagde met ingang van 25 september 1986 in aanmerking gebracht voor uitkeringen ingevolgde de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO, berekend naar en mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Nadien is de mate van appellants arbeidsongeschiktheid enkele malen gewijzigd.

Zo heeft er in 1994 in het kader van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) een heronderzoek plaatsgevonden, resulterend in een besluit van 20 december 1994 waarbij appellants uitkeringen met ingang van 1 januari 1995 zijn herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. In dat besluit heeft gedaagde tevens aan appellant meegedeeld dat de TBA erin voorziet dat telkens na een herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid de uitkering wordt voortgezet gedurende een periode van maximaal vijf jaar, welke periode voor appellant een aanvang heeft genomen op 1 november 1994 en - derhalve - eindigt op 1 november 1999.

Bij besluit van 28 februari 1997 heeft gedaagde appellants uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, welke naar aanleiding van een ziekmelding van appellant op 9 september 1996 met ingang van 7 oktober 1996 werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 3 april 1997 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Bij brief van 13 juli 1999 heeft gedaagde appellant in herinnering gebracht dat zijn uitkeringstermijn van vijf jaar op 1 november 1999 zal verstrijken en dat appellant, zo hij voortzetting van zijn uitkering wenst, uiterlijk drie maanden vóór 1 november 1999 een aanvraag moet indienen. Bij een door hem op 22 juli 1999 gedagtekend formulier heeft appellant een aanvraag tot voortzetting van zijn uitkering ingediend.

In maart 2000 is gedaagde in het kader van evenvermelde aanvraag overgegaan tot een nadere beoordeling van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid. Gedaagde verzekeringsarts is bij op 27 maart 2000 ingesteld onderzoek tot de conclusie gekomen dat appellant belastbaar is conform de in het belastbaarheidspatroon van 13 september 1994 neergelegde beperkingen van lichamelijke en psychische aard. In dat belastbaarheidspatroon is tevens een urenbeperking opgenomen, in die zin dat appellant belastbaar wordt geacht voor arbeid in een maximumomvang van 4 uur per dag.

Vervolgens heeft gedaagdes arbeidsdeskundige een onderzoek ingesteld, in welk kader appellant is uitgenodigd voor een persoonlijk onderhoud, de eerste maal op 19 april 2000 en daarna op 27 april 2000, aan welke beide uitnodigingen appellant - blijkens de vermelding: "nvgb" in het arbeidskundig rapport - zonder bericht geen gehoor heeft gegeven. De arbeidsdeskundige heeft een zevental functiebestandscodes (hierna: fb-codes) geselecteerd, elk bevattende een of meer functies tot het vervullen waarvan appellant zijns inziens, gegeven de van toepassing geachte medische beperkingen, nog in staat moet worden geacht. De mediane loonwaarde is gevonden door het uurloon van de middelste van de drie hoogstbelonende fb-codes (f 18,54) te vermenigvuldigen met een reductiefactor als bedoeld in het Besluit uurloonschatting 1999 (Besluit van 11 februari 1999, Stcrt. 1999,40, hierna: het BUS) ter grootte van 18/20 alsmede, in verband met het feit dat voor appellant een medische urenbeperking van toepassing is van 4 uur per dag en 20 uur per week, met de factor 20/38.

Het aldus gevonden uurloon van f 8,78 levert in vergelijking met het op f 22,47 per uur bepaalde maatmaninkomen een verlies aan verdiencapaciteit op van 60,9%, overeenkomende met indeling in de klasse 55 tot 65%.

Op grond van deze uitgangspunten heeft gedaagde vervolgens bij besluit van 8 mei 2000 de mate van appellants arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO met ingang van 1 mei 2000 vastgesteld op 55 tot 65%.

Van de zijde van appellant zijn in bezwaar tegen dat besluit verschillende grieven van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. Daarnaast is naar voren gebracht dat gedaagde ten onrechte geen uitlooptermijn van twee maanden heeft gehanteerd, te rekenen vanaf het tijdstip waarop appellant voor het eerst op de hoogte is geraakt van de verlaging van zijn uitkering, zijnde het moment van ontvangst van het besluit van 8 mei 2000.

Gedaagdes bezwaararbeidsdeskundige heeft een correctie toegepast op de berekening van het maatgevende inkomen, maar tevens vastgesteld dat dit niet leidt tot indeling in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse. Alle overige grieven zijn door gedaagde van de hand gewezen. Wel heeft gedaagde aanleiding gevonden om de datum waarop de indeling in de klasse 55 tot 65% wordt geëffectueerd nader te bepalen op 8 mei 2000 in plaats van 1 mei 2000. Hierbij heeft gedaagde in aanmerking genomen dat zich hier de situatie voordoet als bedoeld in artikel 34, vierde lid, van de WAO alsmede in het bepaalde onder punt 6 van de bijlage bij het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, Waz en Wajong 1999 (Besluit van 10 augustus 2000, Stcrt. 2000, 158), namelijk dat niet tijdig een beslissing is genomen op een wel tijdig ingediende aanvraag tot voortzetting van een uitkering, in welke situatie volgens genoemde bepalingen de uitkering wordt voortgezet tot het tijdstip waarop de beschikking op aanvraag bekend is gemaakt, zijnde in dit geval 8 mei 2000.

De rechtbank heeft de in beroep naar voren gebrachte bezwaren, welke in essentie een herhaling vormen van de bij bezwaarschrift aangevoerde grieven, verworpen. De rechtbank heeft aangegeven geen aanleiding te zien om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen vinden in het standpunt van gedaagde dat, gegeven de van toepassing te achten medische beperkingen, de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant passend zijn te achten, waarbij de rechtbank mede acht heeft geslagen op de van de zijde van gedaagde verstrekte toelichting op de markeringen die op de verwoordingen functiebelasting van enkele functies voorkomen. Ook werden de functies in arbeidskundig opzicht, gelet op de gestelde opleidingseisen, door de rechtbank als voor appellant geschikt aangemerkt. Verder is ook de bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid toegepaste reductiefactor door de rechtbank als juist onderschreven. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat en waarom het betoog moet falen dat aan appellant ten onrechte geen uitlooptermijn is gegund. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde in overeenstemming met zowel de wettelijke regels als met de eigen beleidsregels gehandeld door de ingangsdatum voor indeling in de klasse 55 tot 65% (nader) op 8 mei 2000 te bepalen.

De Raad stelt vast dat van de zijde van appellant in hoger beroep geen grieven naar voren zijn gebracht met betrekking tot de door gedaagde bij zijn besluitvorming in aanmerking genomen medische beperkingen. De Raad volstaat daarom met de opmerking dat ook hij, in navolging van de rechtbank en met overneming van de in de aangevallen uitspraak gegeven overwegingen, geen aanknopingspunten heeft gevonden om te twijfelen aan de juistheid van die beperkingen.

Daarvan uitgaande, is de Raad voorts van oordeel dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies in medisch opzicht passend zijn te achten. Ook de Raad acht de bij de markeringen door gedaagde gegeven toelichting plausibel. Hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep met betrekking tot dit aspect naar voren is gebracht geeft de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel.

Verder onderschrijft de Raad de zienswijze van gedaagde en de rechtbank dat de functies ook wat betreft de daaraan verbonden opleidingseisen als passend zijn aan te merken. De Raad kan appellant niet volgen in de opvatting dat de vermelding van basisonderwijs bij enkele van de functies is bedoeld als een strikte opleidingseis, in die zin dat zonder een volledig doorlopen basisschool de functie niet toegankelijk zou zijn. Veeleer acht de Raad het aannemelijk dat hier sprake is van een niveau-eis. Daarvan uitgaande, en mede in aanmerking genomen het arbeidsverleden van appellant en de - betrekkelijk eenvoudige - aard van de aan hem voorgehouden functies, acht de Raad het onaannemelijk dat de betreffende functies buiten het bereik van appellant zouden liggen, te meer nu die functies wat betreft aard en niveau zonder meer vergelijkbaar zijn met de maatgevende functie. Ook kan de Raad zich stellen achter hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de in een van de functies voorkomende verplichte interne opleiding. Mede gelet op het lange verblijf van appellant in Nederland acht de Raad de stelling dat appellant over onvoldoende taalvaardigheid in de Nederlandse taal beschikt om die opleiding te kunnen volgen, niet aannemelijk gemaakt, waarbij de Raad het aannemelijk acht dat de betreffende opleiding - het gaat om een functie in een confectieatelier - op dat punt geen zeer hoge eisen zal stellen.

Wat betreft de reductiefactor heeft appellant in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat zijns inziens de teller van de reductiefactor moet worden gevormd door de (functie met de) laagste urenomvang en niet door de (functie met de) grootste urenomvang. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt dat appellant hiermee beoogt te bereiken dat in zijn geval als reductiefactor 4/20 wordt aangehouden, zulks gelet op het feit dat onder een van de geselecteerde fb-codes een functie voorkomt met een omvang van 4 uur per week. In navolging van de rechtbank merkt de Raad op dat dit betoog reeds moet falen om reden dat de betreffende fb-code niet is gebruikt bij de bepaling van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid. Daarnaast wijst de Raad erop dat, als het gaat om het bepalen van de reductiefactor binnen een fb-code hij al eerder van zijn opvatting heeft doen blijken dat het standpunt dat moet worden uitgegaan van de functie met de geringste urenomvang, geen steun vindt in wet-, regelgeving of jurisprudentie. Niet valt in te zien dat zulks anders moet worden beoordeeld in het geval dat, zoals in dit geschil, aan appellant meer dan 3 functie (bestandscodes) zijn voorgehouden.

Ten slotte kan (ook) de Raad zich niet verenigen met de opvatting van appellant dat gedaagde een uitlooptermijn van twee maanden in acht had moeten nemen.

Naar de Raad in vaste rechtspraak tot uitdrukking heeft gebracht moet in geval sprake is van een verlaging of intrekking van een lopende uitkering uit een oogpunt van zorgvuldigheid doorgaans een uitlooptermijn van in beginsel twee maanden worden gehanteerd, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de betrokken verzekerde voor het eerst op de hoogte is gesteld van de voorgenomen verlaging of intrekking. Een dergelijke uitlooptermijn biedt de verzekerde de gelegenheid zich tijdig op de verlaging of intrekking voor te bereiden.

Hoewel de redactie van het bestreden besluit, naar ook van de zijde van gedaagde is erkend, minder gelukkig is te achten - er wordt in dat besluit immers gesproken van een herziening van uitkering per 8 mei 2000 - is er in het geval van appellant evenwel geen sprake van een op artikel 42 van de WAO gegronde - binnen de vijf jaarstermijn gelegen - tussentijdse verlaging van zijn uitkering, maar van een op artikel 34, eerste lid, van de WAO juncto artikel XVIII van de overgangsbepalingen van de TBA, gebaseerde beslissing tot voortzetting van zijn uitkering - zij het op basis van een lagere klasse dan de klasse waarin appellant tot dan toe was ingedeeld - voor een nieuwe periode van maximaal vijf jaar, nadat de oorspronkelijke termijn van vijf jaar op 1 november 1999 was verstreken.

Appellant was, naar hiervoor is aangegeven, reeds bij besluit van 22 december 1994 ervan op de hoogte gesteld dat zijn uitkeringen waren toegekend voor een maximumtermijn van vijf jaar, welke zou eindigen op 1 november 1999, terwijl hij daarna, enkele maanden voor het verstrijken van die termijn, door gedaagde bij brief van 13 juli 1999 hieraan is herinnerd, waarbij appellant erop is gewezen dat hij, zo hij voortzetting van uitkering wenste, een nieuwe aanvraag moest indienen. Appellant wist derhalve al gedurende zeer geruime tijd dat hij rekening had te houden met de mogelijkheid dat er na 1 november 1999 een wijziging zou kunnen optreden in zijn uitkeringspositie. Anders dan bij een verlaging of intrekking van een lopende uitkering doet zich onder deze omstandigheden niet de noodzaak gevoelen tot het uit zorgvuldigheidsoogpunt hanteren van een uitlooptermijn.

De Raad merkt nog op dat de omstandigheid dat de voortzetting van appellants uitkering door een minder voortvarende afhandeling door gedaagde van appellants aanvraag eerst zijn beslag heeft gekregen in het besluit van 8 mei 2000, in verband waarmee gedaagde, in overeenstemming met de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen en beleidsregels, aanleiding heeft gezien appellants uitkering op basis van de klasse 65 tot 80% ook nog na 1 november 1999 te continueren en de effectuering van de voortzetting van uitkering op basis van de klasse 55 tot 65% eerst te doen ingaan op een later tijdstip - bij het primaire besluit bepaald op 1 mei 2000 en bij het bestreden besluit nader bepaald op

8 mei 2000 - doet aan het hiervoor weergegeven oordeel niet af.

Op grond van het vorenoverwogene moet worden geconcludeerd dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 april 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

CVG