Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF9192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
01/4812 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/4812 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer Wubo van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 26 juli 2001, kenmerk JZ/1/2001/508, heeft verweerster ten aanzien van eiseres uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij aanvullend beroepschrift heeft eiseres aangegeven waarom zij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Bij schrijven van 28 juni 2002 heeft mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, zich gesteld als gemachtigde van eiseres en de gronden waarop het beroep steunt van een nadere toelichting voorzien. Bij schrijven van 12 juli 2002 heeft deze gemachtigde een verklaring ingezonden van de zuster van eiseres, [naam zuster], wonende te Oldenzaal.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 december 2002. Aldaar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Bierenbroodspot voornoemd als haar raadsvrouwe. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren [in] oktober 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, is op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van artikel 2 van de Wet. Aan eiseres zijn in verband met haar oorlogsletsel een periodieke uitkering alsmede diverse voorzieningen toegekend. Bij besluit van verweerster van 26 november 1998 is aan eiseres onder meer op grond van artikel 32 van de Wet een vergoeding toegekend van de kosten van begeleiding tijdens vakantie voor maximaal één vakantie van maximaal twee weken, gerekend vanaf 1 augustus 1998. Een door eiseres ingediend verzoek om vergoeding van de kosten van haar eigen vakantie is bij genoemd besluit afgewezen op de grond dat geen sprake is van extra of bijzondere kosten als bedoeld in artikel 32 dan wel artikel 33 van de Wet. Een door eiseres gemaakt bezwaar is door verweerster bij besluit van 29 juni 1999 ongegrond verklaard.

Bij schrijven van 17 februari 1999 heeft eiseres bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend, betrekking hebbend op de kosten van extra vakantie met begeleiding. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij in 1999 en 2000 met familie vakantie heeft gehouden. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 13 juli 2000 op de grond dat geen sprake is van extra of bijzondere kosten als bedoeld in artikel 32 en 33 van de Wet, aangezien de door eiseres gevraagde vakantie algemeen gebruikelijk wordt geacht. Een door eiseres gemaakt bezwaar heeft geleid tot het thans bestreden besluit. In navolging van het advies van de geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad heeft verweerster daarbij het standpunt ingenomen dat in het geval van eiseres niet is voldaan aan de toekenningscriteria voor vergoeding van extra vakantie en dat ter zake van begeleiding bij de door eiseres gehouden vakantie niet is gebleken van begeleidings-kosten.

Het beroep van eiseres is gericht tegen de weigering haar een vergoeding van extra vakantiekosten toe te kennen en door eiseres is bestreden dat geen sprake is geweest van kosten voor begeleiding tijdens haar vakantie. In dit verband heeft eiseres aangevoerd dat zij ten behoeve van de gezamenlijke vakantie een deel van de reiskosten van haar zuster [naam zuster] heeft betaald.

De Raad overweegt het volgende.

Verweerster acht een medische indicatie als bedoeld in artikel 32 van de Wet voor extra vakantie aanwezig, indien sprake is van een dreigende decompensatie indien niet met vakantie wordt gegaan of indien deze vakantie nodig is in het kader van herstel na een zware medische ingreep. Voorts ziet verweerster een indicatie aanwezig voor vergoeding van extra vakantiekosten, indien deze vakantie is voorgeschreven in het kader van een psychotherapeutisch behandelplan. Dit uitgangspunt van verweerster is door de Raad reeds eerder als niet onredelijk aangemerkt.

Uit de gedingstukken van medische aard blijkt dat aan deze toekenningscriteria in het geval van eiseres niet is voldaan. Het beroep van eiseres op dit punt dient derhalve ongegrond verklaard te worden.

Ter zake van de kosten van begeleiding tijdens vakantie overweegt de Raad het volgende.

Naar namens eiseres terecht is aangevoerd, is in haar geval een medische indicatie aanwezig voor begeleiding tijdens vakantie, nu de geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad heeft geoordeeld dat eiseres op grond van het bij haar bestaande oorlogsletsel (paniekstoornissen) is aangewezen op begeleiding tijdens vakantie. Nochtans heeft verweerster geweigerd een vergoeding van begeleidingskosten toe te kennen op de grond dat geen sprake is van aangepaste vakantie met begeleiding waarvoor extra kosten worden gemaakt. Verweerster heeft daarbij van belang geacht dat eiseres met familie vakantie houdt.

Anders dan verweerster acht de Raad niet zonder meer gegeven dat de omstandigheid dat eiseres vakantie houdt met familie met zich brengt dat geen sprake kan zijn van de door de geneeskundig adviseur voor haar noodzakelijk geachte begeleiding. Of daarvan in het geval van eiseres sprake was, laat de Raad nadrukkelijk in het midden. Nochtans is de Raad van oordeel dat verweerster overigens op goede gronden is gekomen tot afwijzing van het door eiseres ingediende verzoek haar de kosten van begeleiding tijdens haar vakantie te vergoeden, nu niet is komen vast te staan dat eiseres hiervoor daadwerkelijk kosten heeft gemaakt. De van de zijde van eiseres ingezonden bewijsstukken ter zake laten niet anders zien dan dat zij aan haar zuster [naam zuster] geld heeft overgemaakt en enige malen geld van haar rekening heeft opgenomen, dat naar haar zeggen aan genoemde zuster contant is betaald. Voor een helder inzicht in de kostenverdeling van de desbetreffende vakantie, alsmede in de mate waarin eiseres heeft bijgedragen in de door haar zuster gemaakte vakantiekosten, oordeelt de Raad deze gegevens onvoldoende. Ook de van de zijde van eiseres in beroep ingezonden verklaring van [naam zuster] voornoemd geeft op dit punt geen helderheid.

Ook op dit onderdeel acht de Raad het beroep van eiseres derhalve ongegrond.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. R.P.Th. Elshof als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2003.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

08.01