Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF9002

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
01/1045 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1045 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van Bestuur van de Technische Universiteit Delft, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 februari 2001, nr. AWB 00/3724 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 maart 2003, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. R. van de Water, advocaat te Utrecht. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Brouwer, werkzaam bij de Technische Universiteit Delft.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is per 1 januari 1998 uit zijn functie bij de Technische Universiteit Delft ontslagen. Na telefonische navraag naar uitbetaling van nog niet genoten vakantiedagen, heeft hij vervolgens schriftelijk om een officiële reactie met betrekking tot zijn aanspraken terzake verzocht. Hierop is hem bij brief van 4 oktober 1999 meegedeeld dat ingevolge artikel 30c van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) - naar welk artikel de destijds geldende CAO Nederlandse Universiteiten (indirect) verwijst - aanspraken op niet genoten vakantie op de datum van ingang van het ontslag vervallen.

1.2. Bij het bestreden besluit van 21 maart 2000 is het, overeenkomstig de rechtsmiddelenverwijzing in de brief van 4 oktober 1999 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Gedaagde overwoog dat die brief slechts een informerend karakter droeg, nu het feit dat appellant geen vakantiedagen werden uitbetaald rechtstreeks uit de geldende voorschriften voortvloeide. Ten overvloede heeft gedaagde nog uitgelegd waarom het ten tijde van appellants ontslag reeds vervangen artikel 30c van het ARAR nog van toepassing was.

2. Het beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft eerst de gegrondheid van het bezwaar beoordeeld en met gedaagde geconcludeerd dat appellant, gelet op voormeld artikel 30c van het ARAR, ten tijde van zijn ontslag geen aanspraak op vergoeding van niet genoten vakantiedagen had. Nu dit ontbreken van een aanspraak rechtstreeks uit de toepasselijke regelgeving voortvloeide, achtte ook de rechtbank de brief van 4 oktober 1999 niet op rechtsgevolg gericht maar slechts van informatieve aard.

3. De Raad overweegt ambtshalve dat de brief van 4 oktober 1999 wel een besluit inhoudt. Het mag zo zijn dat met die brief mogelijk slechts bedoeld was informatie te verschaffen, maar nu zij de verzochte reactie vormde op appellants aanspraak op uitbetaling van zijn niet genoten vakantiedagen, hield zij naar haar objectieve strekking een weigering in de aanspraak op de niet genoten vakantiedagen te honoreren. Omdat een mededeling dat die aanspraak zou worden gehonoreerd op rechtsgevolg gericht zou zijn geweest en derhalve een besluit zou zijn geweest, hield ingevolge artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook de in de brief van 4 oktober 1999 besloten weigering een besluit in.

3.1. Aangezien het bezwaar derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, zal de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak vernietigen en het inleidend beroep alsnog gegrond verklaren.

3.2. Nu het inhoudelijke punt van geschil in eerste aanleg en hoger beroep uitgebreid aan de orde is geweest, zal de Raad gedaagde niet opdragen opnieuw op het bezwaar te beslissen, maar met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf inhoudelijk op het bezwaar beslissen.

4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat gedaagde jarenlang in gebreke is gebleven de in opeenvolgende rechtspositieregelingen opgelegde verplichting om regels te stellen omtrent hetgeen op de vakantie betrekking heeft, uit te voeren. Zoals de rechtbank eveneens terecht uiteengezet heeft, leiden de opeenvolgende overgangsbepalingen terzake van dat niet-uitvoeren ertoe dat ten tijde van appellants ontslag artikel VII van het besluit van 17 september 1990 (Stb. 498) tot wijziging van het Rechtspositiereglement Wetenschappelijk Onderwijs nog van betekenis was. Volgens dit artikel blijven de artikelen 24 tot en met 30e van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zoals die artikelen luiden op 30 juni 1989, op de ambtenaren van rijksuniversiteiten van toepassing (tot het tijdstip waarop de inzake vakantie vast te stellen voorschriften van de desbetreffende instelling in werking treden).

4.1. Artikel 30c van het ARAR luidde op 30 juni 1989: "Aanspraken op niet genoten vakantie vervallen op de datum van ingang van het ontslag;…"

4.2. Bij koninklijk besluit van 1 juli 1991 (Stb. 349) is artikel 30c vervangen en is met ingang van 11 juli 1991 in artikel 24 van het ARAR bepaald dat, indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft op vakantie, voor ieder uur een vergoeding ten bedrage van zijn laatstgenoten salaris per uur wordt toegekend.

4.3. Appellant stelt dat als gevolg van het vervangen van artikel 30c van het ARAR door artikel 24 dit laatste artikel op hem van toepassing is. Hij wijst er daartoe op dat, nu gedaagde in gebreke is gebleven een eigen regeling inzake de vakantie te treffen, het ARAR zoals dat ten tijde in geding luidde van toepassing is.

4.3. Appellant miskent aldus dat artikel VII van het besluit van 17 september 1990 niet bepaalt dat, zolang het instellingsbestuur geen eigen regeling inzake de vakantie treft, terzake het ARAR van toepassing blijft, maar dat terzake artikel 30c van het ARAR van toepassing blijft en wel zoals dat artikel op 30 juni 1989 luidt. Derhalve blijft de op 30 juni 1989 geldende tekst van artikel 30c onverkort van toepassing - zolang het instellingsbestuur geen eigen regeling inzake de vakantie treft - ook indien dat artikel inmiddels is gewijzigd of ingetrokken. Gelet op voormeld artikel VII is artikel 24 van het ARAR niet op appellant van toepassing.

4.4. Ter zitting is namens appellant nog gesteld dat, als gedaagde wel aan zijn verplichting had voldaan om een eigen regeling inzake de vakantie te treffen, die regeling gelet op de wensen van de vakbonden een soortgelijke inhoud als

artikel 24 van het ARAR zou hebben gehad. Evenwel, ook als zulks zo zou zijn, kan naar het oordeel van de Raad dat gegeven gedaagde toch niet nopen van voormeld artikel VII af te wijken en artikel 30c van het ARAR, zoals dat op 30 juni 1989 luidde, buiten toepassing te laten.

4.5. De Raad overweegt nog dat artikel 4.5, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) ten tijde van appellants ontslag bepaalde dat de eigen rechtspositieregeling van de instelling omtrent ontslag niet minder rechten mocht verschaffen dan voortvloeide uit de bepalingen van dwingend recht van titel 7A van Boek 10A van het Burgerlijk Wetboek. Reeds nu voormeld voorschrift van de WHW beperkt is tot ontslag en geen betrekking heeft op vakantieaanspraken, kan ook dat voorschrift appellant niet baten.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene wordt het bezwaar tegen de brief van 4 oktober 1999 alsnog ongegrond verklaard.

5. De Raad ziet aanleiding gedaagde te veroordelen in appellants kosten van rechtsbijstand ten bedrage van € 644,- in eerste aanleg en € 644,- in hoger beroep. De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Verklaart het bezwaar tegen de brief van 4 oktober 1999 alsnog ongegrond;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een totaal bedrag van € 1.288,-, te betalen door de Technische Universiteit Delft aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Technische Universiteit Delft aan appellant het door hem in eerste aanleg en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 256,39 (voorheen f 565,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 april 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.