Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF9283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
01/2600 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/2600 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 30 maart 2001, kenmerk JZ/L/2001/170, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft W.R. Smith, als gemachtigde van zijn moeder, bij de Raad beroep ingesteld. Nadien heeft mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, zich als haar gemachtigde gesteld. In een aanvullend beroepschrift heeft zij uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 16 januari 2003. Aldaar is eiseres verschenen bij haar gemachtigden W.R. Smith en mr. A. Bierenbroodspot, voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiseres, geboren [in] 1932, bij besluit van 27 december 1994 op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en is haar een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet toegekend. Bij besluit van 26 april 1996 is aan eiseres op grond van artikel 32, tweede lid, van de Wet met ingang van 1 januari 1993 onder meer een vergoeding toegekend van de kosten voor huishoudelijke hulp gedurende drie uren per week.

Naar aanleiding van een ingediende declaratie van 12 december 1999 voor uitbetaling van de kosten voor huishoudelijke hulp (zoals later gewijzigd bij declaratie van september 2000) heeft verweerster aan eiseres bij berekeningsbeschikking van

30 november 2000 zoals toegelicht bij brief van 10 november 2000, een vergoeding toegekend per 12 december 1998. Na daartegen gemaakt bezwaar is bij het thans bestreden besluit - voor zover hier van belang - overwogen dat is geweigerd om tot uitbetaling van de gedeclareerde kosten over de periode van 1 januari 1993 tot 12 december 1998 over te gaan omdat niet is aangetoond dat in deze periode kosten voor huishoudelijke hulp zijn gemaakt.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerster op goede gronden de uitbetaling van de gedeclareerde kosten voor huishoudelijke hulp over de periode van 1 januari 1993 tot 12 december 1998 heeft geweigerd.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Verweerster heeft bij besluit van 26 april 1996 aan eiseres met ingang van 1 januari 1993 een vergoeding voor huishoudelijke hulp toegekend, waarbij het voorbehoud is gemaakt dat tot vergoeding wordt overgegaan met ingang van de dag dat daadwerkelijk hulp wordt genoten. Dit voorbehoud houdt, aldus verweerster, in dat eiseres door overlegging van bewijsstukken dient aan te tonen vanaf welk moment en tot welk bedrag (extra) kosten zijn gemaakt.

Blijkens de gedingstukken maakt verweerster in het kader van de uitvoering van de Wet ter zake van uitbetaling van vergoeding van kosten voor extra huishoudelijke hulp in het kader van een per 1 juli 1999 ingevoerde praktijk eerst vanaf 2000 gebruik van declaratieformulieren. Vanaf 1 juli 1999 vergoedt verweerster op tijdig ingediende formulieren gedeclareerde extra kosten voor huishoudelijke hulp zonder voor die kosten bewijsstukken te vragen. In de periode daarvoor werd van betrokkene geëist dat bewijsstukken werden overgelegd van de daadwerkelijk gemaakte kosten.

Nu het hier van toepassing zijnde artikel 32, tweede lid, van de Wet bepaalt dat extra ten laste van het burger-oorlogsslachtoffer blijvende kosten voor noodzakelijke voorzieningen volledig worden vergoed, acht de Raad niet rechtens onaanvaardbaar dat verweerster in het kader van de toepassing van evenvermeld artikellid aan betrokkene over de periode vóór 1 juli 1999 om bewijsstukken van gemaakte extra kosten vraagt. Dat verweersters handelwijze per 1 juli 1999 is gewijzigd en dat de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad de door verweerster per 1 juli 1999 ingevoerde handelwijze al eerder hanteerde, maakt het vorenstaande niet anders. Ook de namens eiseres naar voren gebrachte omstandigheid dat het niet altijd even gemakkelijk is om waar het gaat om huishoudelijke hulp bewijs te vergaren, leidt de Raad niet tot een andersluidend oordeel. De stelling dat eiseres enige tijd in verwarring heeft verkeerd over de vraag op welke wet haar aanspraak op vergoeding van huishoudelijke hulp was gebaseerd, neemt naar het oordeel van de Raad evenmin weg dat van haar gevergd kon en mocht worden bewijs te leveren met betrekking tot de door haar gemaakte extra kosten voor huishoudelijke hulp.

Nu geen gegevens zijn overgelegd waaruit ten aanzien van eiseres concreet blijkt wanneer, door wie en tegen welke vergoeding extra kosten voor huishoudelijke hulp zijn gemaakt in de hier nog in geschil zijnde periode van 1 januari 1993 tot 12 december 1998, kan de Raad tot geen andere conclusie komen dan dat verweerster terecht en op goede gronden eiseres betaling van haar declaratie heeft ontzegd. Aan de in beroep overgelegde verklaring van de kleindochter van eiseres ziet de Raad geen beslissende betekenis toekomen, nu ook deze verklaring geen concreet antwoord geeft op voormelde vraagpunten.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiseres niet slaagt.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van de proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2003.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) A. de Gooijer.

HD

30.01